Stalinlaan en Dauphine

Ik toog dus naar de Stalinlaan, waarover later meer.
Weinig romans zullen zo poëtisch beginnen.
Het was voor mijn eerste vakantiebaantje, waarover later meer. Tussen mijn eindexamen en het in werkelijken dienst opkomen lagen immers ongeveer zes maanden, zoals eerder al opgemerkt, en die wilde ik graag verzilveren. Ik heb er nog steeds plezier van.

Over de populistische blunder om de Stalinlaan in 1956 om te dopen tot Vrijheidslaan (maar wel Tsjechovs Iwanow diezelfde maand in de Stadsschouwburg opvoeren!) eerst maar even het volgende. In de euforie in 1945 rond de bevrijding achtte men het kies enkele voorname straten in Amsterdam te vernoemen naar geallieerde leiders. Het gemeentebestuur koos voor de Jalta-variant: Roosevelt, Churchill en Stalin beklonken daar op de conferentie in februari 1945 een deel van de verdere Europese en wereldgeschiedenis. Hoewel aan Frankrijk weliswaar werd toegezegd dat het ook een kwart van het Duitse grondgebied uit veiligheidsoverwegingen mocht gaan bezetten, was dat land op de conferentie afwezig. De Amsterdamse gemeenteraad kwam daardoor niet op het lumineuze idee ook een De Gaullelaan aan te wijzen.
Blunder nummer 1.

In november 1956 vielen Sovjettroepen Hongarije binnen, net zoals zij dat in 1968 in Tsjechoslowakije deden. Vanuit Sovjetperspectief een noodzakelijke ingreep, die bovendien binnen de geest en kaders van de Jalta-akkoorden viel; daar was immers de demarcatielijn in Europa getrokken tussen de door de USSR en de door de USA te koloniseren landen. Beide grootmachten conformeerden zich redelijk netjes daaraan, met een correctie binnen Oostenrijk als uitzondering, maar afspraak is afspraak: Hongarije en Tsjechoslowakije behoorden volgens de overeenkomst tot de Sovjetinvloedssfeer. Zie in dat licht dus ook maar de wat lauwe en slechts formele reactie van Amerikaanse zijde tegen beide invallen.

Maar de Amsterdamse bevolking trok partij en keerde zich in een anti-Sovjetstemming tegen het handhaven van de Stalinlaan. Blunder nummer 2. Immers, hoewel Chroesjtsjov al in februari 1956 afstand genomen van Stalin, bleef het historische feit overeind dat Stalin de Sovjetleider was die in de Tweede Wereldoorlog met de andere geallieerden Nazi-Duitsland hadden verslagen, en daaraan kon de destalinisatie niets veranderen.

De Amsterdamse volkswoede had tot gevolg dat, met instemming van alle partijen behalve de CPN, de op één na grootste partij in de gemeenteraad, de Stalinlaan werd omgedoopt tot Vrijheidslaan. De CPN hanteerde daarbij het correcte standpunt dat het historisch gezien niet deugde een der drie geallieerde leiders opeens weg te zuiveren omdat die bij nader inzien niet zo beviel.

Ik heb mijzelf nooit echt een communist gevoeld, maar mijn weerzin tegen communisme en de Sovjet-Unie in het bijzonder legde het al in mijn middelbareschooltijd volstrekt af tegen mijn weerzin tegen de anticommunismehetze in de westerse wereld, aangewakkerd door abjecte predikers als Luns, pater Werenfried van Straaten, het OSL en de NAVO. Uit een soort compensatiedrang heb ik daarom altijd corrigerende warme gevoelens gekoesterd jegens de Sovjet-Unie, die mij deels zijn bevestigd door positieve persoonlijke ervaringen met manschappen van het Sovjetleger in Tsjechoslowakije, anderzijds ook ernstig zijn bemoeilijkt door optredens van Sovjetzijde, en individuele Sovjetpatjakkers die ik meermaals in Praag heb ontmoet.

Zonder overigens enig onderling overleg met hem vond ik in 2009 een medestander in Jonas Staal (what’s in a name) die in een ludieke actie de Vrijheidslaan korte tijd wist terug te transformeren tot Stalinlaan.
Ik wil er bij dezen voor pleiten dat ook blijvend te doen, met als aanvullende eis dat er ook voor een
De Gaullelaan passende ruimte wordt gevonden.
Misschien in de plaats van de Jekerstraat. Geen hond die weet waar de Jeker stroomt en of je er lekker in kunt poedelen, en bovendien ligt die straat keurig tussen Churchill en Roosevelt, zodat we van De Gaulle verder weinig te duchten zullen hebben.

Ik had het dus over mijn vakantiebaantjes. De eerste arbeidsplek waar ik terecht kwam, was een of ander ondefinieerbaar bedrijfje aan de omgedoopte Stalinlaan, waar mallen werden vervaardigd waarin schalen, bakjes en weet ik wat voor vormen konden worden gegoten waarvan mij het precieze procedé en het nut volstrekt ontging. Maar ik ging als argeloze schoolverlater voor het geld en stelde dus geen lastige vragen. We werkten daar met een man of vijf. Al na een week of daaromtrent kwam opeens de eenmansbaas zenuwachtig op ons af, drukte ons een loonzakje in de hand, met daarin het afgesproken weekloon – dat dan nog wel, en maande ons zo snel mogelijk het pand te verlaten via de achterdeur, door de tuin, en niet meer terug te komen.
Bij de voordeur stond de arbeidsinspectie aan te bellen.

Deze eerste ervaring met het ware kapitalisme weerhield mij niet ervan vervolgens een week of wat door te brengen op het AMRO-kantoor achter De Bijenkorf op het Beursplein. Daar moest ik enige tienduizenden papieren stukken, obligaties of iets dergelijks, op nummer leggen en weer in archiefdozen stoppen, iets waar ik heel goed in ben. Het betaalde niet slecht, maar uitzicht op een carrière bood het niet en het was daarenboven nogal stompzinnig werk. Ik wist toen ook nog niet dat je door te ponsen sneller tot sortering kunt komen; streepjescodes bestonden toen nog niet. Of het contract snel afliep, of dat ik er zelf de brui aan gaf, kan ik me niet meer herinneren.

Meer naar mijn aard was de baan die ik tot vlak voor het in werkelijken dienst opkomen heb weten vol te houden en waarmee ik tot op de dag van vandaag nog enige connectie heb: het Renaultgebouw aan het Mr. Treubplein, tegenover het Amstelstation, waarin tegenwoordig café-restaurant Dauphine is gevestigd. Is dat even toeval?

Misschien omdat econoom en liberaal politicus Treub net zo’n boef was als Stalin, werd het Mr. Treubplein in 1939 door het Amsterdamse gemeentebestuur omgedoopt tot Prins Bernhardplein, die immers alles behalve een boef was. Alleen van 1942 tot 1945 moest het plein even Gooiplein heten om De Telegraaf en de bezetter niet voor het hoofd te stoten. Treub was overigens toch niet zo drastisch als Stalin in ongenade gevallen, want de westelijke toegangsweg tot het plein heet ook nu nog Mr. Treublaan.

Daar in dat Renaultgebouw werd ik tewerkgesteld in het magazijn. Voor mij een mekka. De hele dag deuren, motorkappen, complete motoren en allerlei andere onderdelen sjouwen ter opslag of uitlevering. Ik leerde er haarfijn de verschillende onderdelen van de R4, R8, de toen nieuwe R10 en, jawel, de Dauphine van elkaar te onderscheiden, iets waarvan ik nog steeds wel plezier heb om onderdelen voor mijn Dauphine en die van andere oude Renaulttypes uit elkaar te kunnen houden. Bovendien verdiende het werk meer dan behoorlijk goed en hoefden we ook nooit via de achterdeur de tuin in, naar de banketbakkersschool bijvoorbeeld, de lof der zoetheid, aan de Wibautstraat.

Van het vele verdiende geld kocht ik, opmerkelijk hevig geïndoctrineerd door Bernard Huijbers, een heuse Revox A77 studiotapedeck, dat toen net op de markt verscheen voor een slordige ƒ 2.000,=. Bernard had de voorloper, ik meen de Revox G36, een erop gelijkend apparaat maar dan nog met buizen uitgerust, terwijl de A77 met transistoren werkt.

Daarnaast kocht ik, ook op Bernards advies, de onovertroffen set van een Quad 33 voorversterker en Quad 303 eindversterker, samen voor een bedrag van ± ƒ 1.400,=.
Tot op heden zijn die Revox en Quad apparaten nog steeds prima werkend in mijn bezit. Voor de elektrostatische geluidsboxen, waar hij zo sterk op aandrong, had ik eventjes niet genoeg geld. Die heb ik na mij studietijd gekocht toen ik in Eindhoven woonde. Ook die doen het nu nog steeds naar behoren.

Zo bracht ik mijn vakantie door, leerde ik veel, verdiende nog meer, en omgaf ik mij met levenslang genot.

Nu alleen nog de Stalinlaan rehabiliteren. Dat alleen al zou voor mij reden zijn om bij de volgende gemeenteraadsverkiezing CPN te stemmen.
Alleen daarom; voor de rest bleef ik toch maar het liefst de PSP trouw.

 

One thought on “Stalinlaan en Dauphine

  1. Generaal Charles de Gaulle mocht niet eens op Jalta zijn aangezien hij geen bijdrage wilde leveren aan de bevrijding van Europa! Nou ja, een beetje Saarland dan. De Amerikanen bevrijdden Noord Frankrijk en generaals troepen zouden Parijs op 25 augustus 1944 hebben ingenomen. Zo wil de naoorlogse propaganda.

    Zijn enige doel was Frankrijk te bevrijden, niet van de Duitse bezetter naar U zou verwachten maar van de communistische heerschappij, ten leste tussen Angoulême en Limoges. En daarin heeft de generaal een schitterend spel gespeeld. De afrekening met de collabo’s verrichtte het volk zelf maar.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>