2e Conférence – Chaumont

Op dinsdag 1 december houd ik mijn volgende lezing over La vérité et son image op het Departementaal Archief van de Haute-Marne te Chaumont/Choignes in het kader van de lezingencyclus “Mardis aux Archives”.

Een lezing met lichtbeelden en expo van curiosa uit 1914-1918.


Aanvang 18.00 uur.

_______________________

vorig bericht: http://nardloonen.nl/2015/10/29/1ere-conference-vic-sur-aisne/

 

Compiègne tussen Parijs en Vic-sur-Aisne

Het is maar goed ook, kan ik nu op 14 november zeggen, dat ik niet een week later naar Parijs ben gegaan. Ik was er vrijdag 6 november om op de ambassade mijn paspoort te vernieuwen, waarna ik daags erop een lezing moest houden in Vic-sur-Aisne over La vérité et son image.
Tussen die twee evenementen in bezocht ik Compiègne, en dat was alleszins de moeite waard.

Over Parijs kan ik kort zijn. Op de ambassade kon ik me laven aan de Hollandse bureaucratie, maar goed, over een week of wat zal ik mijn nieuwe paspoort wel hebben en dan voor tien jaar onder de pannen zijn. Daarna was mijn gps zo vriendelijk mij, op weg naar Compiègne, een “snelste route” aan te bieden dwars door Parijs, over de Champs-Élysées en de Périphérique, dat alles een aaneenschakeling van files waar ik wonder boven wonder zonder kleer- of blikscheuren na anderhalf uur van verlost was.

Ook over de lezing in Vic-sur-Aisne kan ik kort zijn. Er waren maar enkele tientallen mensen, maar het waren wel experts met wie geanimeerd en zinvol te discussiëren viel, zodat ik er, naast de verkoop van een redelijk aantal exemplaren, ook inhoudelijk veel aan heb gehad.

Compiègne dus, een stad van zo’n 40.000 inwoners tussen Parijs en Vic-sur-Aisne met een historie die terugvoert tot de Gallische tijd, en groot werd (tevens berucht: lees bij Jos Heitmann maar het verhaal over de Carmelitessen die in Compiègne onder de guillotine stierven) in de keizerlijke tijd, zeg maar de 19e eeuw.

Maar eveneens is de stad nauw verbonden met beide Wereldoorlogen. 

Macaber symbool daarvan is de treinwagon vlakbij Compiègne waarin op 11 november 1918 de wapenstilstand tussen Frankrijk en Duitsland werd getekend, maar waarin Hitler ook organiseerde dat er de Franse overgave op 22 juni 1940 werd bezegeld. Lees verder maar oeverloos veel over Compiègne op internet.

Via deze omweg kwam ik weer terug bij mijn genealogische bijvangst van april 2015, het verhaal over de broertjes Robert (1878) en Pierre (1884) Loonen. Zij hadden ook nog een oudere zus, Suzanne (1877) die zich later in hoge adellijke kringen ging bewegen, en nog een jongere broer François (1890), die in Afrika als tolk Engels-Frans, en verder als geroutineerd vechtjas doorontwikkelde. Van die laatste twee weet ik nog onvoldoende om er een doortimmerd verhaal over te kunnen schrijven, maar van de eerste twee juist steeds meer. Om ze even in mijn stamboom te plaatsen: maak vanuit mij een reuzen-paardensprong van 6 omhoog en dan weer 4 schuin omlaag en je bent bij dat kwartet Loonens aanbeland. Ze zitten dus qua generatie in de 10e graad op het niveau van mijn grootouders. te weinig om nog aanspraak op een deel van de erfenis te kunnen maken. Jammer, want de ouders lieten naast het Châteu Loonen en de florerende Etablissements Brosserie Loonen in Tracy-le-Mont, nog een vermogen van meer van FF 10.000.000 na. De drie jongens waren, zoals Fransen betaamt, notoire vechtjassen, namen vrijwillig dienst in het leger, en dachten zo de notabele carrière van hun vader te kunnen evenaren. François deed dat voornamelijk in (Frans) Marokko en Algerije, de andere twee bleven in Europa. In hun vrije tijd zaten deze gewiekste boefjes voornamelijk in het gevang. Van Robert heb ik in het april-artikel al een en ander belicht; nu, na mijn bezoek aan Compiègne, kan ik Pierre wat beter gaan inkleuren. Ik blijf nog wel een tijdje doorzoeken om het naadje van de kous te weten. Volgende boek?

Pierre blijkt toch heel wat minder onschuldig te zijn dan hij in een rechtszaak tegen Robert betoogde. Aan zijn militaire staat van dienst hangt een hele lap kattebelletjes met zijn veroordelingen: 1 maand, 2 maanden, 4 maanden, 6 maanden, 2 jaar celstraf, plus telkens een geringe boete (zeker voor een multimiljonair als hij geweest moet zijn) en terugbetaling van achterovergedrukte zaken. Steeds ging het om vermogensdelicten als diefstal, uitgifte van ongedekte cheques, oplichting, verduistering, alles vallend onder de noemer “abus de confiance”, oftewel “handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid” waaronder het “misbruik van vertrouwen” juridisch in Nederland valt.
Appeltje-eitje dus om hem, met documenten gestaafd, compleet af te zagen. Maar…

Zijn staat van dienst vermeldt ook nog gans andere zaken, en verder onderzoek bevestigt en versterkt dat alleen maar. Aan de leuke kant van de balans: hij mocht, nog student, in 1902 met pa mee naar Japan op zakenreis (waar hij heel wat paniek en malversaties schijnt te hebben veroorzaakt), en in 1910 naar Amerika. Zijn vader bezat een grote borstelfabriek in Tracy-le-Mont met vestigingen wereldwijd en het gezin verkeerde ook in Parijs in de hoogste diplomatieke en adelijke kringen. Tussendoor, van 1905-1907, vocht hij mee in de campagne Algerije.

Aan de minder leuke kant: hij vocht in 1914-1918 aan het Franse noordelijke front en werd in mei 1918 aan de Chemin des Dames krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. Vier maanden later werd hij daaruit bevrijd en kon hij zijn militaire verplichtingen weer overdroten voortzetten tot hij in oktober 1931 met groot verlof ging.
Of die krijgsgevangenschap zijn verdere carrière heeft gestuurd, durf ik niet te beweren. Wel weet ik dat Pierre vanaf 1927 tot diep in de jaren-’30 regelmatig in de rechtszaal vertoefde en dientengevolge in de gevangenis (“La Santé”, eufemistisch genoeg). Op zijn militaire conduitestaat prijkt dan ook als zijn woonadres per januari 1932 de Prison de la Santé in Parijs. Best mogelijk dat hij om die reden uit dienst is ontslagen, omdat hij bij voortduring niet echt inzetbaar bleek te zijn.

Wat dreef hem zo op het criminele pad? Was dat de onverwerkte oorlogservaring uit 1918, of vond het (ook) zijn oorzaak in de volstrekt onbezorgde jeugd, vol luxe, met miljoenen francs op de bank, zeker na het overlijden van zijn moeder in 1909 en zijn vader in 1913, hetgeen in vergelijkbare gevallen ertoe leidt dat de kinderen zich met al dat vermogen geen raad weten en buitensporig gedrag gaan vertonen, dat zelfs tot criminalteit kan leiden? Ik moet hierbij steeds denken aan de Baarnse moordzaak uit 1960, ook al speelde die zich onder andere omstandigheden af.

Maar het verhaal Pierre is nog niet af. Ik vermoed dat hij in 1939/1940 niet gevangen zat. Wellicht was hij reisagent, zoals op zijn conduitestaat is bijgeschreven, of makelaar in onroerend goed (na zijn geflopte periode als zwendelaar in roerend goed). Wat ik wel weet: in mei 1943 werd hij door de Gestapo opgepakt en in Compiègne geïnterneerd. In die jaren vervulde Compiègne dezelfde rol als Westerbork in Nederland: het was het vertrekstation van de veewagons voor de deportaties naar de Duitse en Poolse kampen. Op 16 september begon voor hem de vier dagen durende reis naar Buchenwald, mogelijk als “politischer Häftling”, maar het kan ook zijn als asociaal of subversief individu – wat maakt het uit. De registers die in het indrukwekkende Mémorial de l’Internement et de la déportation te Compiègne raadpleegbaar zijn, evenals op internet trouwens, vermelden niet meer dan dat hij niet is teruggekeerd en dus vermoedelijk in 1943 in Buchenwald is overleden. Zijn vrouw, eveneens vanuit Compiègne gedeporteerd, maar in 1944 en naar Ravensbrück, is in mei 1945 bevrijd en naar Frankrijk teruggekeerd. Zij hertrouwde in 1956, daarmee de facto het overlijden van haar eerste man bevestigend.
Beide echtelieden staan vermeld op de immense glazen herdenkingswand in Compiègne tussen de andere 40.000 gedeporteerden.

Toch had ik nog zo mijn vraagtekens. Nader speurwerk leidde mij naar de archiefdienst van Buchenwald zelf, van waar ik binnen een paar dagen het volgende bericht ontving:

Sehr geehrter Herr Loonen,
vielen Dank für Ihre freundliche Anfrage an die Gedenkstätte Buchenwald. Nach Durchsicht der uns vorliegenden Unterlagen, die sich leider nur aus einer unvollständigen Sammlung zusammensetzen, können wir Ihnen folgendes mitteilen:
Pierre Loonen (*23.06.1884 in Tracy le Mont) ist im Juli 1943 verhaftet worden. Der Grund ist uns leider nicht bekannt. Anschließend inhaftierte man ihn in Compiegne. Von dort wurde er am 18.09.1943 in das Konzentrationslager Buchenwald eingeliefert.
In Buchenwald wurde P. Loonen als politischer Französischer Häftling mit der Haftnummer 21019 registriert. Es ist unklar, wo genau im Lager er untergebracht war und ob er hier Zwangsarbeit leisten musste.
Am 15.01.1944 ist Pierre Loonen von Buchenwald in das KZ Majdanek bei Lublin überstellt worden. Leider liegen uns keine weiteren Hinweise auf sein Schicksal vor.
Herr Loonen, es tut mir leid, dass wir Ihre Fragen nach dem genauen Haftgrund und dem Verbleib von Pierre Loonen nicht abschließend beantworten können. Um weitere Informationen zu erhalten möchte ich eine Anfrage an den Internationalen Suchdienst (ITS) in Bad Arolsen zu stellen.(…)

Daarop heb ik zowel de ITS als KZ Majdanek aangeschreven, maar op een antwoord wacht ik nog steeds.
Ik heb geduld – ooit komt de waarheid wel boven tafel.

Het valt me niet mee een eenduidig oordeel over een ver familielid te vormen.
Wel weet ik dat ik voor geen goud met hem zou willen ruilen.
Met empathie alleen kom je er niet. Hij mag dan nog zo’n ploert zijn geweest, daarmee verdien je nog niet wat hij in twee Wereldoorlogen heeft moeten meemaken, en uiteindelijk met de dood heeft moeten bekopen.
________________
Nagekomen mededeling: op 17 februari 2017 kwam er antwoord van het ITS. Lees daarrover HIER.

 

 

 

 

ABN – net iets te moeilijk

Er zijn er die menen dat ik er te veel over zeur. Dat ik niet zo moet vallen over foutief, slecht en onverzorgd taalgebruik in publieke communicatie. Maar juist daarom blijf ik het toch doen. De kwaliteit van de taal weerspiegelt de kwaliteit van de erin vervatte boodschap.
Eerder al heb ik jullie vermaakt met de flaters van WK2014.nl en Nutrivian. Vandaag is ABN-dochter MoneYou aan de beurt.

MoneYou. Geen gedoe. Dat rijmt, strikt fonetisch gezien, niet echt helemaal, maar het spoort ook niet. Het begon toen ik een tijdje terug geld naar onze MoneYou-rekening vanuit Frankrijk wilde overmaken en ik nergens op de site de daarvoor vereiste BIC-code van de bank kon vinden.
Niet getreurd, er is een online klantenservice. Maar die weet met de vraag geen raad en stelt voor “een aantal steekwoorden of korte zinnen te gebruiken”. Alsof ik dat niet had gedaan.
Beet.
Omdat ik er niet zeker van ben dat zo’n onpeilbaar 0800-nummer vanuit Frankrijk wel zo koste(n)loos is als MoneYou voorspiegelt, stuurde ik een mailtje met drie vragen:

  1. Wat is de BIC-code van MoneYou?
  2. Kan ik vanuit Frankrijk geld storten op een MoneYou-rekening?
  3. Waarom “steekwoorden” gebruikt (verfoelijk germanisme; “Stichwörter”) in plaats van het Nederlandse “trefwoorden”, maar in ieder geval niet het anglicisme “sleutelwoorden” (“key words”).

Vrij snel kreeg ik een mailtje retour met de simpele melding:

Beste heer Loonen,
Hartelijk dank voor de e-mail.
We horen graag wat onze klanten vinden van onze dienstverlening en nemen je bevindingen zeker mee.
De MoneYou BIC code is ABNANL2A. Je kunt alleen geld storten op je MoneYou Spaarrekening van af een Nederlandse betaalrekening. De invoering van SEPA heeft hier geen invloed op. Stort je toch van een buitenlandse rekening dan ontvang je het geld weer terug op je buitenlandse rekening.
Wanneer hier nog vragen over zijn, verzoeken we vriendelijk om via dit bericht te antwoorden.
(…)
Met vriendelijke groet,
MoneYou klantenservice. 

 

Dit was maar zeer ten dele een antwoord op mijn vragen: ik kreeg de BIC-code, maar kan blijkbaar niettemin geen geld vanuit Frankrijk overmaken. Vive l’Europe, vive l’Euro, vive le SEPA, het neusje van de Zalm.
De intenties van de al 13 jaar bestaande European Payment Council ten spijt, is het niet de eerste keer dat die verbazing mij ten deel valt. Een jaar geleden ongeveer presenteerde het CVZ mij hetzelfde verhaal: wel van een Belgische of Duitse rekening, maar niet van een Franse. Waarom dat zo was, wist men mij aan de telefoon niet uit te leggen. Zo zijn onze manieren, was de afsluitende zin.
Nu is het CVZ een instelling die, om zijn beschamende, feodale praktijken te verdoezelen onlangs heeft besloten zich voortaan Zorginstituut Nederland te noemen, maar naamswijzigingen zijn nooit een teken van kracht. Philips en de HEMA doen dat ook niet.

Kortom: de eerste vraag was beantwoord, het tweede antwoord was niet onderbouwd, en op de derde vraag ging mevrouw MYk niet in. Of misschien was het een man. Of een machine. Dus maar weer een mailtje of dat derde antwoord ook nog kwam.
Keurig en snel een reactie: 

Beste heer Loonen,
Hartelijk dank voor de e-mail.
De term steekwoorden is een nederlands woord wat wordt gebruikt om trefwoorden aan te duiden. MoneYou heeft dit woord gekozen om een onderwerp uit de tekst aan te duiden.
Wanneer hier nog vragen over zijn, verzoeken we vriendelijk om via dit bericht te antwoorden.
(…)
Met vriendelijke groet,
MoneYou klantenservice. 

Alweer beet.
Allereerst ontging het mij niet, dat net als bij die babes van WK2014.nl en die visoliecapsules van Nutrivian het antwoord anoniem werd verstuurd. Daar zit dus geen mens achter, maar een format, dat als onderdeel van de bedrijfscultuur niemand verantwoordelijk wil laten zijn voor wat dan ook.
Verder is mijn ervaring bij dit soort zaken dat ongeveer vanaf de derde mailuitwisseling aan de andere kant van de lijn de portee van mijn eerste reactie begint door te dringen. Pure dommigheid? Pure onwil? Oekazes van hogerhand?
Ik ga dan maar even op mijn strepen staan en na verloop van tijd valt het kwartje wel. Daar gaat-ie:

Nu even scherp en correct en op ABN-niveau:
1. De term steekwoorden is geen nederlands woord, maar een Nederlands woord.
2. De term steekwoorden is geen Nederlands woord, maar een verfoeilijk germanisme naar Stichwort. Ook het bij sommigen aangetroffen sleutelwoord is om soortgelijke redenen af te wijzen (naar Engels key word). Het enige Nederlandse woord om trefwoorden aan te duiden is trefwoord, zoals u vreemd genoeg ook definieert. Zeg dat dan ook.
3. Het is geen woord wat wordt gebruikt, maar dat wordt gebruikt.
Nu op naar de B-cursus.
Het valt niet mee om al sinds 1972 docent Nederlands te zijn…
________________
Inmiddels is het begin november en heb ik het uitblijven van een verdere reactie als klacht bij MoneYou gedeponeerd. Verder doe ik er maar even niets mee. ABN-Amro heeft blijkbaar wel iets anders aan het hoofd/voor ogen.

Het Grote Zwijgen

Er zijn van die foto’s die na kortere of langere tijd iconisch blijken te zijn. Uit mijn herinnering diep ik moeiteloos op: het Vietconglijk dat door een Amerikaanse tank wordt voortgesleept (World Press Photo 1966); het wegrennende napalmmeisje Kim Phuc (WPP 1973); meer recent de aangespoelde Aylan en de ‘toevallige’ vondst in Gouda van de executiefoto’s tijdens de Politionele acties in Nederlands-Indië, waar De Volkskrant onder meer mee kwam in oktober. Iconisch, doordat zij een grote invloed blijken te hebben op de publieke opinie en zelfs op de politiek.

Vreemd genoeg werken die foto’s ongeacht de bijbehorende context; zelfs als ze zouden zijn gemanipuleerd, gephotoshopt of anderszins een ‘verkeerd’ beeld geven, de eenmaal genestelde beeldvorming laat zich niet meer veranderen. Zo gaat bijvoorbeeld van die Amerikaanse tank het verhaal dat de Vietcong vaak mijnen legde onder gesneuvelde lichamen, waardoor het raadzamer was die met een tank weg te slepen dan respectvol op te tillen en op een draagbaar te leggen. Intussen was het anti-Vietnamoorlogsentiment al tot een beslissende hoogte opgevoerd. Prima.

Hoe toevallig de executiefoto’s uit Indië opeens uit een lade in Gouda kwamen, kan ik niet beoordelen. Wel dat ze passen in het tijdsgewricht dat schoon schip wil maken met de romantiek van Nederlands koloniale Indiëverleden en de door de KVP, de Kerk en vele andere opgehemelde bevrijdingsidealen van het Nederlandse leger in de Oost 1946-1949. Wat daarbij wringt, is dat een politiek correcte herziening van de visie op schokkende gebeurtenissen uit het verleden tegen het zere been is van hen die er zelf nog van zouden kunnen getuigen. De Amerikaanse Vietnam-, Afghanistan- en Irakveteranen, de Dutchbatters van Srebrenica, de KNIL-militairen die 1947-1948 hebben meegemaakt, hoe velen van hen lijden er wel niet onder psychische stoornissen, enerzijds door het gevoel dat ze als misdadigers worden weggezet, anderzijds door de nachtmerries die hen blijven achtervolgen na hun al dan niet vrijwillige optreden elders in de wereld. Onmiskenbaar gevolg: Het Grote Zwijgen dat we willen doorbreken, wordt door die getuigen uit de eerste hand alleen maar versterkt wanneer oude wonden weer worden opengereten.

Zoiets kan ook worden gezegd van de broers Frans (1926-1993) en Bertus (1927-2006) Bosman, over wie Paul Welling kort geleden zijn boek Ze spraken er niet over heeft gepubliceerd. Tussen 1947 en 1949 verbleven de broers als dienstplichtig militair op Java en namen zij deel aan de politionele acties van het Nederlandse leger tegen de Indonesische ‘extremisten’. Tijdens hun verblijf aldaar, maar ook na hun terugkeer in Nederland spraken zij met geen woord over gruweldaden, door henzelf of in hun bijzijn gepleegd. Wie veel meegemaakt heeft, praat niet over Indië, motiveert Bertus dat (p.153) en Frans sprak van een vuile oorlog (p.154). Geen details, geen schuldvraag, eigenlijk ook geen zichtbare emotie.

Het moet voor Paul Welling (en na hem: voor de lezer) een soort van teleurstelling zijn geweest dat hij niet heeft weten door te dringen tot enige ontboezeming van de belevenissen van zijn twee ooms. Ze zijn overleden, dus niet meer tot een onthullend gesprek te bewegen, maar ook in de periode ervoor zou het een mission impossible zijn geweest. Ik ken dat van mijn eigen familieleden, in het bijzonder van mijn vader die in 1946 in Soerabaja zes maanden in dienst was bij de militaire inlichtingendienst NEFIS die aanvankelijk inlichtingen over Japanse manœuvres, maar later die van de Soekarnogezinden moest weten te vergaren ten behoeve van de geallieerden, en van het KNIL in het bijzonder. Geen woord erover, ook al wist hij zich gedekt door een door hem op 24 april 1946 schriftelijk ondertekende geheimhoudingsplicht. Ook over zaken die buiten zijn strikte dienstvervulling om speelden, zweeg hij.

Paul Welling moest zich dus tevreden stellen met de constatering, in de titel, in de inleiding en in het nawoord, dat het zwijgen consistent en onverbreekbaar was; in plaats daarvan biedt hij ons een bewonderenswaardig minutieuze opsomming van familie- en persoonsgegevens. Door diep tot de uit bronnen herleidbare gegevens door te dringen weet hij de hoofdpersonen voor de lezer tot leven te brengen. Ook zeer nauwkeurig heeft hij de door hem verzamelde militaire gegevens op schrift gesteld, daarmee bevestigend dat er tegenwoordig veelzijdige data op internet raadpleegbaar zijn en dat (militaire) instanties vandaag de dag uiterst bereidwillig zijn tot het verlenen van inzage in historisch archiefmateriaal. Om dat maar even te onderstrepen: afgelopen week ontving ik van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen een envelop met 47 tweezijdige gekopieerde archiefstukken over betalingen en de diensttijdgegevens van mijn vader. Gratis en voor niks en op eerste simpele verzoek. Terwijl de monden gesloten blijven, gaan de boeken open.

Toch frappeert mij het boek van Paul Welling om nog twee andere redenen. De eerste is een bevestiging van mijn herhaalde uitspraak in La vérité et son image: “Toutes les guerres sont comparables, sinon pareilles“, alle oorlogen zijn vergelijkbaar, zo niet identiek. Of het nu gaat om de hier nadrukkelijk uit brieven te lezen zorgen en machteloosheid van de familieleden thuis, de moeder van Frans en Bertus voorop, of de stijl van de brieven vanuit de Oost die vooral uitstralen dat er voor ongerustheid nauwelijks grond is, of de soms wat primitief overkomende, maar meer dan goed bedoelde zendingen richting front (hier: sigaretten en een vulpen in een dichtgesoldeerd blikje; in mijn boek: vers gebakken wafels die meer dan vijf weken onderweg bleven en bij aankomst aan het front al door kameraden waren opgegeten voor de geadresseerde het pak in handen kreeg), of het onwrikbare geloof dat God uiteindelijk alles wel weer ten goede zou keren.

De tweede reden is de parallel tussen de boven tafel gekregen berichten van de broers Frans en Bertus, die de werkelijkheid filteren om slechts een beeld ervan aan het achterland te tonen, en de volstrekt vergelijkbare correspondentie die ik heb teruggevonden zowel die tussen mijn ouders in de periode 1942-1945 in Indië en Thailand, als die tussen ‘mijn’ Eugène Parisot en zijn familie in Rosoy uit de periode 1914-1918. De kiem voor Het Grote Zwijgen werd steeds al in oorlogstijd zelf gelegd – het gaat niet om  een schaamte- of schuldgevoel achteraf. Het doet een beetje denken aan fotoalbums: die vertonen bij voorkeur mooiweervakantiefoto’s, geen regen of wind; vreugdevolle gebeurtenissen als huwelijk en geboorte, geen stervenspijn of verkeersongelukken; lachende mensen die alleen van vreugde huilen. Niet bijster iconisch allemaal.

Jammer genoeg vertoont het boek de editoriale tekortkomingen die ik ook van andere Boekscout-uitgaven ken: Het papier van de kaft is zo sterk krullend dat het boek voortdurend half open blijft liggen als een gebarsten peulvrucht. De foto’s zijn in zo lage resolutie afgedrukt en op een zo matige papierkwaliteit, dat hun waarde ervan wordt geschaad. Bedenk dat het om uniek materiaal gaat dat het verdient prominent en helder te boek te staan; bij de kwartierstaat en de landkaarten speelt daarenboven dat ze, ongetwijfeld om pagina’s uit te sparen, zo pietepeuterig staan afgedrukt dat ze schier onleesbaar zijn. En met een loep erbij blijken ze ook nog eens behoorlijk onscherp te zijn. Dat zal de auteur toch niet zo hebben aangeleverd. Of het de verantwoordelijkheid van de uitgever is, weet ik niet, maar de enkele haast onvermijdelijke taalfoutjes die in het boek staan, heeft de correctieafdeling van Boekscout niet in de gaten gehad. Overigens ben ik zeer gecharmeerd van Paul Wellings taalgebruik en stijl, die zorgen voor een uiterst prettig leesbare tekst.

Wat wel op het bord van de uitgever ligt, is de prijsstelling, maar we weten van print-on-demanduitgaven dat ze altijd wat aan de dure kant zijn vanwege de lage oplage en het risicodeel van de overheadkosten. Voor mijn uitgaven geldt hetzelfde.

Dat alles neemt niet weg dat we met Ze spraken er niet over een prachtige getuigenis in handen hebben van een onopgelost probleem: Het Grote Zwijgen.

Paul Welling hoopt dat er ooit nog meer (foto-)materiaal over zijn familieleden uit die periode teruggevonden zal worden. Misschien gaat er in Gouda nog wel eens toevallig een laatje open.

__________________

Paul Welling, Ze spraken er niet over. Twee Amersfoortse broers in Nederlands-Indië. Soest : Boekscout 2015. 156 blzz. Illustraties en kaarten in kleur en zwart-wit. Index. ISBN 9789402219401. Prijs € 18,15. Te bestellen via www.boekscout.nl.