Uitvliegen

Trouwe lezers van deze weblog hebben wellicht bemerkt dat mijn serie “Levensloop” leek te eindigen bij mijn eindexamen en mijn afsluitende reeks 7 sacramenten ter evaluatie. Dat is natuurlijk niet correct, maar vooral het 7e sacrament maakte zo veel los, dat enige bezinktijd was gewenst. Het verhaal houdt dus niet op met deze laatste foto die pater Zaat van mij maakte, op de RKAVIC-velden in mei 1966, het jaar dus waarin ik 20 werd.
Ik slaagde voor mijn eindexamen, zij het op het nippertje, en was daarmee klaar om uit te vliegen. Immers, het staat geschreven:
En komt het grote leven (het blijft een avontuur),
Met ingespannen streven, met plichten zwaar en duur.

Eigenlijk moet ik nu weer instappen in het jaar waarin ik 18 werd om twee memorabele details correct in de tijd te plaatsen.
Er werd op het IG aan beroepsvoorlichting gedaan, mede samenhangend met je keuze voor α of ß na IV-gym. Ik herinner mij een gesprek dat ik in dat kader had met pater Dionysius (Nies) van Lier, van wie wij dat jaar godsdienst hadden. Vanuit mijn vliegtuighobby en nogal systematische inborst had ik in mijn hoofd dat ik misschien later, als ik groot was, wel naar de KMA zou willen om officier bij de luchtmacht te worden.
Helaas droeg ik een bril, dus voor piloot was ik ongeschikt. De enige die dat wel mocht was de Duitse prins Bernhard die in het kader van de gezinshereniging een permanente verblijfsvergunning in Nederland had gekregen en brildragend naar hartelust piloteerde. Wellicht heeft Lockheed hem ook nog op een Starfighter laten vliegen.

Waar was ik ook weer gebleven? KMA, geen piloot dus, maar dan graag iets in de logistiek of verkeersleiding. Nies van Lier hoorde het aan, gaf er geen oordeel over, maar voegde me wel toe dat ik in dat geval toch minstens kolonel zou moeten worden. Alsof je dat bij indiensttreding direct even kunt aangeven. Bovendien, het Griekse kolonelsregime dat vlak na mijn eindexamen aantrad, maakte mij toch al niet zo blij met die carrièredroom.

In datzelfde jaar, het jaar waarin ik 18 werd, viel bij ons de oproep voor de dienstplichtkeuring in de brievenbus. Gebruikmakend van het gele dienstreisbiljet, ik meen model F, dat recht gaf op gratis treinvervoer met de NS, 3e klasse, dus in die blauwe wagons met houten banken, net als de trams van het GVB in die tijd, begaf ik mij naar het keuringscentrum te Utrecht. Mulisch’ verhaal Keuring (uit De versierde mens) had ik gelukkig toen nog niet gelezen, anders zou ik me ziek hebben gemeld.
Die dienstplichtkeuring was een belevenis apart. Bij binnenkomst der meute eerst de registratie, dan een kop koffie en dan werden we allemaal in tweeën gedeeld. De hele groep dan, niet ieder op zich. Groep A kreeg voor de lunch eerst de psychologische test en daarna de medische keuring; voor groep B gold het omgekeerde. Daar tussenin een sobere lunch met regeeringsbrood, één plakje kaas en wat jam, en uiteraard weer koffie.
Ik belandde in groep B; waarom, dat werd niet uitgelegd. Het ritueel begon met maten en gewichten, tot op de centimeter en gram nauwkeurig, van je lijf, onder aftrek van de tarra van de onderbroek, het enige wat je vooralsnog aan mocht houden. Dan kreeg je van een norse beroepssergeant een reageerbuisje en een jampotje in handen geduwd, waarmee je naar de toiletten moest. Het eerste was voor een bloedmonster, het andere voor een urinestaal. Het enige wat de beroeps daarbij luidkeels uit zijn mond kreeg, was: “Godverdomme, niet in dat buisje piesen! Godverdomme, niet in dat buisje piesen!”
Daarop volgde de stethoscoop, en het plichtmatige voelen en knijpen om de meest vreselijke ziekten tijdig op het spoor te komen. Immers, er moest een ABOHZIS-classificatie van je worden opgesteld (resp. Algemeen, Boven, Onder, Horen, Zien, Intelligentie, Stabiliteit) met waarden tussen de 1 “geschikt” en 5 “ongeschikt”. Het schijnt dat in de jaren-’90 zo’n 35% van de Nederlandse keurlingen op een dezer gronden werd afgekeurd voor de dienstplicht. Over de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten is er zelfs een proefschrift verschenen dat er niet om liegt: het was kletsnatte vingerwerk.
Berucht, voor sommigen: geliefd, was een S5. Daarmee werd je weliswaar definitief ongeschikt verklaard en hoefde je dus niet in dienst, maar algemeen werd aangenomen dat je met een S5, het gekkenbriefje, zoals Ger Verrips dat in 1973 omschreef, later bij sollicitaties ernstig in de problemen kon komen. Bleek je dus psychisch instabiel, of volstrekt analfabeet, of gewoon homo, dat kon je het schudden: S5. Om die laatste afwijking te verifiëren, moest je je onderbroek uittrekken en diep bukken, iets waarmee ik van huis uit al enige ervaring had opgedaan. De dienstdoende arts, of een hospik in opleiding, bestudeerde dan de spreiding van je bilnaad, op grond waarvan aannemelijk was dat je al dan niet homo was. Ik bleek geen homo te zijn, zei hij ter geruststelling.
Ik moet hier eigenlijk niet lollig over doen, want het was in feite een grof gênante vertoning waaraan ook nog eens elke fundering ontbrak, maar kennelijk beschikte het Nederlandse leger over geen andere thermometer ter bepaling van je seksuele geaardheid.
Na de voortreffelijke lunch volgde de psychologische test, waarbij dus de I en S van de ABOHZIS ter vaststelling aan bod kwamen. Een hele serie opdrachten in volgorde van opklimmende moeilijkheid. Zoals “Welk getal ontbreekt er in de reeks 1-3-5-9?” (bij foutief antwoord: onverbiddelijk een I5 op je conduitestaat) tot het moment dat je een deurslot in losse onderdelen voor je neus kreeg dat je binnen 5 minuten weer in elkaar moest zetten; dat leverde een I1 op.

Bij het administratieve intakegesprek had ik mijn idee genoemd om KMA-officier bij de luchtmacht te worden. En doordat, ik herhaal het, op het IG aan beroepsvoorlichting werd gedaan, kreeg ik in januari van mijn eindexamenjaar de mogelijkheid aangeboden naar een kijkdag van de KMA in Breda te gaan. De reiskosten werden vergoed. Jezuïeten hebben centen, hetgeen vermoedelijk betekende dat ze de kosten wisten af te wentelen op Defensie.
Het werd een regelrechte desillusie. Vanaf mijn binnenkomst op het Kasteel Breda ervoer ik de beklemmede sfeer, de Leidseballenjoligheid, de sterk rechtse mentaliteit die bepaald niet intellectueel, laat staan voor mij acceptabel overkwamen. In de trein terug wist ik het al: daar gaat de zoveelste jongensdroom aan diggelen. Geen tramconducteur, geen kolonel, maar vermoedelijk iets daar tussenin zou mijn lot zijn.

Toch kwam mijn geuite voornemen tijdens de dienstplichtkeuring mij later nog wel goed van pas, want ik werd na mijn eindexamen opgeroepen voor de opleiding tot dienstplichtig officier Verkeersleiding bij diezelfde luchtmacht. Dat wordt een volgend artikel.
Daaraan vooraf: hoe breng ik mijn vakantie door? Want tussen mijn eindexamen in juni en de oproep voor militaire dienst in december 1966 lagen bijkans zes maanden.
Eerst dus maar eens even centjes verdienen, genieten en leuke dingen doen. Lees dus verder in het artikel dat erop volgt.

 

 

 

 

Kuipkwartiertje

Gisteren gepubliceerd op feyenoordnet.nl.
De club had dus de primeur van het resultaat van een van mijn speurtochten.

 

 

 

 

 


Week in week uit gonst het rond de koffieautomaat van de bespiegelingen over Feyenoord. Op maandag bespreekt men het afgelopen weekeinde na, vanaf dinsdag komen de halve en hele waarheden die iets moeten zeggen over de eerstkomende wedstrijd. Fabeltjes zijn het soms, die waarheden, ook al gelooft de spreker er nog zo heilig in. En inderdaad, een heel enkele keer blijkt er een statistische juistheid achter schuil te gaan.

Ik behandel hier drie van die (voor-)oordelen die zich in de loop der jaren ook in mijn hoofd hebben vastgezet. Ik ben Feyenoordfan sinds seizoen 1958-1959, dus ik kan putten uit een rijk arsenaal aan data.

Het eerste fabeltje is eerder een nachtmerrie: de Vloek Van Venlo, oftewel VVV-uit. Sinds de invoering van het betaalde voetbal moesten de Rotterdammers 20 maal naar Venlo afreizen en op drie overwinningen na moesten ze met de roodwitte staart tussen de benen huiswaarts keren. De eerste overwinning was pas in de tiende ontmoeting (1985-1986; een magere 0-1). De tweede volgde zes jaar later (1991-1992; wederom een magere 0-1) en de laatste zege dateert uit seizoen 2012-2013: een nipte, maar verdiende 2-3, maar dan wel na een 2-0 achterstand. Van de overige 17 wedstrijden sleepte Feyenoord dan nog tenminste acht maal een gelijkspel voor de poorten van De Koel weg, de overige negen wedstrijden gingen roemloos verloren. Toen daar nog Jan Klaassens en Faas Wilkes speelden, en later Keisuke Honda en Ruben Schaken, kon je daarvoor wellicht nog enig begrip opbrengen, maar met een overall doelsaldo in de onderlinge duels van 35-21 in VVV’s voordeel, krab je je toch wel even achter oren. En niemand kan verklaren wat de grond van deze Vloek Van Venlo is, net zomin als waar de opmerkelijke traditie van Utrecht-Ajax vandaan komt. Aan de spelersselectie of de trainers kan het niet liggen, net zo min als aan het gras of het fanatieke Venlose publiek (wel 8.000 max). We wachten maar af tot VVV weer eredivisionist is; dan kom ik er nog wel op terug.

Het tweede fabeltje is inderdaad een waanidee. Toch heb ik al vele jaren het gevoel dat Feyenoord maar niet of nauwelijks uitwedstrijden kan winnen in Noord-Brabant. En dan heb ik het over BVV/Fc Den Bosch, Eindhoven, Helmond Sport, NAC, NOAD, PSV, RBC, RKC en Willem II.

In het staatje hieronder de resultaten van Feyenoord in uitwedstrijden tegen deze clubs sinds 1956-1957, in opklimmende lastpakvolgorde:

Het blijkt dat alleen PSV, en in mindere mate RKC, een weinig positief resultaat voor Feyenoord laten zien, maar voor de rest valt het alles mee. En voor zover ik last mocht hebben van een kortetermijngeheugen: kijkend naar de laatste seizoenen, vanaf 2013-2014 tot heden, dan zijn de resultaten op Brabantse bodem geheel in balans, als Feyenoord op 1 mei 2016 nog even weet te winnen bij Willem II: 3 gewonnen, 2 gelijk, 3 verloren. Het is dus niet waar dat Feyenoord het in Brabant net zo zwaar heeft als in Venlo, al moet ik er wel bij zeggen dat het nou net uitgerekend PSV is dat als enige tegenstander al die jaren vanaf 1956 in de eredivisie heeft gespeeld, hetgeen de statistiek merkbaar beïnvloedt.

Het derde fabeltje staat qua realiteitsgehalte een beetje tussen de twee bovengenoemde fabeltjes in. NAC en ADO schijnen er een beetje patent op te hebben, op een magische periode in een thuiswedstrijd, maar vanaf zeker moment wist ik zo goed als zeker dat Feyenoord in thuiswedstrijden altijd scoort in het eerste kwartier van de tweede helft, dus tussen minuut 46 en 60. Ik volg, thuis in Frankrijk, zowat alle Feyenoordwedstrijden live en weet dat ik er vlak na de rust zeker voor moet gaan zitten: er zal worden gescoord. Maar is dat ook zo?

Ja en nee. Ik ben het eens nagegaan voor de seizoenen vanaf 2009-2010 tot aan de winterstop van seizoen 2015-2016, met de vraag: in welk kwartier vallen de doelpunten in De Kuip voor en tegen Feyenoord, en ook maar meteen even: hoe zit dat in diezelfde periode bij uitwedstrijden van Feyenoord ?
Wat dat laatste betreft: daar klopt het verhaal allerminst:


Maar goed, ik had het ook over een Kuipkwartiertje, en daarvan kunnen we straks misschien wel spreken. 
In uitwedstrijden scoort Feyenoord elk kwartier altijd meer doelpunten dan de thuisspelende tegenstander, behalve nou net in het eerste kwartier van de tweede helft; daar is de stand gelijk: 25 om 25. Zie de onderste TOTAAL-regels. En in ieder geval ligt er in geen van de seizoenen een hoogtepunt in het eerste kwartier van de tweede helft, noch qua doelpunten voor, noch tegen.
Maar dan het Kuipkwartiertje in thuiswedstrijden. In de tabel, achter het seizoen, de trainersaanduiding, resp. Been, Koeman, Rutte, Van Bronckhorst:

Over de seizoenen heen gekeken is Feyenoord-thuis het eerste kwartier van de tweede helft (minuut 46-60) veruit het productiefst, en krijgt het in het laatste kwartier de meeste goals tegen. Dat feit kan wellicht zijn oorzaak vinden in een geruststellende voorsprong van Feyenoord dat dan de teugels laat vieren; denk daarbij maar aan de eclatante 0-5 bij rust in Heerenveen, eerder dit seizoen, waarna de Friezen rustig tot 2-5 mochten terugkomen. Jammer, er had ook een 10-0 kunnen worden weggepoetst.

Maar toch is er met het eerste kwartier van de tweede helft in thuiswedstrijden nog wel meer aan de hand, reden om van een Kuipkwartiertje te mogen spreken. Allereerst is dat het kwartier waarin Feyenoord driemaal zo vaak scoort als de tegenstander (60 om 20), een gunstiger verhouding dan in welk kwartier dan ook. Het is dus Feyenoords meest lucratieve kwartier. Vervolgens geven de statistieken aan dat het vooral onder Koeman (2011-2014) was dat de periode vlak na rust Feyenoord veruit de meeste doelpunten opleverde. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat het onder dezelfde Koeman was, dat ook de tegenstander in De Kuip het vaakst het net vond.

Het zegt allemaal niets over De Kuip. Niets over het Legioen. Niets over de zo sterk wisselende spelersgroep in die zeven seizoenen. Misschien zegt het iets over de trainer en zijn inbreng tijdens de rust. Of het ligt aan de thee.
Bovendien blijkt ook nog eens dat Feyenoord het in dat Kuipkwartiertje ook significant beter doet dan het gemiddelde van alle eredivisieclubs bij elkaar. Bezie de gemiddelde scores over het lopende seizoen waarin het opvalt dat minuut 46-60 typische Feyenoordmomenten vormen:


Ten slotte valt het op dat er in De Kuip in de hele tweede helft beduidend meer wordt gescoord dan in de eerste helft, zowel doelpunten voor als tegen: in de eerste helft 106 tegen 190 in de tweede helft. Bij uitwedstrijden van Feyenoord is hetzelfde het geval: 98 tegen 114. Jammer genoeg geldt dat ook voor de tegendoelpunten: thuis 64 in de eerste helft en 68 in de tweede helft, en bij uitwedstrijden zelfs 62 tegen 98. Daaruit kan ik niet zo veel opmaken, maar ik troost me met de wetenschap dat in welke helft en welke speelstad dan ook Feyenoord vaker scoort dan de tegenstander. Statistisch gezien dan.

Misschien is het wel een idee, zo’n Kuipkwartiertje aan het begin van de tweede helft. Daar kan De Kuip wat aan doen, daar kan het Legioen wat aan doen, daar kan misschien de trainer ook wat aan doen. En de spelers zelf maken het dan maar waar.

Louis Grijp

Een kort eerbetoon aan Louis Grijp die op 9 januari 2016 overleed. Een man die het Nederlands muzikaal cultureel erfgoed bestudeerde, koesterde, toegankelijk en onvergetelijk maakte.
Ik heb met hem enkele malen contact gehad bij mijn zoektocht naar (de oorsprong van) de muziek van het Ignatiuslied. Opvallend waren enerzijds zijn grote kennis van het oude Nederlandse lied, anderzijds zijn bereidheid om daarover omslachtig en vakkundig te communiceren, hetgeen mij tot een herziene beschouwing noopte.

Wat blijft is zijn nalatenschap van de Nederlandse Liederenbank die voor velen een bron van kennis en muzikaal genoegen zal zijn. Een ook mijn dankbaarheid voor iemand die de openbaring daarvan voorop zag staan.

Het lied klinkt voort.

Sacrament 7a

Lezers van deze weblog zullen zich ongetwijfeld mijn bericht uit december 2012 herinneren waarin ik een vrij onverkwikkelijk voorval uit mijn Ignatiustijd beschreef. Daarop is nogal gereageerd, meestal buiten deze weblog om.
De tijd is nu daar om er een vervolg aan te geven, hoe zeer mij dat ook zwaar valt.
Wat ik in ieder geval herhaal, is mijn verzoek om ter zake te reageren, op welke geoorloofde manier dan ook.

In genoemd artikel doe ik drie algemene uitspraken.
De eerste is dat ik het bijkans naïef vind te veronderstellen dat het Ignatiuscollege de enige Heilige, Veilige Haven zou zijn waar niks voorviel, terwijl vanuit scholen, internaten, kloosters in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Amerika, Ierland, … het ene na het andere schandaal boven tafel komt.

De tweede is dat het mij hogelijk zou verbazen, ik bedoel: dat ik niet geloof dat ik nou juist net de enige zou zijn die tegen een dergelijk evenement aanliep; het moeten er gewoonweg veel meer zijn geweest.daarmee leg ik de bal nadrukkelijk bij anderen. Ik heb gezegd”, besluit ik mijn betoog.

De derde is dat met het verbreken van het Grote Zwijgen in dit verband niet alleen mogelijk een persoonlijk belang is gediend, maar stellig ook een publiek belang. Zoiets als waarheidsvinding.

Ik kom op dat artikel terug na recentelijk telefonisch contact te hebben gehad met een oud-Ignatiaan die mij omstandig zijn ervaringen meedeelde. Het dreigt een beetje de allure te krijgen van een klassiek drama, want wederom is er sprake van een destijds (tweede helft jaren-’60) op het IG werkzame docent klassieken. Meer dan heer K. zal ik niet noemen. Ook niet met wie precies zich iets heeft voorgedaan, noch tijd, plaats of handeling – die drie eenheden zijn niet aan mij om hier te vermelden.

In genoemd geval betreft het iemand die vandaag de dag, na meer dan 45 jaar, nog steeds fysieke en psychische klachten ondervindt, die sterker zichtbaar worden zoals, in zijn woorden, “een foto in een bad ontwikkelaar steeds meer contouren en scherpte krijgt”.

Zeer binnenkort gaat de Commissie Hulp & Recht zich erover buigen. Voor betrokkene is dit geen pretje, zeker als je bedenkt dat er (uiteraard) geen getuigen zijn, en er voor zover hem en mij bekend ook geen andere klachten of meldingen tegen bedoelde docent zijn aangeleverd. En dan sta je niet zo sterk.

Als er lezers zijn die in dit specifieke geval een helpende hand kunnen bieden, zal dat de zware gang naar de Commissie wellicht wat verlichten. Een niet-anonieme reactie via deze weblog (die altijd eerst langs mij gaat ter plaatsing of niet) of per e-mail of telefoon direct naar mij is daarom meer dan welkom. Mijn gegevens staan op de Entrée-pagina van deze weblog. Enige haast is wel geboden, want uiterlijk 20 januari moeten alle relevante stukken zijn overlegd. Er is wellicht enige sterkte voor nodig, maar de dank zal, neem ik aan, zeer groot zijn.