Balansschikking

Mijn bericht over het prachtige woord amper bracht mij via-via bij het al even prachtige verschijnsel balansschikking, een vorm van samengestelde zin die wonderwel alleen voorkomt in het Nederlands, Fries en Afrikaans, en waarvan we dus mogen aannemen dat het een product van “Hollandse bodem” is dat al eeuwenlang bestaat. En dat laatste klopt ook, want al in het Middelnederlands komen we de constructie tegen.

Zij heet tot 1964 dan alleen nog niet balansschikking, want die term is, bij mijn weten, voor het eerst geïntroduceerd door Gijsbertha Bos in haar dissertatie uit dat jaar (hoofdstuk IV, p. 238-257).
Haar samenvatting van dat hoofdstuk staat hiernaast.

 

 

 

Een van de mooiste voorbeelden van een balansschikking is een zin die in een of andere taalmethode vwo/havo staat, misschien Opbouw-1 of -2, ik kan het niet meer achterhalen:

(1) Karel de Grote had zijn ogen nog niet gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

Het gaat hier onder meer over functie en betekenis van het voegwoord of.

Voor wie de begrippen nevenschikking en onderschikking niet meer helemaal paraat heeft, even een vluchtige opfriscursus; zie ook bovenstaand schemaatje:

Beschouw een voegwoord als een cementen voeg tussen twee bakstenen.

Bij nevenschikking treffen we twee (of meer) hoofdzinnen aan, gescheiden, tevens verbonden door een nevenschikkend voegwoord zoals en of of; de bakstenen liggen op gelijk niveau naast elkaar met een voeg ertussen, die zelf geen deel uitmaakt van het linker of rechter lid:

(2) [Ik ga vanavond nog terug] of [ik blijf bij je slapen].

Kenmerken:
– De twee leden A en B zijn verwisselbaar:

(2a) [Ik blijf bij je slapenof [ik ga vanavond nog terug].

– Beide leden staan in de hoofdzinvolgorde, dus met de persoonsvormen ga en blijf op de tweede zinsplaats.
– Elk van beide leden is ook afzonderlijk zinvol te gebruiken:

(2b) Ik ga vanavond nog terug.
(2c) Ik blijf bij je slapen.

– Het nevenschikkend voegwoord of duidt op een keuzemogelijkheid. Vergelijk Duits oder.

Bij onderschikking treffen we een hoofdzin aan (A) waarvan één zinsdeel een bijzin is (b) die wordt ingeleid door een onderschikkend voegwoord zoals dat of of; die binnenzin (b) is als een steen die in de grotere steen (A) is ingemetseld met een voeg(woord) aan de linker kant, deel uitmakend van die bijzin:

(3) [Ik vraag me af [of ik vanavond nog terug ga]].

Kenmerken:
– In zin (3) is of ik vanavond nog terug ga het lijdend voorwerp bij vraag me af en is daarmee ondergeschikt aan het linkerdeel (A) van de hele zin.
– De leden (A) en (b) zijn niet zinvol verwisselbaar, maar wel verplaatsbaar:

(3a) *Ik ga vanavond nog terug of ik vraag me af.
(3b) Of ik vanavond nog terug ga, vraag ik me af.

– Het linker deel (A) van de hoofdzin staat in de hoofdzinvolgorde, dus met de persoonsvorm vraag in (3) en (3b) netjes als tweede zinsdeel; het rechter deel, de bijzin (b) vertoont de bijzinvolgorde, dus met de persoonsvorm ga zo veel mogelijk naar rechts.
– Het linker deel (A) van de hoofdzin is niet zinvol afzonderlijk te gebruiken:

(3c) *Ik vraag me af.

– Het onderschikkend voegwoord of duidt op een vraag of onzekerheid. Vergelijk Duits ob.

Tot zover het oude nieuws. Nu de balansschikking.

Over de balansschikking is inmiddels wel een en ander geschreven; zie enkele literatuurverwijzingen onderaan dit bericht. Daaruit komt naar voren dat een zin in balansschikking kenmerken van zowel de nevenschikking (NS) als de onderschikking (OS) vertoont:

– Beide leden van bijvoorbeeld zin (1) staan in de hoofdzinvolgorde en het voegwoord of maakt geen deel uit van een der leden (NS dus);
– de leden zijn niet zinvol verwisselbaar (OS dus).

Het is echter ook zo dat bij de balansschikking eigenschappen optreden die noch bij NS, noch bij OS horen, maar wel specifiek zijn voor de balansschikking:

– De of-zin kan niet naar voren worden gehaald, zoals dat bij OS wel kan:

(3b) [[Of ik vanavond nog terug ga], vraag ik me af].

Maar niet:

(1a) *Of de Noormannen van alle kanten zijn rijk binnen vielen, had Karel de Grote zijn ogen nog niet gesloten.

– Het voegwoord of duidt noch op een keuze (NS), noch op een vraag of onzekerheid (OS).
– Het linker deel van de balansschikking moet een ontkenning of ander “negatief element” bevatten, anders gaat het niet; dit kenmerk ontbreekt bij NS en OS:

(1b) *Karel de Grote had zijn ogen vorige week gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

En hier komen we nu bij het meest onbegrijpelijke, tevens meest interessante deel van de beschouwing over de balansschikking: de ontkenning die erin ligt vervat en al dan niet tot uitdrukking komt.

Van den Toorn (1972, p.111) stelt dat de zinnen (32) en (32a) dezelfde betekenis hebben, en dat die parafrasemogelijkheid bestaat bij alle zinnen in balansschikking:

(32) Het duurt niet lang of het papier scheurt.
(32a) Het is niet zo dat het lang duurt en dat het papier niet scheurt.

Ogenschijnlijk wordt in (32) alleen lang ontkend. Maar uit (32a) blijkt dat het papier niet scheurt, dat dat lang duurt, en dat dat allemaal niet waar is. Dat klinkt een beetje idioot, maar het is wel juist.

Terug naar Karel de Grote. Toen hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen de Noormannen niet zijn rijk binnen, laat staan van alle kanten. Toch staat er dat ze dat wel deden toen hij zijn ogen nog niet had gesloten. Hoe zit dat nou?

Ik ga eerst even met Van den Toorn mee: Het is juist dat zin (1) en zin (1c) qua betekenis dezelfde informatie verschaffen:

(1) Karel de Grote had zijn ogen nog niet gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1c) Het is niet zo dat Karel de Grote zijn ogen had gesloten en dat de Noormannen niet van alle kanten zijn rijk binnenvielen.

Als ik Van den Toorn echter juist interpreteer, is deze voorstelling van zaken niet correct en is de boomstructuur die hij bij zin (32a) voorstelt ook niet te kopiëren voor zin (1c). Merk om te beginnen op dat ik in zin (1c) opeens het woordje nog heb weggelaten. Iedere Nederlands sprekende gaat er bij zin (1) van uit dat Karel de Grote wèl dood was, en dus niet dat hij “nog niet” dood was. Daaruit volgt dat het niet in (1) geen ontkenning van de (linker) zin is, maar dat nog niet een inkorting is van nog niet zo lang – een zinsdeelontkenning dus. Het voor de balansschikking vereiste “negatieve element” zit dus in de korte periode die was verstreken sinds zijn overlijden. Dus ja, het klopt, zolang hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen de Noormannen zijn rijk niet binnen, en nee, het klopt niet: toen hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen ze zijn rijk niet binnen, maar wel toen hij ze wel had gesloten.

Omdat dit nog nauwelijks te volgen is, ga ik maar weer terug naar af, of liever gezegd: naar amper, waarover ik schreef naar aanleiding van nauwelijks. Bezie het onvolledige lijstje van substituenten:

(1d) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) amper gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1e) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) net gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1f) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) nauwelijks gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1g) Koud had Karel de Grote zijn ogen gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

en zelfs varianten als:

(1h) Kort nadat Karel de Grote zijn ogen had gesloten, vielen de Noormannen van alle kanten zijn rijk binnen.

Deze laatste zin verheldert wel een en ander:

– Het “negatieve element” zit hem in de korte duur.
– Het overlijden van Karel de Grote lijkt een bijwoordelijke bijzin te zijn, en het binnenvallen der Noormannen de hoofdzin; dat houdt ook in dat dat binnenvallen de hoofdzaak van de mededeling is en het overlijden een omstandigheid. Deze suggestie wordt overigens door Van den Toorn ook behandeld.
– Het kort nadat impliceert dat woorden als amper, net en nauwelijks betekenen dat het feit zich wel degelijk heeft voorgedaan, zij het dan nog maar zeer onlangs. Dat was ook de uitkomst van mijn bericht over amper.

Hoe leg je dit nu allemaal uit aan niet Nederlands (of Fries of Afrikaans) sprekenden die zo graag hier willen inburgeren? En hoe kun je zin (4) interpreteren?

(4) Zij waren nog niet ingeburgerd, of ze moesten het land weer uit.

VVD en PVV, die van balansschikking niets willen weten, prefereren de interpretatie:

(4a) Zij waren nog niet ingeburgerd en zij moesten (dus) het land weer uit. (oorzaak en gevolg)

Mensen met een iets ruimere blik lezen hem meer uitgebalanceerd als:

(4b) Zij waren al ingeburgerd en moesten (toch) het land weer uit. (tegenstelling)

Van den Toorn zou er als nauwelijks te vatten CDA-compromis van maken:

(4c) Het is niet zo dat zij waren ingeburgerd en dat zij het land niet weer uit moesten.

Maar weinigen zullen voetstoots aannemen dat in (4b) en (4c) hetzelfde staat. Formuleer het dan liever zo:

(4d) Zij waren amper ingeburgerd, of ze moesten het land weer uit.

Dat is nog eens duidelijke taal.

________________________________
Literatuur:

– M.C. van den Toorn, Balansschikking en disjunctie. In: De Nieuwe Taalgids jg. 65 (1972), p.104-123. Te lezen/downloaden op http://www.dbnl.org/tekst/_taa008197201_01/_taa008197201_01_0014.php

– Elektronische Algemene Nederlandse Spraakkunst (E-ANS), te raadplegen op http://ans.ruhosting.nl/e-ans/26/07/body.html

– Ad Welschen. Duale syntaxis en polaire contractie. Negatief gebonden of-constructies in het Nederlands. Amsterdam, Stichting Neerlandistiek VU 1999.

– Een moeilijk artikel van Joop Malepaard over balansschikking (Inverse disjuncties), maar wel met een uitgebreide literatuuropgave, is te lezen/downloaden op http://www.dbnl.org/tekst/_voo004200701_01/_voo004200701_01_0009.php

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.