Kunstoogst

Ik ben verzot op aardappelen, dat mag intussen wel bekend zijn.
Nu intussen de oogst 2016 boven de grond komt, krijg ik er zo maar een artistieke bijvangst bij. Daar ik dit jaar niet aan de door mij verafgode Nicola kon komen, waagde ik een poging met een rij Monalisa en een rij Franceline.
Het resultaat verbaast.

De Monalisa, iets minder vastkokend dan de Nicola, schijnt vooral rond de Middellandse zee populair te zijn. Een gladde, gele aardappel waarvan sommige een respectabel gewicht van 4 ons halen, zoals hier links op de foto’s. Ik vind het qua smaak een wat doorsnee-aardappel die op geen enkele wijze correspondeert met de glimlach die haar naamgeefster zo beroemd maakte. Maar toch goed te eten.

De rode Franceline is van een ander kaliber. Vastkokend, stevige smaak, maar naast vele langwerpige, gladde exemplaren zitten er ook veel amorfe knollen tussen die zich lastig laten schillen. Hetzelfde euvel als bij de Franse Ratte en de Nederlandse Opperdoezer, maar die kun je ook ongeschild bereiden en eten.


Ter compensatie haalde ik vanmorgen dit muilezelkonijnenhondje uit de grond, op de foto’s rechts.
Even van genieten, en dan maar gauw opeten.

 

 

32-voets

Tot mijn stomme verbazing en prettige verrassing oefende organist Julien Bret afgelopen zaterdag op het majestueuze Cavaillé-Coll orgel van de Abbatiale Saint-Ouen in Rouen voor zijn concert aldaar, daags erop. Het was net toen ik bezig was foto’s te maken van die kerk en van dat orgel tijdens mijn eerste bezoek aan Rouen ooit. Het zware 32-voetsregister deed mijn buik trillen en mijn hoofd suizen.

In feite betrof het een soort thuiswedstrijd van Bret, die immers aan het conservatorium van Rouen zijn opleiding tot organist volgde. Momenteel is hij de vaste bespeler (“titulaire du grand-orgue Merklin”) van het grootorgel van de Saint-Ambroise in Parijs, een orgel dat overigens geen 32-voetsregister heeft, net zoals veruit de meeste orgels. Daarvoor moet je echt bij de zware jongens wezen, in Nederland bijvoorbeeld de Haarlemse Bavo of de Bossche Sint-Jan. De machtige orgels van de Týnkerk en de barokke Nicolaaskerk in Praag, aan welke instrumenten ik warme herinneringen bewaar, hebben het niet eens.

Maar ook het orgel van de Saint-Ouen in Rouen mag er wezen met zijn 64 registers, waaronder 2 pedaalregisters van 32 voet, een soubasse en een contre-bombarde. Die twee registers produceren zeer lage tonen, de laagste van ruim 16 Hz, met moeite hoorbaar, maar des te beter voelbaar aan de trillingen in je buik. Het betreft pijpen van bijna 10 meter lengte die aan weerszijden van het front in de pedaaltorens staan opgesteld. Ter vergelijking: de Ignatiuspijpen die ik heb staan zijn 8-voets (dus 2 octaven hoger dan de 32-voets) met een lengte van ±2½ meter, en ook die doen bij vol volume de schilderijen al bungelen aan de wand. Een zeer fraaie demonstratie op YouTube, gepaard aan al even fraaie beelden van de gotische kerk, is de Toccata uit de 5e orgelsymfonie van de Franse organist/componist Charles-Marie Widor, die de compositie nog zelf speelde als slotstuk bij de inauguratie van het orgel in 1890. In de YouTubefilm is het de Fin Kalevi Kiviniemi die de toetsen en de pedalen bedient. Mocht je deze uitvoering beluisteren, zet dan een koptelefoon op, zet het volume op maximaal, om de buren niet te bruuskeren; geniet van de indrukwekkende impact op je innerlijk en neem eventuele gehoorschade voor lief.

Het kan nog zwaarder: er zijn ter wereld twee orgels, een in de Boardwalk Hall in Atlantic City (New Jersey) en het andere is het Town Hall Organ in Sydney, met een 64-voetsregister. Met hun frequentie van 10 Hz liggen ze buiten ons gehoorspectrum en er wordt nogal getwijfeld aan het muzikale nut van deze 20 meter lange pijpen, die, laat het zich aanzien, meer te maken hebben met een poging een wereldrecord te breken en toeristen te trekken.

Het orgel van de Saint-Ouen in Rouen klinkt al imposant genoeg. Ik meen dat serieus, ook al vind ik het orgel eerlijk gezegd wat steriel, koel gestemd, bepaald niet barokkerig, de lage pedaaltonen zetten rauw en wat vertraagd aan, en de nagalm van 3 à 4 seconden is rijkelijk lang. Maar wat wil je ook in een verder vrij kale, gotische kerk van 135 meter lengte en 33 meter hoogte.

Overigens heeft Rouen nog wel meer verrassingen in petto.

Wie denkt dat vakwerkhuizen een typisch verschijnsel zijn voor noordoost-Frankrijk, de Vogezen, de Elzas, komt in Rouen bedrogen uit: het wemelt er van de huizen in deze specifieke bouwtrant, sommige van wat recenter datum, andere zichtbaar ouder, soms zelfs met scheef gebouwde constructies. Wat precies daarbij de rol is geweest van de geallieerde bombardementen in 1944, kan ik niet helemaal overzien – wel weet ik dat er toen in la semaine rouge heel wat is vernield.

Naast als die vakwerkhuizen is niet alleen het aantal kerken in het centrum van een middelgrote stad (Rouen telt al met al niet veel meer dan 110.000 inwoners, vergelijkbaar met Dordrecht en Leeuwarden), maar vooral dat het allemaal gotische kerken zijn, wellicht op romaanse grondvesten herbouwd, maar toch. Barok heb ik er niet gezien.

En Rouen timmert aan de culturele weg, op de vleugelen van Jeanne d’Arc 1431. Elke avond vindt er een beeld- en geluidspektakel plaats waarbij op de voorgevel van de kathedraal een schitterende animatie wordt geprojecteerd. Ik verwijs hiervoor ook maar weer naar YouTube. Ik weet het, de Burj Khalifa in Dubai heeft ook zoiets, maar daar zou je het ook eerder verwachten dan in een provinciestadje als Rouen.

 

Misschien nog wel indrukwekkender is het Panorama XXL, waarvoor een apart gebouw aan de kade van de Seine is neergezet. Met behulp van 200.000 foto’s, vanaf een van de kathedraaltorens gemaakt, is een 3D-collage geprint op linnen doek van 35 meter hoog, dat in een 360° cilindervorm is gebogen en zicht geeft op het Rouen van 1431. Ik zal me in de gebruikte techniek van deze compositie nog verder moeten verdiepen om de speciale effecten van perspectief, lichtinval en schaduwwerking beter te kunnen duiden.

En wat me op een gegeven moment ook nog ging opvallen: iedereen in Rouen oogt zo rustig en tevreden. Zittend op een terrasje zag ik honderden mensen voorbij lopen, alleen of in paartjes, zonder enige stress of haast, luchtig converserend, opgewekt. Niet de beklemmende gehaastheid van Parijs, niks geen lompigheid of onverschilligheid. Er straalt een vriendelijkheid van af die zich ook openbaart in de bediening in de horeca-gelegenheden in deze stad die voor de rest best wel vies is, kwestie van gebrek aan asbakken en overdaad aan honden(poep),vol ook met opbrekingen, maar nog steeds rijp voor een enorme inhaalslag aan restauraties en facelift.

En als we het dan over gastronomie hebben: een absolute aanrader zijn restaurant La Walsheim (een vakwerkpand op nog geen 200 meter van de kathedraal) en Brasserie Paul, aan de zijkant van het kathedraalplein, waar je nog tot 23 uur kunt bestellen. Dat is een zeldzaamheid in Frankrijk.


En als we het dan toch over Brasserie Paul hebben: merk in Rouen, met zijn Britse verleden, ook op hoeveel borden en beletteringen zijn gesteld ofwel in varianten op het art-nouveauachtige Broadway lettertype, ofwel in Keltisch aandoende lettertypen – alsof Rouen nooit meer afkomt van zijn Noormannenverleden.


Ik was ruim 32 uur in Rouen, zonder er uitgekeken te raken, maar van 32 voet raakte ik van mijn stuk.