Lopen

Een bijkomend voordeel van de Olympische Spelen is dat je al kijkend en luisterend weer heel wat taaleigenaardigheden tegenkomt, fouten, versprekingen, maar ook interessante wendingen. Goud gaat met afstand naar de heel/hele-fout, zowel qua onzorgvuldigheid als qua aantal voorkomens. Zie ook mijn Goede Voornemens. De zilveren plak is voor de dat/wat-fout, die bij mijn Goede Voornemens met stip bovenaan stond, maar het in aantal nu aflegt tegen de hele domme heel/hele-fout. Brons gaat ex æquo naar de tenenkrommende Gooise R, vooral bij dames en bij filemelders van de ANWB-alarmcentrale, waarvoor mijns inziens geen enkel zinnig argument te bedenken valt, maar die ik meer beschouw als een modieuze hype, en ontegenzeggelijk ook naar de trieste omdat/doordat-fout, waarvan ik in mijn Goede Voornemens heb uitgelegd dat het een betreurenswaardige vervlakking van denken en argumenteren betreft waarbij reden en oorzaak op één hoop worden gegooid. De fouten komen van sporters zelf, maar helaas ook van diverse journalisten, die toch uit hoofde van hun opleiding en beroep beter zouden moeten weten. Er zijn gunstige uitzonderingen: NOS-lieden als Henry Schut, Tom Egbers, Herman van der Zandt en Ardy Stemerding zijn nauwelijks op taalfouten te betrappen.

Naast de veel-te-vele fouten valt er ook zo af en toe iets taalkundig interessants te beluisteren. Zo hoorde ik een sporter beweren “kans te lopen voor een medaille”. Een voorzetselfout, inderdaad, want het is een contaminatie van “in aanmerking komen voor” en “kans maken op”, en bij merkwaardige voorzetselfouten komen bij mij alle zwaailichten in actie. Maar het gaat me hier nu even over het gebruik van het werkwoord lopen.
We kennen lopen met als standaardbetekenis: “zich in normalen tred te voet voortbewegen”, een actitief en intransitief werkwoord, dat dus met hebben wordt vervoegd (“Ik heb door het park gelopen”) en als mutatief, intransitief werkwoord, dat dus met zijn wordt vervoegd (“Ik ben door het park gelopen”). Dat op zich is al boeiend. Meer daarover bij Van den Toorn, Nederlandse Grammatica, blz. 29 en 182-183.

Daar staat ook vermeld dat sommige werkwoorden een soort passieve lezing kennen, waarbij het lijdend voorwerp tot onderwerp wordt: “Dat boek leest vlot”; “Die stoel zit lekker”; “Dat product verkoopt goed”. Met lopen kan dat ook: van een goed geconstrueerde trap kun je zeggen: “Die trap loopt lekker”, en daarmee valt ook voor een deel de merkwaardige zin te verklaren: “We zitten op de A2, die loopt van Amsterdam naar Maastricht”. Dat zitten komt vermoedelijk op rekening van het feit dat je normaliter in een auto zit op een snelweg; zou je er overheen lopen, dan kun je niet meer volhouden dat je erop zit. Maar dat een weg loopt, valt alleen maar te verklaren door de aanname dat lopen inderdaad beschikt over bovengenoemde passieve lezing.
Daarvoor bestaat ondersteunend bewijs: een loper kan zowel duiden op iemand die loopt, maar evenzeer op iets waarover je loopt (de befaamde rode loper), en in die optiek kan een (snel-)weg worden beschouwd als een langgerekte strook waarover men kan lopen. Het lijkt in de verte een beetje op mijn verhaal over CONTENU en CONTENANT.

Terug naar de hoopvolle sporter die kans dacht te lopen voor een medaille. Dat kan dus niet. Je hebt of maakt kans op een medaille, maar lopen doet dat niet. Hoe komt dat?
Ik vermoed dat lopen, in zijn figuurlijke betekenis, dus niet: “zich te voet voortbewegen”, heel vaak een negatieve connotatie heeft, iets wat de sporter allerminst zal hebben willen bedoelen. Je loopt wel kans op een besmetting of een nederlaag, maar niet op een medaille. Ook te hoop lopen en in de val lopen en (te) hard van stapel lopen hebben geen positieve bijsmaak. Iets soortgelijks zien we bij samengestelde werkwoorden met lopen, maar niet altijd:

  • negatief: een wiellager dat aanloopt; achter de feiten aanlopen
  • niet negatief: het paard kwam aanlopen
  • negatief: een besmetting of andere ziekte oplopen
  • niet negatief: een berg oplopen
  • negatief: op een mislukking/faillissement uitlopen
  • niet negatief: op het peloton uitlopen 

Maar wacht even: in alle negatieve voorbeelden hierboven is lopen figuurlijk gebruikt, terwijl het in de niet-negatieve voorbeelden het letterlijke zich voortbewegen aanduidt. Het verschil lijkt dus daarin te kunnen worden gezocht.

Helemaal waterdicht is dit verhaal misschien nog niet; laat het in ieder geval een poging zijn te verklaren waarom sporter X zijn medaille misliep (sic!).

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>