Amsterdamsche Tentoonstelling Marsch

Wie er ƒ 0,40 voor over heeft: in 1895 verscheen de Amsterdamsche Tentoonstelling Marsch, gecomponeerd voor piano door ene C.S.
Ik heb die partituur al tientallen jaren liggen, en naar het schijnt is niemand ooit op het idee gekomen er iets over te schrijven.
Daarom geef ik maar even een aanzet, in de hoop dat deze merkwaardige compositie wat bredere aandacht zal krijgen.

 

 

Evident is dat C.S., achter welke initialen vermoedelijk Charles Stanley schuilgaat, het stuk heeft gecomponeerd ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1895 in Amsterdam. De frontpagina laat daarover geen misverstand bestaan.

Als je het stuk beluistert, merk je een historisch correct feit op: de mars bevat een passage die is ontleend aan Tollens’ hoogstandje “Wien Neêrlands bloed”, tot 1932 min of meer het nationale volkslied, maar even later ook een passage met een variatie op het Wilhelmus, dat vanaf 1932 het officiële volkslied werd (naar verluidt op aandringen van de SGP in de Tweede Kamer). We weten ook dat Wilhelmina, ook al was zij toen nog pas 15, een voorliefde voor het Wilhelmus had.

Dat had ook te maken met de heruitgave in 1871 van Valerius’ Gedenck-Clanck uit 1626 door theoloog A.D. Loman Sr. (jawel, die van de Lomanstraat), waarmee tal van liederen uit die bundel weer ‘herontdekt’ werden en aan populariteit gingen winnen.

Wat dat allemaal met Amsterdam heeft te maken, weet ik niet, tenzij Nederland bestaat uit Amsterdam en wat provincie eromheen.

Ik heb de partituur getranscribeerd en op YouTube geplaatst.

 

Wie o wie kan over dit curieuze stuk muziek wat meer informatie verschaffen?

 

 

FC Twente debacle

Na mijn valse liefdesverklaring aan Tukkerland kan ik niet nalaten even te reageren op het KNVB-besluit FC Twente volgend jaar in de nederige Jupiler league te laten optreden. De media, die elkaar zoals gebruikelijk klakkeloos nabauwen, spreken van “degraderen naar de eerste divisie” net zoals zij hardnekkig vol blijven houden dat “de muur viel”, wat evenmin correct is. Dat laatste had ik al omstandig uitgelegd; het eerste zal ik toelichten.

 

De KNVB heeft verrassend genoeg een nieuwe constructie bedacht: de proflicentie van Twente wordt ingetrokken (wegens voornamelijk financieel wanbeleid), maar om de club niet tot het amateurisme te verdoemen “schenkt” de bond een nieuwe licentie voor de 1e divisie, een bitterzuur goedmakertje. Dat de huidige 1e-divisieclubs daartegen te hoop lopen, lag nogal voor de hand: zij dreigen daarmee volgend jaar voor spek en bonen, d.w.z. voor de kruimeltjes, mee te draaien, omdat Twente toch wel kampioen zal worden.

Ik ben geen jurist. Maar het zal me niets verbazen als ter zake deskundigen in de loop van de vele beroeps- en andere juridische zittingen de twee componenten van het KNVB-besluit uit elkaar zullen spelen: (A) Is het correct en toelaatbaar dat FC Twente zijn proflicentie voor 2016-2017 kwijtraakt?  En als die vraag positief wordt beoordeeld: (B) Is het correct en toelaatbaar dat de KNVB vanuit het niets (d.w.z. er is geen reglement dat daarin voorziet) een 1e-divisielicentie schenkt aan FC Twente.

Het zou best wel eens kunnen wezen dat (A) voor de rechter stand houdt, dus dat de club zijn licentie verliest. Te lang hebben Munsterman c.s. er een zooi van gemaakt. Het lijkt op de megalomane trajecten die we al kennen van Scheringa, Wang, Abramovitch, waar, na aanvankelijke successen, de ongelimiteerde beloftes vele schulden maken. Nu het feestje voorbij is en het feestvarken gebakken peren eet, zal het proces over aansprakelijkheid nog wel volgen, maar de KNVB-reglementen zijn op dat punt duidelijk.

Daarnaast zou het best wel eens kunnen wezen dat (B) voor de rechter geen stand houdt, dus dat de club geen 1e-divisielicentie verkrijgt. Argumenten daarvoor: het verzet van de huidige 1e-divisieclubs, de ongelukkige timing van het besluit, net tijdens de promotiedegradatiewedstrijden, en het feit dat KNVB-reglementen niet in een dergelijke optie voorzien, waardoor het lijkt alsof de KNVB tijdens de wedstrijd de spelregels verandert, iets wat op zijn zachtst gezegd niet chique is.

Dus zou het er wel eens aan het einde van de juridische rit op kunnen uitdraaien dat de FC Twente volgend jaar als amateurclub voor lege tribunes moet gaan spelen met een onbezoldigde selectie. Kunnen de Tukkers weer terugfuseren met Sportclub Enschede, waarvan zij zich in 1965 afscheidden, en krijgen we die zwarte shirts met grote witte V-hals weer terug in beeld. Us Abe is er ook onsterfelijk mee geworden.

Vide-grenier 2016

Kenmerkend voor het Franse plattelandsleven is dat er in honderd jaar niet veel verandert. Zo ook met de jaarlijkse vide-greniers in Rosoy en omliggende dorpen. Ook in 2016 weer rond half mei. Opzet en uitvoering als in 2013 en 2014 met als enige verschil dat het ditmaal droog was, maar wel koud. Wat minder exposanten, maar weer wel een gemiddelde omzet. Een hoop gesleep en gedoe, maar oer-gezellig, als je van het oeverloze geklets houdt.

Zo rond half zeven beginnen de eersten hun tafels op te tuigen en in te richten. Bij een enkele stand met één hand, in de andere hand een half lege fles bier; zij zijn al merk- en vooral hoorbaar dronken. Al, of nog steeds, want misschien hebben ze de nacht ervoor wel doorgehaald.
Vrijwlligers hebben daags ervoor al de cateringfaciliteiten klaargezet: de tent met tafels en zitbanken voor het eten van 12 tot 2 en het natafelen van 2 tot 12, de bar, buffet/buvette met biertap en dubele friteuse, waarvan de olie maar niet op temperatuur wil komen,
de houtgestookte barbecue waarop de worsten en speklapjes pauselijk witte rookpluimen veroorzaken, het mobiele toilet, waarvan bijna niemand gebruik maakt – bij voorkeur piest men in de open lucht ergens tegen boom of heg. Vrijwilligers breken alles daags erna weer keurig en in opperbeste stemming af.

 

De Dauphine staat er niet alleen als trekpleister: om alle troep van zolder naar beneden te krijgen, moet ze er immers even uit, en mocht het regenen, dan installeren we onze handel binnen in de garage. Maar net als ieder jaar was het ook nu weer raak: talloze mensen komen haar van dichtbij bekijken, vertellen omstandig dat ze er vroeger ook eentje hadden gehad, of hun ouders.
De inmiddels traditionele conversatie:

- Is ze te koop.
- Jawel.
- Werkelijk?
- Ja, maar na mijn dood.
- Wanneer zal dat zijn?
- Dat heeft u zelf in de hand.

Hilariteit alom.

Wat ook al van alle tijden is: bij dit soort evenementen, met 14 juillet is het niet anders, merk je hoe vastgeroest en bekrompen het sociale dorpsleven is. Niet doordat ongeveer de helft van de passanten Nederlanders blijken te zijn, die onderling meest oppervlakkige wetenswaardigheden met elkaar uitwisselen (merkwaardig genoeg waren er dit jaar weinig Belgen of Engelsen te bespeuren), maar wel door de vaste groepjes van buren, of van vrienden, die elkaar opzoeken en maar niet uitgepraat raken, terwijl daarentegen opvalt dat sommige lieden uit het dorp steevast hun gezicht niet laten zien. Ze horen tot de sociale outcast, of zijn lid van de verkeerde jagersclan, terwijl leden van de rivaliserende clan nu juist de hele organisatie van de dag verzorgen, of zij die om wat voor reden dan ook ervoor kiezen hun gezicht niet te laten zien, inclusief enkele burgemeesters en ex-burgemeesters.
Zij zijn de prominent afwezigen.

 

 

Ma connection dauphinoise

Bij wijze van hoge uitzondering een kort artikeltje in het Frans, dat ik gisteren heb vestuurd naar alle leden van mijn lokale oldtimerclub Les Pistons du Bassigny, die intussen mijn Dauphine wel van binnen en van buiten kennen. Maar van de link tussen mij, mijn Dauphine en Amsterdam hadden ze nog helemaal geen weet.

Le samedi dernier, le 7 mai,  j’étais à Amsterdam à l’occasion d’une réunion de ma classe de 1960. En sortant de la gare Amsterdam-Amstel, avant de me diriger vers la salle de la réunion, je traversais le rond-point pour prendre un café chez Café-Restaurant Dauphine, juste en face de la gare. Voir aussi leur site web.
Avec la femme chef d’exploitation on causait du beau temps et de ma Dauphine, je lui montrais la photo récente de la voiture parmi le colza de Rosoy-sur-Amance, de laquelle elle était énormément charmée.

En revanche elle me donnais quelques cartes postales de la Dauphine, matériel publicitaire de l’établissement. 

     

Puis je racontais à Sarah, le chef de garde ce samedi, une histoire particulière, “d’une époque avant ta naissance” :

Entre 1960 et 2000 le bâtiment était le siège principal de Renault-Pays-Bas, le plus grand et moderne de Renault hors de la France, établi suite à la réussite éclatante de la Dauphine au Pays-Bas. Il y avait un salon d’exposition, un atelier, un grand dépôt et des bureaux. Toutes les voitures neuves étaient exposées en plein air au-dessus du toit.

En 1966, après mon bac du lycée classique à Amsterdam, et avant l’incorporation militaire (conscription obligatoire en ce temps-là), j’avais un demi an de “vacances”, c’est-à-dire je cherchais un travail de vacances, que je trouvais chez Renault-Pays-Bas, exactement dans ce bâtiment. Jour après jour je m’épuisais à porter des portes, des capots, des moteurs et toutes autres pièces de la Dauphine, ainsi que de la 4CV, de la R8 et de la R10. C’était une affaire lucrative, à la fois sur le plan financier et sur le plan de mieux connaître et de discerner toutes les pièces Renault.

Leur Dauphine, exposée devant la porte d’entrée, a besoin d’une bonne restauration. La plupart des emblèmes et plaquettes sont chipées (on est à Amsterdam quoi), formation de rouille tout autour.
Et parce qu’elle est visible depuis la voie publique, elle est soumise au contrôle technique tous les 2 ans, comme en France.

De toute façon, je ne sais pas si elle est roulante, mais elle attire l’attention quand même, bien sûr.

Somme toute, quelle joie de retrouver mon espace Dauphine à Amsterdam à présent!