Zijkanter 6

Eind 1999, begin 2000 verzorgde ik voor de BLOS-radio, de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting, sinds vorig jaar onderdeel van Omroep Land van Cuijk, een serie columns. Het waren vijfminutenpraatjes over voetbal, waarbij ik steeds probeerde ook taalkundig of stilistisch iets aparts te doen en er een bijpassend uitleidend muzieknummer bij te vinden.
De columns kregen de titel “De zijkanter”, en de opnamen zijn bewaard gebleven. Van tijd tot tijd zal ik een Zijkanter hier doen herleven.
Elke uitzending bestond uit een vaste introtune van een minuut, een midibestandje van een of ander computerspelletje, meen ik, maar dat herinner ik me niet meer, gevolgd door een ingesproken tekst en uitgeleid met een muzieknummer dat enigszins aan de tekst was gerelateerd.

Hier staat Zijkanter 6 (oktober 1999) weergegeven, afgesloten met het nummer Arom Yim, een hit uit Thailand van circa 1990 over de welbekende Thaise glimlach, referend aan het meewarig karakter van de tekst. Het bijzondere aan de tekst is dat die bestaat uit één enkele zin. Als ik meer tijd had gekregen dan vijf minuten, had die zin nog wel langer kunnen worden dan de 823 woorden die hij nu omvat.
De betreffende uitzending is integraal te beluisteren op YouTube.

Het was voor die eenzame moeder langs de kant, die één zoontje bij de E-tjes had rondlopen en een ander bij de F-jes, waardoor ze, om geen van beiden voor te trekken, beurtelings ging kijken naar Jonathan en Eugène, bepaald geen lolletje om te moeten zien hoe haar jongste spruit, pas een dag of drie koortsvrij na een behoorlijke griepaanval, die het jongske meer dan een week van school en in bed had gehouden, waardoor het zich stierlijk ging vervelen en voor haar een waarlijk blok aan het been was geworden, zich wat onwennig op het lichtbevroren veld voortbewoog, hoewel aan alles te zien was dat hij een dusdanige conditionele achterstand had, dat het eigenlijk onverstandig was van die elftalleider, die ze overigens toch haast nooit sprak, iets wat binnen de vereniging een van de grote manco’s was, het contact tussen elftalleiding en ouders van de jongste jeugd, waarover ze wel eens iets had willen schrijven in het clubblad, maar waarvan ze toch maar weer had afgezien omdat ze vermoedde dat het toch niet geplaatst zou worden, en zo ja, dat het dan toch geen effect zou hebben, hem een hele wedstrijd te laten spelen terwijl de man toch kon zien dat het kind al na tien meter lopen zowat omviel van de duizeligheid, wat ook regelmatig gebeurde, waarbij het op een gegeven moment een open knietje opliep, zodat de pupil, huilend van de pijn en natuurlijk ook van de kou en de uitputting, naar de zijlijn strompelde met de kennelijke bedoeling zich alleen, maar dan ook uitsluitend door zijn bloedeigen moeder te laten behandelen, ook al wist hij dat zij geen ehbo-trommeltje bij zich had en zij dus niet in staat was die heilige pleister, die elke wond geneest en aan alle pijn een einde maakt, op het roodgekleurde knietje te plakken, waarna de dit keer falende spits zijn positie op het wit uitgeslagen veld weer zou kunnen innemen in de hoop er althans in de resterende tijd nog het beste van te maken, te scoren wellicht, desnoods net zo lucky als in het begin van het seizoen toen hij, bij de eerste thuiswedstrijd, op een gegeven moment niet goed oplette, waardoor hij een met de wind mee opvallend verre uittrap van de keeper, die eigenlijk best wel een waardeloze keeper was, maar niemand durfde daar iets van te zeggen, omdat niemand er ook maar over piekerde zelf in het doel te moeten gaan staan, zo maar plotseling en pijnlijk boven op zijn hoofd kreeg, van waar de bal met een onnavolgbare curve en vermoedelijk met een geraffineerde portie effect weer opsprong, verder voorwaarts draaide en tot bovenmatige verbijstering van de bezoekende keeper, die in grote vertwijfeling nog beide armpjes in de lucht stak om toch maar aan iedereen te laten zien dat hij in ieder geval nog wàt aan had proberen te doen, hoewel hij meteen al in de gaten had dat hij veel te ver voor zijn doel stond, zodat deze lucky kopbal onhoudbaar achter hem in het net zou ploffen, net onder de deklat van het kleine doeltje langs het net omlaag dwarrelde, op de grond nog wat sadistisch nahuppelde en toen, eenmaal uitgetold, een paar centimeter achter de doellijn, wat dus op dit halve veld eigenlijk de zijlijn was, bleef liggen als het rotsvaste bewijs van het feit dat hier van een loepzuivere goal sprake was, hetgeen ertoe leidde dat het hele team, het keepertje incluis, die eigenlijk, behalve dat hij niet goed kon keepen, ook best wel een ettertje was, want hij zat altijd in de kleedkamer op te scheppen over zijn spiksplinternieuwe keeperhandschoenen, of over zijn nieuwe mountain bike die veel duurder was dan die van alle andere jongens bij elkaar, of over weer iets anders, want hij had altijd wel wat om over op te scheppen, maar als je hem iets vroeg, dan gaf hij altijd niet thuis, dat het hele team dus als één man, als één jongetje eigenlijk, maar dat kun je zo niet zeggen, in volle vreugde op Eugène dook uit blijdschap over dit vroege, maar nu al bij voorbaat allermooiste doelpunt van het hele seizoen, met als gevolg dat de verbaasde, maar toch uiterst trotse doelpuntenmaker ten val kwam, en, eenmaal op de grond liggend, niet alleen bijkans werd verpletterd door zes deinende ploegmakkers, maar bovendien tot overmaat van ramp een schoen, die vermoedelijk vastzat aan de voet van zijn beste vriendje, midden in zijn gezicht kreeg, waardoor een van zijn voortanden afbrak hetgeen hem daags daarop bij de tandarts op een behoorlijk pijnlijke behandeling is komen te staan, iets wat hem heeft doen besluiten om voortaan na het scoren van alweer een goal direct naar de zijkant van het veld te snellen en bescherming te zoeken bij zijn leider of, liever nog, één keer in de veertien dagen, bij zijn eenzame moeder langs de kant, want alleen bij haar ben je veilig voor al dat onbesuisde geweld op het voetbalveld.

 

Exit ReVox

Nadat vorige maand mijn Dauphine ten prooi was gevallen aan de voorjaarsopruimwoede, is het nu de beurt aan het ReVox tape deck waarvan ik na 45 jaar nauwelijks nog gebruik maak. Eigenlijk komt dat doordat de banden beginnen te slijten (rek en slijpsel) en het, net als oude super-8 films en cassettebandjes, veiliger is de oude opnamen te digitaliseren voor de eeuwigheid.

Dat ik die ReVox kocht, was de zoveelste invloed van Bernard Huijbers op mij. Hij wist mij in de jaren-’60 ervan te overtuigen dat ReVoxen de beste bandrecorders waren, dat een Quad versterker het topmerk voor de huiskamer was en dat elektrostatische boxen het summum van luisterplezier waarborgden. En dus kocht ik van mijn goed betaalde vakantiebaantje een Quad 33-303 combinatie, die het nu, 50 jaar later, nog steeds naar tevredenheid doet en zich ook nog steeds kwalitatief kan meten met wat er momenteel verkrijgbaar is. Toen ik in 1972 als invaldocent op het Ignatiuscollege weer genoeg had gespaard, schafte ik de ReVox A77 aan (Bernard had de oudere A76, die nog op buizen werkte, in plaats van de getransistoriseerde A77), en half jaren-’70 was er geld genoeg in kas om twee elektrostatische Janszen boxen aan te schaffen. Ook die doen hun werk nog steeds naar behoren.

Het nadeel van de ReVox is niet het apparaat zelf, maar de banden, die na zovele jaren ernstig kwaliteitsverlies vertonen. De opnamen zelf zijn niet aangetast, maar het materiaal van de banden is sterk aan het achteruitgaan, zodat het raadzaam is digitale kopieën te maken voor het te laat is. Een nadeeltje van de ReVox zelf is dat er maar zes maanden garantie op werd gegeven, die bovendien alleen in Nederland geldig was. Dat steekt wel erg schril af bij de levenslange garantie die de firma Transtec gaf op de Quad-apparatuur, al moet gezegd dat Transtec inmiddels failliet is.

Wat ik in een paar dagen nog aan oud geluidsmateriaal heb weten te redden, levert ook wel stof op voor deze blog. Ik noem allereerst een aantal radiocolumns die ik rond 1990 voor de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting over voetbal maakte onder de titel De Zijkanter. Vervolgens enkele hoorspelen van Theun de Vries, destijds opgenomen van de radio, en een lang interview met hem. Verder een NOS-radiouitzending uit 1985 over de gevaren van hydrazine, de zeer giftige noodbrandstof van F16-straaljagers, een onderwerp waar ik destijds een hele studie van heb gemaakt. En ten slotte een goede opname van Muzeldicht, het vierde nummer op het 45-toerenplaatje Ambrozijn en Groggelgijn. Dat nummer, waarover ik EERDER al schreef, heb ik inmiddels op YouTube geplaatst. Zoek daar maar op “Muzeldicht”.

Al met al zitten er voor deze weblog weer een aantal artikelen-uit-de-oude-doos in het vat.

Het ReVox A77 tape deck, met een aantal accessoires als bandreparatiesets en lege metalen spoelen van 26½ cm, is vanaf nu te koop. Over de marktconforme prijs kunnen we het nog wel hebben.

SALON-LAVOIR

Ik dacht dat de periode van de wasserettes wel zo’n beetje voorbij was, maar hoera, bij ons in de buurt, in Bourbonne-les-Bains, is er recentelijk weer eentje geopend. Die heet dus niet een wasserette, zoals ik eerder al eens uitlegde, maar een laverie automatique, of met een deftiger (en vermoedelijk Waals) woord: salon-lavoir. Was het vanaf de jaren-’60 een uitkomst voor hen die zich geen wasmachine konden veroorloven, vandaag de dag lijkt het meer iets voor haastelieden die geen tijd hebben om thuis de was te doen, vandaar ook die gratis Wi-Fi, zodat je je niet hoeft te vervelen onder de was, of voor mensen die tijdelijk elders verblijven waar geen wasmachine beschikbaar is.

Dat laatste verraadt ook waarom het nu juist in Bourbonne-les-Bains is dat die wasserette is geopend, en tevens waarom daarvoor reclame wordt gemaakt bij de receptie van mijn vaste fysiotherapeut aldaar. Bourbonne is vanouds een stad met thermale bronnen en baden, waar nog steeds tallozen hun heil zoeken om van allerhande akelige kwalen af te komen. Veel van het toerisme in die stad bestaat dus ook uit gebrekkigen die middels hydromassage, balnéothérapie, modderbaden (fangothérapie) of wat dies meer zij van hun artrose, ostéoporose op welke ouderdomskwaal dan ook hopen af te komen. Het is er een va et vient van oudjes die er ongelukkig op krukken binnengaan en gelukkig op krukken weer uitkomen. Omdat veel aangeboden arrangementen bestaan uit een meerdaagse kuur, tref je er een groot aantal hotels, B&B’s en huurappartementen aan.
Maar omdat lang niet alles door de verzekering wordt vergoed en Fransen ook op elke centime letten, doet zich de merkwaardige situatie voor dat er zich op de grote, gratis parkeerplaats nabij het fysiotherapiegebouw (la maison bleue) altijd een aantal campers bevindt waarin zieken en gebrekkigen de nacht doorbrengen tijdens hun behandelperiode in Valvital. Dat bespaart weer de kosten voor prijzige overnachtingen, die je voor een deel dan weer kunt besteden aan een bezoek aan de wasserette.

Het woord salon-lavoir refereert ook aan de lavoirs, de openbare wasplaatsen, die je in zowat elk Frans dorp aantreft. Ze zijn als zodanig niet meer in gebruik, maar in vervlogen tijden waren het de plekken waar de vrouwen van het dorp de was konden doen en oeverloos met elkaar konden kleppen en roddelen, iets waar Fransen nog steeds dol op zijn. Veel van die lavoirs zijn nog in de oude staat te bewonderen, soms omgetoverd tot kunstwerken, zoals hiernaast de lavoir te Vignory, soms volop van bloembakken voorzien, soms ook ommuurd, zoals de lavoir van Rosoy-sur-Amance die nu fungeert als salle-de fête. Immers, met de komst van rioleringen, begin 20e eeuw, liep er geen stromend water meer door de lavoirs en verloren zij hun oorspronkelijke functie.
Het loont werkelijk de moeite er tijd aandacht aan te besteden, als je door Frankrijk toert, want het zijn vaak beeldschone overblijfselen van een praktische en sociaal zeer welkome cultuur. Het waren eeuwenlang de wasserettes van elk dorp.

By the way: ook de Engelse hanteren Fransachtige woorden: de salon-lavoir, de Nederlandse wasserette, heet in het Engels een laund(e)rette.