Voor boer en tuinder

Wie dit jaar op het land, in de tuin of in/op de vensterbank probeert een goede oogst uit de moestuin te halen, weet er ongetwijfeld alles van: het is, zowel in Nederland als in Frankrijk, een moeilijk jaar met zeer wisselende resultaten. De grote boosdoener: het weer.

 

Het afgebeelde KNMI-staatje jokt een beetje, althans, het geeft de metingen in De Bilt weer. Het Randstaddenken. In Zuid-Oost-Nederland was juli veel heter, en in Rosoy al helemaal: wekenlang tussen de 32 en 40 graden overdag. Daar valt op den duur niet tegenop te sproeien.

Globaal gesproken waren dit jaar tot nu de verschillen tussen Nederland en Frankrijk overigens niet zo groot: maart-april te koud en juli te heet en te droog. Ondanks het vele extra werk (binnen of in kasjes opkweken, later wel tweemaal per dag water geven) was het resultaat maar magertjes.

Helemaal niks: de snijbonen kwamen niet eens op; vermoedelijk te vroeg de boontjes in de grond gestopt. Hetzelfde geldt voor de rucola en de kervel: te vroeg gezaaid. Kropsla, diverse soorten, verlept en verdroogd. Tuinbonen helemaal opgevreten door zwarte luis. Perziken (nectarines): geen vrucht te bekennen.

Bijna helemaal niet: de sperziebonen; minder dan de helft kwam op en geeft nu maar bitter weinig opbrengst. Wel mooie haricots nains en heel lekker, overigens. Aardbeien lijken het goed te doen, maar er zit maar weinig echt helemaal rijp fruit aan.

 

Redelijk: de kapucijners (in tegenstelling tot vorig jaar!); de zwarte bessen, frambozen en zelfs de appelbomen, waar vorig jaar helemaal niets aan kwam; bijna waren ook die verdroogd, maar met regelmaat emmers water er omheen leegkiepen en uiteindelijk nogal wat regendagen in augustus deden de appeltjes mooi rood kleuren en, hoewel het nog wat vroeg is, lijkt het erop dat ze gezond, onaangetast en lekker zijn.

Heel goed: de kerstomaatjes, de uien, de komkommer (nauwgezet bewaterd tot ze zowat in een modderbad stonden) en in de kruidenkasjes de lavas, munt, bieslook en peterselie. Ook de wijnperzik, in tegenstelling tot de gewone perzik, lijkt een goede oogst te gaan geven. Nog even geduld aub.
En niet te vergeten, voor het eerst geprobeerd, de rode peper. 

Dat is een verhaal apart. Vorig jaar had ik groene pepers. Die deden het goed, maar ik vond ze niet pedis genoeg. Dus nu maar bij wijze van experiment dit jaar cayenneplantjes gekocht. Cayennepeper, of Spaanse peper, of rode peper, of Lombok pedis, het is van hetzelfde laken een pak. Chilipeper lijkt een verzamelnaam te zijn voor vele soorten hete peper.
Het procédé is nogal simpel: koop een paar plantjes bij een tuincentrum, kweek die binnen op tot de grond buiten warm genoeg is (15º of zo minstens) en plant ze dan uit. Normaal water geven. Na enige tijd komen er kleine, witte bluumkes in en niet veel later, het is dan augustus, groeien er vanzelf pepertjes aan. Eerst groen, maar na verloop van tijd kleuren ze rood.
Zijn ze eenmaal helemaal rondom en van boven tot onder rood, dan pluk je ze met steeltje en al af, rijg je er een paar aan een nylon of ijzeren draadje (door het steeltje steken – niet door de vrucht zelf) en hang je ze te drogen. Nooit in de koelkast bewaren (schimmel en rot) en ook nooit invriezen (worden slap en verliezen hun pittigheid). Gewoon aan de lucht drogen en als ze goed droog aanvoelen, kun je ze lang in een glazen potje met deksel erop bewaren. De zaadjes zijn het scherptst van smaak; als je die verwijdert, had je net zo goed groene pepers kunnen telen, of een potje zwarte peper bij de Colruyt kunnen kopen, daar is ook smaak noch kraak aan.
En mocht je vinden dat we er maar weinig aan de waslijn hebben hangen, zo nodig ik je uit één klein zaadje ervan even op je tong te komen leggen. Dan houd je voor de rest van de dag wel je mond. Bovendien zitten er nog veel meer aan te komen.

Tot besluit nog het verhaal van de aardappelen. Mijn geweldige oogst nicola’s van vorig jaar (eind september oogstte ik 170 kilo) maakte het mij mogelijk er tot begin augustus van te eten. Dit jaar zag ik van een aardappelveldje af om fysieke redenen, maar achteraf was dat maar goed ook: het is voor de aardappel een vervelend jaar qua klimaat. Ik hoor het van dorpsgenoten hier, maar ook van professionele boeren in Nederland. Ze willen dit jaar niet. Wat er te koop is, zijn importnicola’s uit Israel, maar die hoef ik dus niet. Misschien kan ik in september of oktober nog wel 50 of 100 kilo uit Nederland weghalen, maar de prijs zal er naar zijn. Net als die van de Nederlandse snijbonen momenteel, weet mijn kwaliteitsgroenteman uit Boxmeer te melden.

Wie met de seizoenen mee leeft, moet niet zeuren, maar aanvaarden dat het ene wel en het andere niet doet wat je ervan verwacht.
Alles heeft zijn tijd – alles heeft zijn prijs.

 

 

Langres fait son mieux

Vanuit Rosoy bezien is Langres de dichtstbijzijnde grote stad. Nou ja, niet overdrijven, met z’n 7.500 inwoners is het bijna viermaal zo klein als de gemeente Boxmeer. Vanouds is het ook een heel Nederlandse stad: zomer en winter is het vol met Nederlanders, vaak op weg tussen het moederland en de Spaanse costa’s.
Maar ondanks de vele potenties die de vestingstad heeft, zien we in toenemende mate een leegloop, vooral van de middenstand, terwijl het stadsbestuur er toch veel aan doet er een bruisende, en vooral cultureel gezien aantrekkelijke plaats van te maken. Langres fait son mieux – Langres doet zijn best.

Om dat laatste te onderstrepen:
ik beperk me hier even tot de culturele agenda van het zomerseizoen 2015.

Versierde en verlichte straten en pleinen, tal van festivals en exposities, veel voor de jeugd, maar ook voor de toeristen – het kan niet op.

 

 

 

Er zijn drie ruimtes waar het meeste valt te beleven, cultureel gezien dan:

- Het museum (Musée d’Art et d’Histoire) met een permanent gedeelte van oude opgravingen tot moderne kunst en steeds ook nog een wisseltentoonstelling;

- het Maison de Lumière, in 2013 geopend ter gelegenheid van de 300ste geboortedag van Denis Diderot, en geheel gewijd aan de periode van de Verlichting.

Voor beide: zie ook http://www.musees-langres.fr/.

- de gemeentelijke bibliotheek/mediatheek (Bibliothèque Arland) met een vrij grote collectie boeken en tijdschriften alsmede wisselende tentoonstellingen en culturele activiteiten voor de jeugd; zie de website.

Uit de culturele folder 2015 van Langres staan hierboven een paar voorbeelden.
Mocht je dus alsnog met camper of caravan naar het zuiden trekken en onderweg belanden op camping Navarre in Langres, verzuim dan niet een en ander te bezoeken.

 

 

De bron van de Maas

Een stroompje water dat uit een weiland vloeit. Meer is het niet. Je kunt er wijdbeens overheen gaan staan zonder natte voeten te krijgen. Verwacht dus geen spectaculaire waterval die uit rotsen naar beneden klettert – alles en iedereen is klein begonnen, en aan het einde houd je er een meer dan fatsoenlijke Maasstad aan over.
We praten over de “Source numéro 1 de la Meuse”, vlak bij Pouilly-en-Bassigny, gemeente Le Châtelet-sur-Meuse, op 25 km ten noorden van Rosoy-sur-Amance.
Er valt wel een en ander over te vertellen.

Zo heeft de stad Rotterdam in feite niets meer met de ruim 900 km lange Maas te maken, na de vele omleidingen van de West-Nederlandse loop van de Maas, net zoals Parijs alleen historisch bepaald aan de Seine ligt, maar feitelijk aan de Marne, en Rosoy-sur-Amance niet aan de Amance ligt (die pas verderop zo heet), maar aan de Ruisseau des Joncs.

Dat alles kan overigens geen verklaring zijn voor de armetierige wijze waarop de Maasbron in Pouilly wordt geafficheerd, geëntoureerd en toeristisch wordt geëxploiteerd. Een knullig bordje, wellicht met Europese subsidie gefinancierd, wijst de weg; ter plekke bevindt zich een houten, deels verrot bankje en een tweetal in 1980 opgerichte gedenkzuilen die er niet in slagen de grootsheid van de innige “Franse-Belgische-Hollandse” vriendschap te symboliseren:
op de ene zuil een bronzen plaquette met de nationale wapens van de drie landen, over de merkwaardigheid waarvan ik elders al opmerkingen heb geplaatst, en op de andere een plaquette met de loop van de Maas van Pouilly tot Rotterdam, een staaltje van accurate cartografie waarvoor elke 17e-eeuwse cartograaf zich diep zou schamen.
Het is allemaal goed bedoeld, zeker als je de achterliggende historie kent. Die staat, in vloeiend Waals, en meer gedetailleerd dan objectief, beschreven in een artikel in het Waalse dagblad Le Soir van 8 februari 1991.
Dat de Maasbron in dat artikel wordt gelokaliseerd op 486 meter hoogte, moet te wijten zijn aan een defecte hoogtemeter van de Luikse pastoor-geograaf Justin Évrard: het hoogste punt vlak bij de bron bevindt zich op 407 meter boven zeeniveau.
Het meest teleurstellend vind ik echter dat de Maasbron zelf in feite helemaal niets voorstelt. Het is een miezerig stroompje dat eerder eraan doet denken dat de plaatselijke boer de kraan niet goed heeft dichtgedraaid.

Waar haalt de Maas zijn water dan vandaan? Immers in Limburg en Noord-Brabant mag je haar toch wel een serieuze rivier noemen. Welnu, zoals gebruikelijk kent ook de Maas een groot aantal affluenten – ik noem alleen al de Sambre, de Lesse, de Ourthe, de Geul, de Roer, de Niers, de Dieze. Onderweg zijn er wat interessante weetjes over de Maas te melden: net ten zuiden van Neufchâteau verdwijnt de rivier deels ondergronds, waardoor zij tijdelijk een stuk smaller lijkt. In Frankrijk en België wordt de Maasstroom gebruikt voor elektriciteitsopwekking en bovendien in het Belgische Tihange voor de koeling van de kerncentrale aldaar. Meer noordelijk vormt ze de huidige Belgisch-Nederlandse landsgrens, tevens grens tussen Vlaams en Nederlands Limburg. In afnemende mate is de Maas al vanaf de middeleeuwen gebruikt voor transportdoeleinden, aanvankelijk vooral wijn; later, vanaf midden 19e eeuw, vormde zich met name in Wallonië heel wat (ijzer-)industrie langs de Maas, waarvan de stroom niet alleen geschikt was om te transporteren, maar ook om te koelen en, erger nog, om te lozen. Nederland ruimt als ontvangende natie en een gegeven paard de rommel wel op.

Hierboven noemde ik de “Source numéro 1 de la Meuse” bij Pouilly. Die IGN-aanduiding doet toch minstens vermoeden dat er ook een “Source numéro 2″ zou moeten zijn, en die is er ook, zij het helemaal niet aangegeven in de omgeving. Bezie nevenstaand kaartje. Rechts onderaan die “eerste” bron. Maar als je rechts van Pouilly de D130a naar het noorden afloopt, kom je op 401 meter hoogte bij een “Sce”, oftewel source, waar de Ruisseau de la Coudre begint. Nadat die een paar kilometer verderop uitmondt in een meer, voegt hij zich (zie het rode cirkeltje) bij de Maas. Dat meer met zijn drie dammetjes is overigens een kunstmatig aangelegd reservoir voor de plaatselijke brandweer. De drie kleine meertjes links van de rode cirkel zijn ook kunstmatig aangelegd, en wel door dorpsbewoners van Malroy om lekker te kunnen vissen.

Bij de bron van de Coudre staat, ook weer midden in een weiland, een zuiltje. Als je het prikkeldraad trotseert en er goed naar gaat kijken, zie je tot je stomme verbazing er het opschrift “LA MEUSE – Fontaine de Val” op staan. Tussen het prikkeldraad door loopt het water dan westwaarts. De Coudre? De Meuse? Wíe heeft er ooit wàt bepaald, en waarom?

Detail: onderaan die zuil zie je een rond voorwerp zitten met het opschrift “Nivellement général – I.G.N.”. Dat is een van de ruim 450.000 merktekens in Frankrijk waarop de exacte hoogte staat aangegeven (ten opzichte van het zeeniveau in Marseille). Het IGN, het Franse nationale geografisch/cartografisch instituut, heeft die merktekens tussen 1962 en 1969 aangebracht of vernieuwd. Bij dit exemplaar is het ronde middenplaatje waarop die hoogte in meters tot op 3 decimalen nauwkeurig staat ingeslagen echter verdwenen. Houd het maar op ± 401 meter.

Blijft de vraag: begint de Maas nu bij bron 1 of bij bron 2, of bestaan er ook rivieren met een duobron, zoals HIER ook wordt gesuggereerd? Sterker nog: in de literatuur over de Maasbron en op oude kaarten worden 5 bronnen aangemerkt als “de enige echte”; naast genoemde twee ook een bron vlak bij de kerk van Pouilly, eentje ten zuiden van Andilly, die nu “La Rivière” heet en in het dorpje Meuse (52140) waar het water van alle vijf de bronnen bij elkaar komt
Ik hanteer voorlopig even twee bronnen om daar achter te komen. Later volgt er een meer doortimmerd stuk:

De eerste is mijn oudste neef Bas, geoloog, die mij aan de nodige informatie heeft geholpen. Hij hanteert een nuchtere, wetenschappelijke beslistheorie: als twee stromen samenkomen, is die met het grootste debiet de “echte” rivier en is de ander te betitelen als affluent. Of ik dus maar even ter plekke wou gaan kijken en debietmeten om tot een verantwoord besluit te komen. Aan het einde van de hier uiterst droge julimaand 2015 toog ik derwaarts, parkeerde de auto op het kaartje net links van de R van Ruisseau de la Coudre, nadat ik eerder bij de Chap. (“Chapelle”) van Malroy al door twee bewoners was verjaagd omdat ik mij op hun privéterrein bevond. Door akkerlanden, en dwars door een grote strook kreupelhout, voornamelijk bestaande uit wilde braamstruiken en akelige brandnetels, volgde ik de oostelijke oever van het brandweermeer tot ik uiteindelijk op de plaats van bestemming belandde: de confluent van beide waterlopen van dit tweestromenland.
En ja hoor, ik kon de Maas zo maar oversteken, zelfs zonder te springen, want er liep minder water door dan er bij ons uit de kraan komt, en de Coudre stond helemaal droog. Van rechts op de foto komt de Maas aangestroomd en van boven naar onder, in het zonlicht, de Coudre. Althans de bedding van beide, en debiet meten was absoluut onmogelijk. In november of maart nog maar eens proberen, al zal het dan nog minder makkelijk te bereiken zijn.
Een andere beslissende wetenschappelijke factor kan natuurlijk ook zijn: welke bron ligt het hoogste, en/of: welke bron ligt het verste van de monding verwijderd. 

Tweede bron: Justin Évrard die, gewapend met pikhouweel en wichelroede rond 1970 ertoe kwam de huidige “Source numéro 1″ bloot te leggen en die later met een aantal gedenktekens te laten opfleuren. Voor hem was het criterium welke bron het verste van de monding af ligt doorslaggevend om tot de conclusie te komen dat die Source de echte bron van de Maas vormt, want die ligt iets verder van Rotterdam verwijderd. Zijn activiteit heeft ertoe geleid dat het deze bron is die nu alom als de echte bron wordt aangemerkt. Dat hij er qua hoogte (486 in plaats van 407 meter) nogal naast zat, doet daar niets aan af. Bovendien kan het ook nog een fout in het krantenartikel van Le Soir zijn geweest.

Ik ga mijn zoektocht vervolgen. Zowel in het veld als in gesprekken met lokale bevolking als in de betreffende literatuur, want vooralsnog zitten er te veel losse eindjes aan de argumenten die ik heb aangetroffen.