Anna Vondelstraat 1/2


Anna Vondelstraat 1, Amsterdam Oud-West, werd in 1882 gebouwd toen de Anna Vondelstraat nog niet bestond. Daarover meer in dl.2 dat begin maart hier zal verschijnen.
In oktober 1948 kwam de familie Loonen, vader, moeder en zes kinderen, daar te wonen op de tweede (woonkamer, keuken) en derde verdieping (3 slaapkamers). Over de weinig florissante situatie van dat onderkomen heb ik onder de titel Schaalvergroting in november 2012 al bericht.
Hoog tijd voor wat meer diepte-informatie.


In 1882 liet slachter A.J.W. Helleganger (what’s in a name!) een spiksplinternieuw slachthuis bouwen aan de Overtoom 101, gemeente Nieuwer-Amstel, later, na de annexatie door Amsterdam hernummerd tot Overtoom 217. Boven de varkensslachterij bevatte het hoekpand drie verdiepingen met bovenwoningen. Bouwtekeningen zijn te vinden in de beeldbank Amsterdam, met zoekopdracht “Anna Vondelstraat 1″. Voor het grootste gedeelte lag dat pand om de hoek van de Overtoom aan “een geprojecteerde straat”, de Anna Vondelstraat, die tussen 1890 en 1894 werd volgebouwd en de Overtoom ging verbinden met de Vondelstraat.

De Overtoom was toen nog niet gedempt; dat gebeurde pas twintig jaar later. Het zal den slachter wel van logistiek belang zijn geweest dat hij zijn varkens per boot kon laten aanvoeren, en het uitgebeende vleesch weer kon verschepen. Misschien zag hij de bui al hangen, want rond 1900 deed hij de zaak over aan Gerrit Pol, die er een vleeschhouwerij van maakte, d.w.z. dat hij de geslachte en uitgebeende koeien en varkens van het abattoir betrok en er zelf eindproducten van maakte, waaronder fijne vleeswaren. Ik vermoed dus ook dat de koeien voor de deur eerst naar het abattoir gingen; Pol slachtte niet aan huis. Overigens, de Beeldbank heeft de foto niet gedateerd (vermoedelijk tussen 1900 en 1920), en evenmin verklaard hoe daar opeens huisnr. 29 te zien is, in plaats van 217. Ik probeer dat nog wel uit te vissen.

Zoon Johan Pol nam rond 1920 de zaak over en hij was van 1948-1956 onze slager-op-de-hoek. Ik bewaar er prima herinneringen aan. We hadden uiteraard geen koelkast, dus elke dag moest iemand van ons even het eten van de dag gaan halen, tot ±1950 met distributiebonnen, later in de vrije verkoop.

Toen wij het huis betrokken had daar een zekere heer Weehuizen gewoond, werkzaam bij de N.V. Werkspoor. Ik heb van hem nog enige correspondentie liggen, met name vanwege zijn klacht uit november 1947, gericht aan het Prijzenbureau voor Onroerende Zaken aan de Stadhouderskade. Hij beklaagt zich omstandig over het feit dat hij als huurder van de eigenaar, mejuffrouw E. Frank, wonende op de Stalinlaan, te horen kreeg dat die voornemens was de maandelijkse huur voor Anna Vondelstraat 1-II en -III exorbitant te verhogen van ƒ 35,= naar ƒ 60,=. Kort daarvoor was het hele pand Anna Vondelstraat 1 getaxeerd op ƒ 10.000,= (ik bied nu graag het dubbele ter verkrijging!), hetgeen een huurprijs van ca. ƒ 35,=/maand billijkte.

Ruim een maand later komt het Prijzenbureau met een soort Salomonsoordeel dat mede was gebaseerd op de overweging dat een maandhuur van ƒ 60,= “boven het op 9 mei 1940 (!) voor soortgelijke objecten gebruikelijke huurpeil ligt“. Als “hoogst toelaatbare huurprijs” noemt het Prijzenbureau een bedrag van ƒ 42,50 met de toevoeging “dat ten aanzien van het gebruik van electrische stroom, gas en verwarming niet meer in rekening mag worden gebracht dan de kosten van het werkelijk gebruik“. De eigenaresse gaat prompt akkoord en dat zal inhouden dat mijn vader enige maanden later ook datzelfde bedrag aan huur moest gaan betalen.

Naar huidige maatstaven van woningcorporaties hield mejuffrouw Frank zich vrij lang opvallend koest. Maar in januari 1952 stuurt zij mijn vader een kort briefje (“Met alle hoogachting“) dat zij zich genoodzaakt voelt de huur per 1 februari 1952 in één klap met 15% te verhogen tot ƒ 48,30 hetgeen gelijkstaat aan een jaarlijkse verhoging van 4%.

Over wat voor een pand hebben we het eigenlijk?
Via een stoepje voor de voordeur (hier op een foto uit 1949) kwam je in een halletje met rechts de trap naar boven en links een vrij grote ruimte die een driedubbele functie had: allereerst konden we daar de fietsen stallen, verder was er achterin een luik waardoor de steenkool werd gestort die de bewoners gebruikten om de kolenhaard te stoken, ten slotte stond er een piano waarop de zus van mejuffrouw Frank, Annie Zieren-Frank pianolessen gaf. Op de dagen dat zij lessen gaf, moesten wij de fietsen uit de ruimte halen (eerst het vloerkleed opzij rollen!). Mevrouw Zieren was, net als haar zus en nog een andere zus, blind, hetgeen haar niet belemmerde uitstekend pianolessen te geven. Met haar handen voelde ze of je vingerzetting wel deugde. Zij genoot landelijk wel enige bekendheid, niet in het minst bij het koninklijk huis: van Wilhelmina kreeg zij ooit eens een vleugel cadeau en Juliana inviteerde haar diverse malen op Soestdijk om kinderliedjes te komen begeleiden. Geboren in 1890 haalde zij de respectabele leeftijd van 103 jaar. Van haar is nog een NOS-radiointerview te beluisteren en op internet tref je nog een bericht over haar aan. Verder wijdde het Goois Weekblad van 7-8 november 1984 een paginagroot artikel aan de toen 94-jarige pianiste.

Drie van mijn zussen en mijn broer hebben pianoles bij haar gevolgd; ik was nog te jong, maar ik herinner me wel dat je eerst vanaf de begane grond de ene etude van Czerny na de andere hoorde spelen, waarna die boven in onze huiskamer nog eens dunnetjes werden verder gestudeerd.

Dan maar de trap op. Op 1 hoog woonde de familie Chung. Hij een Chinees waarvan ik niet weet of hij uit Indië was gerepatrieerd; in ieder geval was zijn Nederlands een garantie voor bijna geen communicatie. Mevrouw Annie Chung-Marx sprak met een sterk Duits accent, hetgeen haar in die tijd, en dan nog wel in Amsterdam, ongetwijfeld van de straat hield. Zij hadden één zoon, Kok Han, ongeveer van mijn leeftijd, maar dikke vriendjes zijn we nooit geworden. Het frequentste contact dat wij met de Chungs hadden was het toilet, het enige dat er aanwezig was op de 1e, 2e en 3e verdieping. Het had twee deuren, eentje voor de Chungs, de andere voor ons. Zij en wij moesten dus steeds twee deuren op het haakje doen, hetgeen wel eens achterwege bleef. De anekdote die mij het meest is bijgebleven is dat mijn vader op een dag de wc-bril had gevernist. Pa Chung, die het woord “NAT” niet kende, ging erop zitten en riep toen: “Annie, ikke zitte vasseplak!”

Nog maar een trap op, die uitkwam op een halletje. Rechts de keuken, klein, maar afdoende, met een aanrecht (ik weet niet of er ook warm water was), een gasfornuis op stadsgas, want aardgas was er nog lang niet, en een voorraadkast. Vanuit het halletje rechtdoor was de woonkamer, ik heb het inmiddels nagemeten: 6 bij een kleine 5 meter. Die moest niet alleen plaats bieden aan 8 personen, maar ook had mijn vader op het pandhuis of bij veiling De Zwaan een compleet ameublement gekocht, zwaar en massief, geproduceerd door H. Pander & Zonen te ‘s-Gravenhage. Het omvatte een groot buffet, een ovale uitschuifbare eettafel met tussenblad, twee zware stoelen met leuningen en vier zonder leuningen (twee van ons moeten dus op keukenstoeltjes hebben gezeten), een theetafel en wat bijzettafeltjes. Het meeste daarvan staat nu bij mij in Rosoy, met aanmerkelijk meer rumte eromheen. Via de hijsbalk was alles vakkundig omhoog getakeld, samen met een djatihouten bureau, twee rookstoelen en een piano. Later kwam er nog een radio/grammofoonmeubel bij met ingebouwde luidsprekers. Hoe het er allemaal in heeft gepast, is me nog steeds een raadsel. Eigenlijk geen wonder dat Van der Schaal het niet wilde geloven.

In het halletje links liep de trap naar zolder, met daaronder een bergkast. Op die zolder waren drie slaapkamers, eentje voor mijn ouders, met een lampetkan op een toilettafeltje, eentje voor mijn oudste twee zussen met een wastafel die koud stromend water leverde, behalve ‘s winters, want dan waren de leidingen steevast bevroren, en eentje voor het jongere kroost: een tweepersoonsbed voor mijn jongste twee zussen en een stapelbed waar mijn broer bovenin lag en ik onderin. Die kamer was daarmee compleet gevuld; voor enig meubilair of een wastafel was er absoluut geen plek. Mijn oudste zussen konden door het dakraam in de goot aan de tuinzijde klimmen om te zonnen, huiswerk te maken of de was te drogen te hangen aan provisorisch bevestigde waslijnen aldaar.

Zelf heb ik dat opgehokte verblijf nooit zo rampzalig gevonden, bij gebrek aan enig referentiekader. Voor mij was het dus “normaal”. De anderen hadden wel een referentiekader: dat van de Jappen-vrouwenkampen op Java cq. de werkkampen langs de Birmaspoorlijn. Het is voorstelbaar dat zij het gevoel hadden er in Anna Vondelstraat 1 op vooruit te zijn gegaan.

Desalniettemin heeft mijn vader bijna van meet af aan stad en land bewogen om een meer passende woonruimte beschikbaar te krijgen, direct via het CBH, indirect via zijn werkgever, de Marine op Kattenburg waar hij in een civiele functie tot zijn pensioen heeft gewerkt. Maar zelfs een persoonlijke interventie in augustus 1951 van H.C.W. Moorman, Staatssecretaris van Marine, die beloofde “nogmaals persoonlijk een beroep te doen op de Burgemeester van Amsterdam”, mocht niet baten. De woningschaarste was te nijpend.

Makelaar Lemmens te Amsterdam probeerde in september 1954 nog wat schot in de zaak te brengen: middels een kil schrijven verzoekt hij mijn vader “hoezeer het mij spijt” binnen drie weken de woning te ontruimen en te verlaten, in de verwachting “dat het U nu moge gelukken een woning te vinden die het U en Uw gezin mogelijk zal maken eindelijk eens menschwaardig te wonen“.

Ook dat mocht niet baten, al weet ik niet hoe het is gelukt om het nog bijna twee jaar uit te houden daar. Maar op 8 mei 1956 kwam van het CBH, na een wachttijd van 6 jaar, het felbegeerde voorrangsbewijs met een woonvergunning voor het pand Lomanstraat 6 hs+I.
Die verhuizing was vlot geregeld.

 ___________________

Volgend bericht: Anna Vondelstaat 2a

 

 

2 thoughts on “Anna Vondelstraat 1/2

  1. Leuk om dit te lezen. Antonius Julius Willebrordus Helleganger (1857-1936) was mijn overgrootvader. Een eerste steen in de gevel met zijn naam herinnert nog aan hem. Helaas was hij zijn hele leven geen goede zakenman, Al voor 1889 moest hij het pand als woning verlaten en ik neem aan de slagerij ook van de hand doen (aan Gerrit Pol?). Zijn vader Carel Clement Helleganger (1827-1901) bewoonde nog wel het pand tot aan zijn dood. Carel was wel een succesvolle koekebakker geweest in de Utrechtsestraat. Van zijn vermogen werd dit pand gebouwd. Het nummer 29 op de foto klopt, dat was het nummer tot aan de annexatie van Nieuwer-Amstel. Het nummer 101 op de prent klopt niet, waarom dat daar op staat weet ik niet.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>