KLu

Aan mijn carrière als dienstplichtige heb ik gemengde gevoelens overgehouden. Het betrof de verplichte diensttijd (1966-1968) alsmede vijf volstrekt zinloze herhalingsoefeningen in 1969, 1971, 1972, 1973 en 1974, waarna mij met de hulp van enkele Tweede-Kamerleden verdere ellende bespaard bleef.
Ik was ingedeeld bij de verkeersleiding van onze Koninklijke Luchtmacht. Dat op zich was heel positief, maar er valt wel meer te melden.

 

Bij opkomst werd ik een nummer: 461011309, HOLLAND RK BLGR.A.RHO/0/POS. Dat staat ook gestanst in het metalen plaatje waarvan de ene helft op mijn lijk moest worden bevestigd en waarvan de andere helft naar mijn nabestaanden moest worden gezonden.

 

Op grond van het feit dat ik aantoonbaar tot de intelligentsia behoorde, kwam ik terecht bij de opleiding tot officier verkeersleider, die de eerste maanden plaatsvond op vliegbasis Gilze-Rijen. Ik vond het prima, want ik was dol op alles wat met luchtvaart had te maken. Bovendien kreeg ik de indruk dat er bij de Luchtmacht meer werd gedacht aan een bedrijf dat vliegtuigen veilig in de lucht en weer aan de grond moest zien te krijgen, dan dat het een gemoderniseerde variant was van de voorbereiding op veldslagen zoals die laatstelijk in 1944 waren gevoerd in de Ardennen en rond Overloon.
Het was dus ook niet waarschijnlijk dat dit met Israëlische Uzi’s bewapende klasje (bovenste foto) paraat was om de oprukkende Russen de definitieve nederlaag toe te brengen, maar wel dat de keurige heren in opleiding (onderste foto) enige bijdrage aan de vliegverkeersveiligheid zouden kunnen gaan leveren.

Ook positief was de vrij gedegen cursus Engels, want in de militaire en burgerluchtverkeersleiding is Engels de voertaal, ook al denken Fransen, Italianen en Turken, ook in NAVO-verband, daar vaak anders over. Van iets mindere diepgang was de EHBO-cursus, beter dan de beruchte en volstrekt infantiele BB-folder uit 1961 (“Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf”) die geheel vanuit het koudeoorlogsdenken was geschreven, maar minder degelijk dan de EHBO-cursus die ik later als docent nog eens heb gevolgd.
De hoofdmoot was het vouwblad I K 2-22, nr. G3/66 7501/T II-71147-705764F dd.18 juli 1966.

Ik bleef daar op Gilze-Rijen tot rond de grote vakantie van 1967. Het was een leer- en oefentijd met nauwelijks enige praktijkonderdelen. Het verkeersleiden leerden we met behulp van een simulator; Engels, EHBO, meteorologie en de verkeersleidingsterminologie ging allemaal uit boekjes met aansluitend wat praktijkoefeningen. Er werd op Gilze-Rijen ook niet zo erg veel gevlogen, en toen er in mei/juni 1967, vooral ’s nachts, opeens opvallend veel zware transportvliegtuigen van de basis opstegen, kregen we pas veel later in de gaten dat dat bevoorradingsvluchten waren voor Israël, dat aan de zesdaagse oorlog ging beginnen. Veel discussie daarover vond er niet plaats.

Eenmaal gevormd en inmiddels bevorderd tot dpl.sgt. werd ik tewerkgesteld op de vliegbasis Eindhoven. Dat was voor mij de best denkbare keus, mede omdat ik in Eindhoven ook familie had wonen, Brabant zowat mijn favoriete provincie was en er een goede treinverbinding met Amsterdam bestond. Maar meer nog dan dat beviel het werk me wel op de verkeerstoren van Eindhoven. Er waren drie squadrons gestationeerd (314, 315 en 316), waardoor het al tamelijk druk was, maar het vliegverkeer werd nog intensiever doordat Eindhoven ook fungeerde als burgerluchthaven, zoals nu nog steeds.
De NLM (binnenlands stiefkindje van de KLM) vloog tussen Maastricht, Eindhoven, Rotterdam, Amsterdam, Enschede en Groningen op en neer met F-27 Friendships, de SABENA (dolle pret op de verkeerstoren als die zich tweemaal per week vanuit Brussel tussen al die straaljagers mengde met de DC-3 Dakota OO-BIA; bij forse tegenwind leek het vliegtuig boven de kop van de landingsbaan zowat stil in de lucht te blijven hangen), maar vooral de Philips Vliegdienst die in die jaren over acht vliegtuigen beschikte waarmee zeer frequent zakenvluchten werden gemaakt. Al met al was Eindhoven in die tijd na Schiphol de drukste burgerluchthaven van Nederland.

Het vliegbasispersoneel was gevarieerd van samenstelling. Het liep van rechts tot uiterst rechts. Op een gegeven moment hield ik het niet meer en begon ik stelselmatig te reageren op ziekmakende anti-communistische koudeoorlogartikelen in het periodieke personeelsblad van de basis. Wonder boven wonder werden die ook steeds geplaatst en ontstond er ook enige discussie over. Dat mijn stellingname mede van invloed is geweest op de uiteindelijke beoordeling van mijn functioneren, valt niet te bewijzen. Wel weet ik, inmiddels bevorderd tot vaandrig, het voorportaal van het officiersgilde, dat ik aan mijn kapitein-mentor een keer liet ontvallen dat ik de officierseed niet zonder meer zou afleggen, omdat ik als overtuigd republikein het “Ik zweer trouw aan de koningin…” niet uit mijn strot kon krijgen.

Niet lang daarna werd ik ongeschikt verklaard voor mijn functie, werd ik gedegradeerd tot sergeant en gedeporteerd naar de vliegbasis Twenthe. Dat laatste was nog het ergste.

Ik loog net een beetje door te stellen dat iedereen op de vliegbasis Eindoven rechts tot uiterst rechts was. Ik verbleef als vaandrig in het officiersgebouw met een eigen mess en slaapvertrekken. Daar deelde ik een kamer met een collega, niet van de verkeersleiding overigens, met wie ik het wonderwel kon vinden. Hij was een fervent aanhanger van de toen net opgerichte Tien over rood-beweging binnen de PvdA en als het niet aan de tap was, dan was het wel nachten lang in bed om samen te mijmeren over de beste manier om Nederland te redden van de wisse ondergang. Nederland was sinds kort opgezadeld met het kabinet-De Jong (KVP, VVD, ARP, CHU) met Luns op Buitenlandse Zaken, dus er was voor ons wel werk aan de winkel. We hebben in de maanden dat we samen waren zo ongeveer een heel regeringsprogramma geschreven en waren ook al een eind met het invullen van de ministersposten, net zoiets als wat Jaap de Hoop Scheffer en Pieter Haverman jaren daarvoor schijnen gedaan te hebben in de Gym-IB-tijd, al betrof het toen Kuweit. Ik geloof dat ik Onderwijs kreeg. Of Verkeer. Daar wil ik even af wezen.

Uit het oogpunt van vliegverkeersveiligheid draaiden verkeersleiders wisseldiensten van in principe 4 uur op en 4 uur af. Dus ’s ochtends op de toren, ’s middags vrij en dan eventueel ’s avonds nog de Philips vliegtuigen die terugkwamen van de zakendiners weer aan de grond zien te praten. Dan wel: ’s ochtends en ’s avonds vrij, en ’s middags op. Al de zo ontstane vrije tijd was simpel te doden. Was het niet aan de tap of aan het biljart, dan wel in de sportzaal.
Daar kreeg ik te maken met de politiek ongelabelde Willy van de Kuylen, die dienstplichtig bij de meteo diende, één verdieping lager in de verkeerstoren. Veel van geleerd. Bijvoorbeeld dat ik nooit een goed voetballer zou worden, en dat je soms moet rennen voor je leven. Als hij in de zaal naast het doel schoot, ketste de bal van de ene korte wand helemaal tegen de andere en had dan nog steeds vaart. Doodeng. Hij heeft het beslist verder geschopt dan dat lullige plastic Van Houtenspeldje dat nu nog her en der voor een paar euro van eigenaar wisselt. Ander vertier was te halen in het PMT, het Protestant Militair Tehuis, dat zowaar bestond in dat katholieke zuiden, naast het wat saaiere KMT voor de katholieken. Het is daar waar ik voor het eerst een Pasolinifilm heb gezien – het begin van een van mijn grootste hobby’s. Het betrof, hoe kan het anders, Il Vangelo secondo Matteo, het Mattheusevangelie met Enrique Irazoqui als Christus, die ik vele jaren later nog eens ontmoette in het Vondelpark bij de presentatie van de opgefriste reeks Pasolinifilms. Een, in levenden lijve, uiterst minzaam, sympathiek en weldenkend persoon – je zou er bijna katholiek van worden.

Over het kenmerkende Twentse landschap (foto Twentse Erven, 2014) wil ik nog wel positief zijn. Het is ook de inspiratiebron geweest van Theun de Vries voor zijn door mij bewierookte roman Het zondagsbed, maar voor de rest heb ik daar alleen maar ellende ervaren. Ik mocht de mensen niet, hun taaltje en mentaliteit al evenmin, en ik werd er gezien als een overbodige, hun opgedrongen zuiderling die alleen maar in de weg liep. Het deed mij dan ook zeer deugd, dat ik bij de gratie Gods (of die van onze Vorstin, of die van defensieminister Den Toom) toestemming kreeg niet de volledige 24 maanden diensttijd te hoeven uitzitten, maar dat ik al na 21 maanden naar huis mocht, om op tijd met mijn studie Nederlands aan de UvA te kunnen beginnen. Dezelfde week dat ik afzwaaide, meldde ik mij in Amsterdam aan als lid van de PSP.

Daarmee was het leed echter niet nog geschied. In 1969, 1971, 1972, 1973 en 1974 werd ik opgeroepen voor telkens 19 dagen herhalingsoefeningen, zogenaamd om mijn operationele inzetbaarheid op peil te houden, en dat dan steeds in dat vermaledijde Twente. Uit nijd had ik op het dak van mijn Fiatje 600 een vijfpuntige rode ster geschilderd. Dan verscheen ik toch mooi in rood-wit-blauw, bruuskeerde ik al die reactionaire militairen en kon ik erop hopen dat de Russen bij hun aanstaande bombardement althans mijn auto buiten schot zouden houden.
Maar verder was het huilen met de pet op. Op de toren was ik niet welkom – liep er te veel in de weg en verantwoordelijkheid kreeg ik toch niet, want ik miste de vereiste praktijkervaring. Daarom werd ik dagelijks met een luchtmachtbusje abgeschleppt naar een bunker in Bentelo, waar zich de radarpost van de vliegbasis bevond. Bij mooi weer vlogen de piloten op zicht, begeleid vanuit de verkeerstoren; dan had je in die bunker al helemaal niks te doen, maar hij moest wel steeds bemand zijn voor als de Russen kwamen. Bij minder mooi weer moest dat via radarinstructies. Daarmee had ik geen ervaring, en de Tukkers hebben er alles aan gedaan om mij dat ook niet bij te brengen; ik moest dus van die apparatuur, en zeker van de microfoon afblijven. Mijn rol bestond in hoofdzaak uit koffie halen, besmuikt lachen om de vele, iets te vaak herhaalde schuine moppen, en luisteren naar alle escapades die het lokale personeel in het afgelopen weekend bij elkaar had geneukt. De enige lotgenoot met wie ik nog een soort van vriendschap wist te ontwikkelen was een jongen uit Tilburg. Ook hij verveelde zich stierlijk en hij sprak plat Tilburgs. Maar vergeleken bij al dat Tukkers om me heen klonk het me als muziek in de oren.

Ik ben zoals ik ben. Ten einde raad en der dagen zat richtte ik mij tot een aantal min of meer fatsoenlijke partijen in de Tweede Kamer, te weten PSP, CPN, PPR, D’66 en PvdA, teneinde deze poppenkast te kunnen afschaffen. Alle vijf reageerden positief. Klaas de Vries, ingeschakeld door Ed van Thijn, sprak er Den Toom over aan en niet veel later was het de Commodore Gerritsen die het konijn van de kool en de geit uit de hoed toverde: ik hoefde na dit jaar niet meer op herhaling. Geniet hieronder van diens passage die getuigt van diep menselijk begrip, welwillendheid en goed gefundeerde complimenten voor mijn voortreffelijke attitude:

Had Marcel Bullinga gelijk met zijn boek Het leger maakt een man van je? (Amsterdam : SUA 1984)
Ik denk het wel, maar de door hem beschreven schandalen zijn in hoofdzaak kwesties binnen de afgestompte gelederen van de Landmacht. Voeg daarbij dat alles wat bij de Marine gebeurt traditioneel aan boord van het schip dient te blijven. Bij de Luchtmacht stond de bedrijfsvoering voorop. Er werd heus wel meer dan eens een schuine mop gelanceerd, en  na zoveel x10 pilsjes klonk het wel eens, ik citeer:

Aan de oever van de vliet (van de vliet, van de vliet)
zat kleine Piet (kleine Piet, kleine Piet)
met zijn piemeltje te spelen,
maar Marietje kwam maar niet. (Oh, oh, oh oh!)

Bij het vallen van de maan, (van de maan, van de maan)
kwam Marietje aan (kwam Marietje aan)
met haar broekje naar beneden
Piet zijn piemeltje ging staan. (Ho, ho, ho ho!)

Wat er verder is geschied (is geschied, is geschied)
vertel ik niet, (vrtel ik niet vrtel ik niet)
maar negen maanden later
was er weer een kleine Piet (Ja, ja, ja, ja!)

Een soort potjemetvetvariant die doorduurde tot men er genoeg van had en er niemand meer lachte.

Er lagen er wel eens twee in één bed die dat in het kader van hun dienstvervulling niet hoorden te doen; er werd wel eens gegluurd onder- of bovenlangs douche- of kleedhokjes, al haalde dat het niet bij wat er zich in het Amsterdamse AMVJ-zwembad allemaal afspeelde. De verveling en dagelijkse sleur werd bij tijd en wijle wel onder de gordel gecompenseerd. Maar wie ben ik om me daarover te beklagen.

 

One thought on “KLu

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>