NON à Hollande

Dit is geen slogan voor de naderende presidentiële verkiezingen in Frankrijk, al zal die titel velen charmeren. Nee, het is mijn kruistocht tegen het gebruik van “Hollande” voor “Nederland” of “Pays-Bas“. Op tribunes (“Hup Holland Hup”; “Holland spreekt een woordje mee”), op vrachtwagens (“MAASTRICHT – HOLLAND”, of, zoals hiernaast: “SOEST – HOLLAND”, of, zoals hieronder, gespot tussen Parijs en Rouen: “ROOSENDAAL – HOLLAND”) en alom in Frankrijk (“Vous êtes hollandais?”).

Mijn antwoord op die laatste vraag is steevast: nee. En dan heb ik wat uit te leggen, maar dat doe ik dan volgaarne met een mengeling van plezier en grimmigheid.

 


Voor de duidelijkheid: ik ben geboren in Oss (Noord-Brabant), heb lang gewoond in Amsterdam (Noord-Holland), later in Venray (Limburg), Eindhoven en Boxmeer (beide Noord-Brabant) en sinds 2007 in Rosoy-sur-Amance (Haute-Marne). Als ik iets ben, ben ik Brabander, en paspoortmatig Nederlander. Vraagt iemand hier mij of ik een Hollander ben, dan vraag ik quasi verbaasd of de vraagsteller het fijn zou vinden om als Bask te worden betiteld. Immers, in deze streek strekt de evidente xenofobie zich uit tot binnen de landsgrenzen: alles wat uit Parijs komt (goud) of Marseille (zilver) of Baskenland (brons) is per definitie onbetrouwbaar en abject. Dus ik heb dan al iets minder uit te leggen.

Staan we dan nog steeds op goede voet en komt de vraagsteller hier over de vloer, dan laat ik volgaarne het volgende filmpje zien:

https://www.youtube.com/watch?v=eE_IUPInEuc

Waarna iedereen lacht, ik niets meer hoef uit te leggen en nooit meer een Hollander zal heten.

 

Lopen

Een bijkomend voordeel van de Olympische Spelen is dat je al kijkend en luisterend weer heel wat taaleigenaardigheden tegenkomt, fouten, versprekingen, maar ook interessante wendingen. Goud gaat met afstand naar de heel/hele-fout, zowel qua onzorgvuldigheid als qua aantal voorkomens. Zie ook mijn Goede Voornemens. De zilveren plak is voor de dat/wat-fout, die bij mijn Goede Voornemens met stip bovenaan stond, maar het in aantal nu aflegt tegen de hele domme heel/hele-fout. Brons gaat ex æquo naar de tenenkrommende Gooise R, vooral bij dames en bij filemelders van de ANWB-alarmcentrale, waarvoor mijns inziens geen enkel zinnig argument te bedenken valt, maar die ik meer beschouw als een modieuze hype, en ontegenzeggelijk ook naar de trieste omdat/doordat-fout, waarvan ik in mijn Goede Voornemens heb uitgelegd dat het een betreurenswaardige vervlakking van denken en argumenteren betreft waarbij reden en oorzaak op één hoop worden gegooid. De fouten komen van sporters zelf, maar helaas ook van diverse journalisten, die toch uit hoofde van hun opleiding en beroep beter zouden moeten weten. Er zijn gunstige uitzonderingen: NOS-lieden als Henry Schut, Tom Egbers, Herman van der Zandt en Ardy Stemerding zijn nauwelijks op taalfouten te betrappen.

Naast de veel-te-vele fouten valt er ook zo af en toe iets taalkundig interessants te beluisteren. Zo hoorde ik een sporter beweren “kans te lopen voor een medaille”. Een voorzetselfout, inderdaad, want het is een contaminatie van “in aanmerking komen voor” en “kans maken op”, en bij merkwaardige voorzetselfouten komen bij mij alle zwaailichten in actie. Maar het gaat me hier nu even over het gebruik van het werkwoord lopen.
We kennen lopen met als standaardbetekenis: “zich in normalen tred te voet voortbewegen”, een actitief en intransitief werkwoord, dat dus met hebben wordt vervoegd (“Ik heb door het park gelopen”) en als mutatief, intransitief werkwoord, dat dus met zijn wordt vervoegd (“Ik ben door het park gelopen”). Dat op zich is al boeiend. Meer daarover bij Van den Toorn, Nederlandse Grammatica, blz. 29 en 182-183.

Daar staat ook vermeld dat sommige werkwoorden een soort passieve lezing kennen, waarbij het lijdend voorwerp tot onderwerp wordt: “Dat boek leest vlot”; “Die stoel zit lekker”; “Dat product verkoopt goed”. Met lopen kan dat ook: van een goed geconstrueerde trap kun je zeggen: “Die trap loopt lekker”, en daarmee valt ook voor een deel de merkwaardige zin te verklaren: “We zitten op de A2, die loopt van Amsterdam naar Maastricht”. Dat zitten komt vermoedelijk op rekening van het feit dat je normaliter in een auto zit op een snelweg; zou je er overheen lopen, dan kun je niet meer volhouden dat je erop zit. Maar dat een weg loopt, valt alleen maar te verklaren door de aanname dat lopen inderdaad beschikt over bovengenoemde passieve lezing.
Daarvoor bestaat ondersteunend bewijs: een loper kan zowel duiden op iemand die loopt, maar evenzeer op iets waarover je loopt (de befaamde rode loper), en in die optiek kan een (snel-)weg worden beschouwd als een langgerekte strook waarover men kan lopen. Het lijkt in de verte een beetje op mijn verhaal over CONTENU en CONTENANT.

Terug naar de hoopvolle sporter die kans dacht te lopen voor een medaille. Dat kan dus niet. Je hebt of maakt kans op een medaille, maar lopen doet dat niet. Hoe komt dat?
Ik vermoed dat lopen, in zijn figuurlijke betekenis, dus niet: “zich te voet voortbewegen”, heel vaak een negatieve connotatie heeft, iets wat de sporter allerminst zal hebben willen bedoelen. Je loopt wel kans op een besmetting of een nederlaag, maar niet op een medaille. Ook te hoop lopen en in de val lopen en (te) hard van stapel lopen hebben geen positieve bijsmaak. Iets soortgelijks zien we bij samengestelde werkwoorden met lopen, maar niet altijd:

  • negatief: een wiellager dat aanloopt; achter de feiten aanlopen
  • niet negatief: het paard kwam aanlopen
  • negatief: een besmetting of andere ziekte oplopen
  • niet negatief: een berg oplopen
  • negatief: op een mislukking/faillissement uitlopen
  • niet negatief: op het peloton uitlopen 

Maar wacht even: in alle negatieve voorbeelden hierboven is lopen figuurlijk gebruikt, terwijl het in de niet-negatieve voorbeelden het letterlijke zich voortbewegen aanduidt. Het verschil lijkt dus daarin te kunnen worden gezocht.

Helemaal waterdicht is dit verhaal misschien nog niet; laat het in ieder geval een poging zijn te verklaren waarom sporter X zijn medaille misliep (sic!).

 

 

50 jaar later

Als je, zoals ik vorige week, na 50 jaar het ouderlijk huis betreedt waar je van 1956 tot 1966 je pubertijd hebt doorgemaakt, gaat er heel wat door je heen aan gevoelens, weemoed, zoete en zure herinneringen, details en het grote geheel van de Lomanstraat anno toen en nu. De foto hiernaast, genomen in april 1961, toont de witgekalkte 6 nog beter dan de door mij gemaakte foto uit 1962 die ik eerder hier publiceerde. En er is veel meer dat nog steeds hetzelfde is gebleven, naast al wat er is veranderd.

 

Ik heb het dan niet alleen over heel kleine dingetjes, zoals het gaatje in het kozijn op mijn slaapkamer, waar je een pin doorheen kunt steken om het schuifraam een stukje open te laten staan, met mijn toen dagelijkse uitzicht op de Okeghemstraat en het balkon van huize Terlingen. Niet alleen over de barst die ik ontwaarde in de marmeren plaat van de schouw op de grote slaapkamer aan de voorkant, die in mijn herinnering er toen ook al in zat. Niet alleen over de deurkruk van de wc beneden – nog precies dezelfde als toen, en zelfs het haakje dat je 180° kon kantelen van VRIJ naar BEZET – nog precies hetzelfde als toen.

Iets grotere dingetjes dan: de maatvoering die nu ineens heel anders blijkt dan hij toen leek: de kamers-ensuite beneden die nu opeens veel kleiner oogt dan de balzalen die ze mij toen voorkwamen. In de meeste benedenhuizen van de Lomanstraat zal het om die reden zijn dat men de schuifdeuren en inbouwkasten, waartussen wij op een klassenavond in 1962 nog De Menæchmi opvoerden, heeft uitgebroken om er één grote kamer van te maken.
Zo ook in Lomanstraat 6, maar niet in het nu te koop/huur staande pand waarvan ik gauw even een foto maakte. Ook de tuin, die ook toen al niet echt groot was, bleek nu een beklemmend klein plaatsje te zijn, op het noorden ook nog eens, zodat ik het eigenlijk direct kon koppelen aan de trieste en verstikkende ambiance van Richard, zelfde tijd, zelfde leeftijd ook, in “De elektriseermachine van Wimshurst” van W.F. Hermans. Mijn slaapkamer daarentegen kwam mij nu groter voor dan ik vanuit die jaren in mijn hoofd had. Wellicht doordat mijn opklapbed nogal fors aan de maat was, en ook het bureau ruim genoeg was bemeten voor al die schoolboeken, zodat er aan loopruimte destijds maar weinig overbleef. En ook viel mij ineens op hoe hoog de plafonds zijn, zeker op de eerste verdieping. Misschien heb je als kind voor dat soort dingen weinig oog. Het kan ook zijn dat je intussen totaal andere referenties in je hoofd hebt na zo vele jaren en zo vele verhuizingen.

Nog een slagje groter: de (zeven?) struikelstenen die in de Lomanstraat voor de voordeuren van enkele huizen zijn geplaatst ter nagedachtenis aan van daaruit gedeporteerde joodse bewoners. En natuurlijk het volgens mij bewust zo ontworpen meest markante aspect van de Lomanstraat: de platanenboog, nu nog voller en imposanter dan de staatsiefoto die Hans Aarsman er rond 1993 van maakte.

Een waardevol weerzien, al met al, met dank aan de huidige bewoners die met liefde en plezier “open huis” hielden. Zij snapten ook wel wat zoiets na 50 jaar allemaal kan betekenen.