Waterscheidingen

Als randstedeling zul je er niet wakker van liggen, maar wie in de buurt van een der grote Europese waterscheidingen woont, kent de enorme impact ervan. Vlak bij ons in Rosoy, 10 km in noordwestelijke richting, ligt zelfs een heus ‘drielandenpunt’, de scheiding tussen de afwateringen naar de Middellandse Zee, het Kanaal en de Noordzee. Echt een toeristische attractie is het niet, maar het is wel interessant en destijds was het van vitaal belang.

Klik eerst even op nevenstaand kaartje. Het groene huisje onder de as van Strasbourg, dat ben ik. Iets ten noordwesten daarvan is het bedoelde drielandenpunt. Wij zitten dus net aan de Middellandse-Zeekant van de rode lijn. Over dat drielandenpunt (“le point triple en Haute-Marne“) is trouwens een verhelderend artikel van Jean Gallier op internet geplaatst.
Op de kaart is eigenlijk een heleboel te zien wat je misschien nog nooit hebt beseft, zoals het enorm grote stroomgebied van de Donau en de secundaire scheidingen die in Nederland lopen. Het is een van die kaarten waarop ik nauwelijks raak uitgekeken.

Dat het een echt drielandenpunt is, blijkt onder meer uit de twee foto’s hiernaast. De linker foto heb ik genomen op de weg van Langres naar Rosoy, oftewel de N19 van Parijs naar Basel. Daar loopt de scheiding tussen het Kanaal en de Middellandse Zee. De rechter foto nam ik iets ten noorden van ons, op de D417 van Montigny-le-Roi naar Bourbonne-les-Bains, waar de scheiding tussen de Noordzee en de Middellandse Zee loopt. Pal noord van dat bord, aan de Noordzeezijde dus, ontspringt de Maas, waarover ik in een ander bericht nog te spreken kom. Ook de Marne en de Seine ontspringen aan die kant van de rode lijn; de Saône iets meer naar het oosten aan de andere kant. Het Plateau van Langres is dus met recht bron en oorsprong te noemen van belangrijke wegen, van Rotterdam tot aan Marseille, met en passant ook nog eens Parijs en Boxmeer die er deels hun grootheid aan ontlenen.

Ik had het over een grote impact van een waterscheiding. Die is er voornamelijk op logistiek vlak: het transport per spoor en over water. Hoewel je per auto rijdend niet veel hoogteverschil merkt (maar ga er maar eens fietsen; dan piep je wel anders!) tussen de 200 meter hoogte in de omtrek en de 420 meter van de waterscheiding, is er een serieus probleem.
Het treinstation van Culmont-Chalindrey, 12 km van Rosoy vandaan, is een belangrijk knooppunt: daar kruisen de noord-zuidlijn Luxemburg-Marseille en de oost-westlijn Basel-Parijs elkaar. Beide verbindingen moeten dus een waterscheiding passeren en treinen houden niet van geaccidenteerd terrein, zeker niet de 19e-eeuwse stoomtreinen. Gevolg is dat voor deze twee lijnen, rijdend vanuit Culmont naar het noorden of het westen, een lange tunnel is gegraven waardoorheen de treinen de waterscheiding (lees: het hoogteverschil) op doenlijke wijze kunnen passeren.

Voor de binnenscheepvaart, tot in de 20e eeuw nog een voornaam goederentransportmiddel, zijn de problemen zo mogelijk nog complexer. Om reistijd te bekorten en de rivieren überhaupt bevaarbaar te maken, werden er her en der kanalen aangelegd van de ene rivier naar de andere, zoals in Nederland het Maas-Waalkanaal bijvoorbeeld. Maar je voelt hem al: als je een kanaal graaft tussen de Marne, die afwatert op het Kanaal, en de Saône, die afwatert op de Middellandse Zee, dan loopt het water naar twee kanten weg en liggen de schepen met hun buikje op de bodem droog te zwemmen. Met alleen twee sluizen kom je er ook niet, want er moet toch een aanmerkelijk hoogteverschil worden overbrugd (verkeerd woord, maar ik bedenk zo gauw geen ander). Dik 150 jaar geleden bedachten Franse ingenieurs wat daarop. En nog voor de eeuwwisseling was het project af en konden de schepen van zeg maar Parijs zo naar Lyon varen. In de buurt van Langres werden er in het kanaal 114 (!) sluizen aangelegd om geleidelijk het hoogteverschil te compenseren. Maar ook 114 sluizen voorkomen niet dat de zaak in het midden (dus op het hoogste punt) zoetjes aan leegloopt. Dus legde men rond Langres vier meren aan, bassins, gevoed door kleine lokale riviertjes en regenwater, die aan beide zijden van het hoogste punt het waterniveau kunnen reguleren. Ik heb overigens twee van die meren wel eens helemaal droog zien staan, ik meen tijdens die vreselijk hete zomer van 2003. Aan die meren heeft Langres het epitheton “Land van de vier meren” overgehouden. Dankzij Photoshop kun je die HIER op één foto zien. Ze staan ook ingetekend op het vieze bord hierboven: drie meren links, aan de kant van de Marne, en eentje rechts, aan de kant van de Saône.

Maar op dat bord zie je nog iets heel markants, in het midden onder die groene berg: de Tunnel de Balesmes van 8,420 km lengte. Het schijnt de langste kanaaltunnel van Frankrijk te zijn, voor mijn part de langste ter wereld, niet te verwarren met de Kanaaltunnel van Calais naar Dover, want daar rijden de auto’s onder het water door, maar bij Balesmes varen de boten onder de auto’s door, sterker nog: zelfs pal onder de kerk van Balesmes-sur-Marne door. Om tè grote hoogteverschillen te vermijden, namen de ingenieurs het initiatief op het moment suprème ondergronds te gaan en dat was bepaald geen sinecure: vlak bij Balesmes ligt de tunnel 100 meter onder het maaiveld en zelfs 125 meter lager dan de stad Langres.
Ik ben er nog nooit doorheen gevaren, maar ik heb het van horen zeggen: aan één kant loopt er langs het ondergrondse gedeelte een trottoir ten behoeve van de trekvaart, waar overheen arme loonslaven een boot konden voorttrekken. Loontrekkers dus.

De vooruitgang was evenwel niet te stuiten: er kwamen stoomschepen. Het gevolg laat zich raden: een binnenvaartstoomschipper die aan de ene kant het niet mechanisch geventileerde kanaal in voer, kwam er aan de andere kant geroosterd en geblakerd uit, ongeveer zoals wij het twee jaar geleden meemaakten bij een toeristisch tochtje met een stoomtrein in Zwitserland.

Vandaag de dag zijn het alleen nog pleziervaartuigen die het hele kanaal van de Marne tot de Saône vv. bevaren. Trek daar maar wat dagen voor uit, met die 114 sluizen en nog een aantal draaibruggen die je allemaal moet passeren.

Als het je boeit, kun je er op internet nog heel veel meer over lezen; nuttige tags staan hieronder vermeld. Ik laat het nu even hierbij, met de belofte het merkwaardige verhaal van de Maasbron binnenkort op deze weblog te publiceren.

 

 

Belgje pesten (3/3)

Het was in de zomer van 1952 dat ik mijn eerste grensoverschrijdende schokervaring te verwerken kreeg. Aan de Belgische grens tussen Tilburg en Turnhout moesten we allen de bus uit en werden onze bagage en deviezen grondig geïnspecteerd. Wat de douane-unie uit 1944 tussen de Beneluxlanden precies inhield, snapte ik toen niet. Later overigens al evenmin.

Het was mijn eerste buitenlandse reis. Als vijfjarig jongetje mocht ik met mijn moeder een aantal dagen op reis naar Hoogstraten in het verre België om daar te logeren bij mijn grootouders. Ongetwijfeld gingen we eerst per NS (3e klasse) van Amsterdam naar Tilburg. De spoorlijn naar Turnhout, het Bels lijntje, was reeds in 1934 niet meer in gebruik voor personenvervoer, onderdeel van wat ik eerder al betoogde, en dus ging de reis nu verder per BBA-bus, de maatschappij die in datzelfde jaar 1934 was gefuseerd met onder meer de ABT-tramlijn die ik ook al eerder voor het voetlicht bracht. Aan de grens vond een heuse paspoortcontrole plaats en werd gevraagd (zo niet gesnuffeld) wat iedere reiziger zoal aan verboden waar bij zich had. ik hoor mijn moeder nog zeggen: “Niets, alleen kleding en wafels en bonbons”. Nu is wafels en bonbons naar Vlaanderen brengen zoiets als water naar de zee dragen, dus daarover deden de douaniers niet moeilijk. Er vond ook deviezencontrole plaats. Nederlands geld meenemen over de grens was verboden, en je kon niet zo maar ergens Belgische of Franse franken kopen in Amsterdam. Je moest daarvoor naar het Grenswisselkantoor op het Centraal Station, of naar een reisbureau als Thomas Cook op het Damrak. Daar kon je, tegen een woekerkoers, een tot ƒ 50,= per dag gelimiteerde hoeveelheid franken kopen met daarbij een deviezenboekje als waarborg voor geautoriseerde deviezenaankoop. Dat moest je dan aan de grens tonen (plus natuurlijk de inhoud van je portemonnee) en eventueel overgebleven franken kon ja na thuiskomst weer terug inwisselen tegen een nog woekeriger koers minus bovendien de gebruikelijke provisie. Ik heb zo’n boekje nog liggen uit begin jaren-’50; zie de scan hier bovenaan.
Het geheel bleef in mijn geheugen gegrift staan bij mijn meer dan vijftig reizen door het IJzeren Gordijn naar Oost-Europese landen: dezelfde rompslomp, controles en deviezenverplichtingen, zij het met een verplicht minimum in plaats van een toegestaan maximum, waaraan overigens vrij simpel bleek te ontsnappen. Die deviezenbewijzen waren doorgaans gehecht aan het visumaanvraagformulier, zoals hier een voorbeeld dat destijds door de ČSSR werd gehanteerd. De verplichte hoeveelheid kronen kon je overigens toen ook aan de grens aankopen, eveneens tegen een schandalige koers natuurlijk. Op straat in Praag was je tot tien maal goedkoper uit – maar dat was uiteraard verboden.
Mijn eerste Oost-Europareis was in 1968. Hier een clandestiene dia die ik op die reis bij de West-Duits-Tsjechoslowaakse grenspost maakte.

Van die eerste België-reis herinner ik me niet veel meer dan dat we op zondag in Hoogstraten eerst naar de mis gingen en dan linea recta naar de bakker om gebak te kopen met heel veel slagroom. Verder nog dat ik op een gegeven moment bij mijn grootvader op de knie zat die mij de fabel vertelde van twee ezels die elk van een andere oever een plank opliepen die over een riviertje lag. Omdat ze elkaar niet lieten passeren, donderden ze alle twee in het water. Wat de moraal van het verhaal was, begrijp ik nog steeds niet. Ik ben geen ezel.

Die BBA-bus reed via Goirle en Ravels naar Turnhout. Jammer dat hij niet de route over Baarle-Hertog volgde zoals het Bels lijntje dat deed, want dan had ik meteen een begin kunnen maken met het eigenlijke onderwerp van dit bericht. Immers, de 22 enclaves in het gebied rond Baarle vertellen ons wel iets over hoe moeizaam de afscheiding van België is verlopen (en de kwestie is nog steeds niet is opgelost!), met vooral dank aan Willem-I, Willem-II en Willem-III. Weliswaar ligt de kwestie-Baarle al vele eeuwen op tafel, maar met enige souplesse was die klus toch al lang geklaard. Baarle is nou niet een enclavegebied van groot strategisch belang, zoals Kaliningrad en Gibraltar dat wel zijn. Enerzijds de grenzen niet tot tevredenheid willen afbakenen, en anderzijds een douane-unie sluiten – het blijft vreemd, zeker als je bedenkt dat er bij het 25-jarig bestaan van de Benelux nog steeds roomboter van Noord naar Zuid, en sigaretten van Zuid naar Noord werden gesmokkeld, en niet alleen door beroepspungelaers, en met vuurwerk, vuurwapens en drugs is het vandaag de dag nog steeds niet helemaal koosjer.
Ik vermoed dat het hardnekkige voortbestaan van het vrij geïsoleerde Baarle-Hertog een zelfde weerbarstigheid van Neêrlands vorsten in de 19e eeuw aantoont die we ook al zagen bij de forten Liefkenshoek en Lillo: zij wat loze stukjes grond in de armetierige Kempen, wij de strategische forten en Zeeuwsch-Vlaanderen om de Westerschelde en daarmee de Antwerpse haven onder controle te kunnen houden.
Een tweede staaltje van datzelfde “ik een bietje meer as ouw” is de kwestie-Maastricht. Pas in 1843 werd het pleit beslecht in die zin, dat Nederland ‘uiteraard’ Maastricht behield, plus een gebied van 2½ km eromheen (de afstand van een kanonschot), plus de corridor vanaf Roermond naar Maastricht die eerder al door België was bezet. Dat verklaart de vreemde wormvormige uitstulping van het Koninrijk der Nederlanden aan de zuidoostzijde. Was Brabant door de Belgische onafhankelijkheid al gesplitst in Noord-Brabant en Vlaams-Brabant (met de provincie Antwerpen ertussen, maar dat hebben de Fransen in 1795 gedaan om administatieve redenen), zo werd ook de provincie Limburg gedeeld in Belgisch en Nederlands Limburg met de Maas als grensrivier, behalve rond Maastricht vanwege de kanonskogels uit die garnizoenstad.

Bij die twee provinciesplitsingen zou het niet blijven: ook de provincie Luxemburg moest eraan geloven. KW-I, II en III beschouwden het oostelijke deel, het huidige groothertogdom, zo’n beetje als hun buitenverblijf, een soort Camp David of Castel Gandolfo. Na de Belgische onafhankelijkheid bleef het in een personele unie met Nederland verbonden tot 1890 en konden de Belgen ernaar fluiten. Willem-III had het zo druk met al zijn beschamende strapatsen dat hij verzuimde een mannelijke troonopvolger na te laten, zodat de in Luxemburg vigerende Salische Wet de troon liet overgaan op een mannelijke groothertog. Bovendien hadden zowel Frankrijk als Pruisen al, naar we mogen aannemen om economische redenen, zitten trekken aan het ogenschijnlijk weinig waardevolle ministaatje, maar uiteindelijk waren de Luxemburgers al dat getouwtrek zat en onder het motto “Mir wölle bleiwe wat mir sin” (“We willen blijven wat we zijn”), bezegelden en koesterden ze hun onafhankelijkheid van Nederland en uiteraard ook van België.
Dat ze de Nederlandse vlag behielden, zij het met een wat verbleekte blauwe baan, lijkt historisch gezien een onjuiste aanname te zijn. En de poging het Luxemburg provinciewapen tot nationale vlag te maken (waarmee ze een vlag zouden krijgen die verdacht veel lijkt op de provincievlag van Zeeland waarbij de half verdronken leeuw helemaal boven water is; zie het tweede wapen van rechts in onderstaand Belgisch wapen) maakt vooralsnog ook geen kans.
Wat willen ze eigenlijk blijven wat ze zijn? Wat zijn ze eigenlijk wat ze willen blijven? Hun devies komt al even oninterpreteerbaar en loos over als de wapenspreuk van het verdeelde België: “Eendracht maakt macht / L’union fait la force” of het “Je maintiendrai” van het huidige Nederland. Wat valt er te maintiendreren? Frans als voertaal in Nederland? De hebberige, krijgshaftige periode van KW-I, II en III? De VOC-mentaliteit van Balkenende? De tijd van Drees, Fortuyn of Rutte?


Drie verscheurde provinciën maakten in de loop van de 19e eeuw deel uit van de trieste balans van de jonge Belgische natie, die vervolgens nog eens intern verdeeld raakte in een Vlaams, Waals, Brussels en Duitstalig deel, gemankeerd door het verlies van Zeeuws- en Frans Vlaanderen, en de helft van de provincies Limburg en Luxemburg. Een beetje projectontwikkelaar zou een andere blauwdruk hebben gepresenteerd, zeker als je beseft hoe schril het armlastige Wallonië afsteekt bij het welvarende Luxemburg.
Dat heet bij onze zuiderburen “het verdriet van België”. Daarover volgt nog wel een apart bericht, in het bijzonder over de markante situatie in Martelange/Rombach.

_________________________________
Vorige artikelen: BELGIË SPOORT NIET en EEN KERNCENTRALE ALS DOEL

Kunstenaars in de regio 2015

Zoals in de agenda 2015 is te zien, exposeren er ook dit jaar weer heel wat Nederlandse, Vlaamse en Britse kunstenaars in de regio tussen Langres en Vesoul. Naast de wat langer geopende expositie van Ellen Beljaars en René van Dijck, zijn er op 18 en 19 juli a.s. open dagen waaraan ruim 20 kunstenaars deelnemen.

 

Onder het motto Art au Vert exposeren deze kunstenaars zowel binnen als buiten oud en nieuw werk, gratis te bezichtigen. De route langs de 19 te bezoeken plaatsen, zie bijgaand overzicht, is wellicht te lang en te veelomvattend om in een weekend tijds alles te gaan bekijken, maar door gerichte keuzes te maken kun je er volop van genieten en nuttige contacten leggen of te onderhouden.
Meer uitvoerige informatie, met voorbeelden van werk van alle deelnemende kunstenaars, is te vinden op http://ellenbeljaars.nl/nl/2015-art-au-vert.  

Aanbevolen.

Balansschikking

Mijn bericht over het prachtige woord amper bracht mij via-via bij het al even prachtige verschijnsel balansschikking, een vorm van samengestelde zin die wonderwel alleen voorkomt in het Nederlands, Fries en Afrikaans, en waarvan we dus mogen aannemen dat het een product van “Hollandse bodem” is dat al eeuwenlang bestaat. En dat laatste klopt ook, want al in het Middelnederlands komen we de constructie tegen.

Hij heet tot 1964 dan alleen nog niet balansschikking, want die term is, bij mijn weten, voor het eerst geïntroduceerd door Gijsbertha Bos in haar dissertatie uit dat jaar (hoofdstuk IV, p. 238-257).
Haar samenvatting van dat hoofdstuk staat hiernaast.

 

 

 

Een van de mooiste voorbeelden van een balansschikking is een zin die in een of andere taalmethode vwo/havo staat, misschien Opbouw-1 of -2, ik kan het niet meer achterhalen:

(1) Karel de Grote had zijn ogen nog niet gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

Het gaat hier onder meer over functie en betekenis van het voegwoord of.

Voor wie de begrippen nevenschikking en onderschikking niet meer helemaal paraat heeft, even een vluchtige opfriscursus; zie ook bovenstaand schemaatje:

Beschouw een voegwoord als een cementen voeg tussen twee bakstenen.

Bij nevenschikking treffen we twee (of meer) hoofdzinnen aan, gescheiden, tevens verbonden door een nevenschikkend voegwoord zoals en of of; de bakstenen liggen op gelijk niveau naast elkaar met een voeg ertussen, die zelf geen deel uitmaakt van het linker of rechter lid:

(2) [Ik ga vanavond nog terug] of [ik blijf bij je slapen].

Kenmerken:
- De twee leden A en B zijn verwisselbaar:

(2a) [Ik blijf bij je slapenof [ik ga vanavond nog terug].

- Beide leden staan in de hoofdzinvolgorde, dus met de persoonsvormen ga en blijf op de tweede zinsplaats.
- Elk van beide leden is ook afzonderlijk zinvol te gebruiken:

(2b) Ik ga vanavond nog terug.
(2c) Ik blijf bij je slapen.

- Het nevenschikkend voegwoord of duidt op een keuzemogelijkheid. Vergelijk Duits oder.

Bij onderschikking treffen we een hoofdzin aan (A) waarvan één zinsdeel een bijzin is (b) die wordt ingeleid door een onderschikkend voegwoord zoals dat of of; die binnenzin (b) is als een steen die in de grotere steen (A) is ingemetseld met een voeg(woord) aan de linker kant, deel uitmakend van die bijzin:

(3) [Ik vraag me af [of ik vanavond nog terug ga]].

Kenmerken:
- In zin (3) is of ik vanavond nog terug ga het lijdend voorwerp bij vraag me af en is daarmee ondergeschikt aan het linkerdeel (A) van de hele zin.
- De leden (A) en (b) zijn niet zinvol verwisselbaar, maar wel verplaatsbaar:

(3a) *Ik ga vanavond nog terug of ik vraag me af.
(3b) Of ik vanavond nog terug ga, vraag ik me af.

- Het linker deel (A) van de hoofdzin staat in de hoofdzinvolgorde, dus met de persoonsvorm vraag in (3) en (3b) netjes als tweede zinsdeel; het rechter deel, de bijzin (b) vertoont de bijzinvolgorde, dus met de persoonsvorm ga zo veel mogelijk naar rechts.
- Het linker deel (A) van de hoofdzin is niet zinvol afzonderlijk te gebruiken:

(3c) *Ik vraag me af.

- Het onderschikkend voegwoord of duidt op een vraag of onzekerheid. Vergelijk Duits ob.

Tot zover het oude nieuws. Nu de balansschikking.

Over de balansschikking is inmiddels wel een en ander geschreven; zie enkele literatuurverwijzingen onderaan dit bericht. Daaruit komt naar voren dat een zin in balansschikking kenmerken van zowel de nevenschikking (NS) als de onderschikking (OS) vertoont:

- Beide leden van bijvoorbeeld zin (1) staan in de hoofdzinvolgorde en het voegwoord of maakt geen deel uit van een der leden (NS dus);
- de leden zijn niet zinvol verwisselbaar (OS dus).

Het is echter ook zo dat bij de balansschikking eigenschappen optreden die noch bij NS, noch bij OS horen, maar wel specifiek zijn voor de balansschikking:

- De of-zin kan niet naar voren worden gehaald, zoals dat bij OS wel kan:

(3b) [[Of ik vanavond nog terug ga], vraag ik me af].

Maar niet:

(1a) *Of de Noormannen van alle kanten zijn rijk binnen vielen, had Karel de Grote zijn ogen nog niet gesloten.

- Het voegwoord of duidt noch op een keuze (NS), noch op een vraag of onzekerheid (OS).
- Het linker deel van de balansschikking moet een ontkenning of ander “negatief element” bevatten, anders gaat het niet; dit kenmerk ontbreekt bij NS en OS:

(1b) *Karel de Grote had zijn ogen vorige week gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

En hier komen we nu bij het meest onbegrijpelijke, tevens meest interessante deel van de beschouwing over de balansschikking: de ontkenning die erin ligt vervat en al dan niet tot uitdrukking komt.

Van den Toorn (1972, p.111) stelt dat de zinnen (32) en (32a) dezelfde betekenis hebben, en dat die parafrasemogelijkheid bestaat bij alle zinnen in balansschikking:

(32) Het duurt niet lang of het papier scheurt.
(32a) Het is niet zo dat het lang duurt en dat het papier niet scheurt.

Ogenschijnlijk wordt in (32) alleen lang ontkend. Maar uit (32a) blijkt dat het papier niet scheurt, dat dat lang duurt, en dat dat allemaal niet waar is. Dat klinkt een beetje idioot, maar het is wel juist.

Terug naar Karel de Grote. Toen hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen de Noormannen niet zijn rijk binnen, laat staan van alle kanten. Toch staat er dat ze dat wel deden toen hij zijn ogen nog niet had gesloten. Hoe zit dat nou?

Ik ga eerst even met Van den Toorn mee: Het is juist dat zin (1) en zin (1c) qua betekenis dezelfde informatie verschaffen:

(1) Karel de Grote had zijn ogen nog niet gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1c) Het is niet zo dat Karel de Grote zijn ogen had gesloten en dat de Noormannen niet van alle kanten zijn rijk binnenvielen.

Als ik Van den Toorn echter juist interpreteer, is deze voorstelling van zaken niet correct en is de boomstructuur die hij bij zin (32a) voorstelt ook niet te kopiëren voor zin (1c). Merk om te beginnen op dat ik in zin (1c) opeens het woordje nog heb weggelaten. Iedere Nederlands sprekende gaat er bij zin (1) van uit dat Karel de Grote wèl dood was, en dus niet dat hij “nog niet” dood was. Daaruit volgt dat het niet in (1) geen ontkenning van de (linker) zin is, maar dat nog niet een inkorting is van nog niet zo lang – een zinsdeelontkenning dus. Het voor de balansschikking vereiste “negatieve element” zit dus in de korte periode die was verstreken sinds zijn overlijden. Dus ja, het klopt, zolang hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen de Noormannen zijn rijk niet binnen, en nee, het klopt niet: toen hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen ze zijn rijk niet binnen, maar wel toen hij ze wel had gesloten.

Omdat dit nog nauwelijks te volgen is, ga ik maar weer terug naar af, of liever gezegd: naar amper, waarover ik schreef naar aanleiding van nauwelijks. Bezie het onvolledige lijstje van substituenten:

(1d) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) amper gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1e) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) net gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1f) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) nauwelijks gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1g) Koud had Karel de Grote zijn ogen gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

en zelfs varianten als:

(1h) Kort nadat Karel de Grote zijn ogen had gesloten, vielen de Noormannen van alle kanten zijn rijk binnen.

Deze laatste zin verheldert wel een en ander:

- Het “negatieve element” zit hem in de korte duur.
- Het overlijden van Karel de Grote lijkt een bijwoordelijke bijzin te zijn, en het binnenvallen der Noormannen de hoofdzin; dat houdt ook in dat dat binnenvallen de hoofdzaak van de mededeling is en het overlijden een omstandigheid. Deze suggestie wordt overigens door Van den Toorn ook behandeld.
- Het kort nadat impliceert dat woorden als amper, net en nauwelijks betekenen dat het feit zich wel degelijk heeft voorgedaan, zij het dan nog maar zeer onlangs. Dat was ook de uitkomst van mijn bericht over amper.

Hoe leg je dit nu allemaal uit aan niet Nederlands (of Fries of Afrikaans) sprekenden die zo graag hier willen inburgeren? En hoe kun je zin (4) interpreteren?

(4) Zij waren nog niet ingeburgerd, of ze moesten het land weer uit.

VVD en PVV, die van balansschikking niets willen weten, prefereren de interpretatie:

(4a) Zij waren nog niet ingeburgerd en zij moesten (dus) het land weer uit. (oorzaak en gevolg)

Mensen met een iets ruimere blik lezen hem meer uitgebalanceerd als:

(4b) Zij waren al ingeburgerd en moesten (toch) het land weer uit. (tegenstelling)

Van den Toorn zou er als nauwelijks te vatten CDA-compromis van maken:

(4c) Het is niet zo dat zij waren ingeburgerd en dat zij het land niet weer uit moesten.

Maar weinigen zullen voetstoots aannemen dat in (4b) en (4c) hetzelfde staat. Formuleer het dan liever zo:

(4d) Zij waren amper ingeburgerd, of ze moesten het land weer uit.

Dat is nog eens duidelijke taal.

________________________________
Literatuur:

- M.C. van den Toorn, Balansschikking en disjunctie. In: De Nieuwe Taalgids jg. 65 (1972), p.104-123. Te lezen/downloaden op http://www.dbnl.org/tekst/_taa008197201_01/_taa008197201_01_0014.php

- Elektronische Algemene Nederlandse Spraakkunst (E-ANS), te raadplegen op http://ans.ruhosting.nl/e-ans/26/07/body.html

- Ad Welschen. Duale syntaxis en polaire contractie. Negatief gebonden of-constructies in het Nederlands. Amsterdam, Stichting Neerlandistiek VU 1999.

- Een moeilijk artikel van Joop Malepaard over balansschikking (Inverse disjuncties), maar wel met een uitgebreide literatuuropgave, is te lezen/downloaden op http://www.dbnl.org/tekst/_voo004200701_01/_voo004200701_01_0009.php

 

 

 

Mussen van het dak

De calore clamavi ad te, lector.
Terwijl de mussen van het dak vielen, kwamen we gisteren terug van vier dagen Nederland. De volgende ochtend bleken de vijf jonge zwaluwtjes vliegvaardig genoeg om het nest te verlaten waarin ze wekenlang opgepropt hadden moeten verblijven.
Maar met één ding hadden zij, noch hun ouders rekening kunnen houden: de enorme hitte van 38-40 graden overdag, die ertoe leidde dat ze zich niet, zoals twee jaar geleden, voor de meer geavanceerde vlieglessen op de dakrand konden opstellen alvorens airborne te gaan. Ze zouden aan de hete gegalvaniseerde goot hunne pootjes verbranden. Dus maar vooralsnog een plekje in de relatief koele garage gezocht – keuze te over.

Schrale troost: in Orvieto is het momenteel nog heter.

Wat mij overigens al een tijdje is opgevallen (maar misschien is het heel normaal), is dat ze al die tijd zijn uitgebroed, beschut, gevoederd en geïnstrueerd, kortom alle pre- en postnatale mantelzorg, niet door twee, maar door zeker vier volwassen zwaluwen. En ik weet ook niet eens of dat wel steeds dezelfde vier waren. Ze lijken allemaal zo op elkaar.

Misschien dat iemand mij iets meer kan vertellen over de educatieve instincten en processen van zwaluwen.

 

Voetbal? Bah!

Toen in maart 2001 nevenstaande VPRO-gids bij ons in de bus viel, zo herinner ik me nog, had ik het aanvankelijk niet in de gaten en dacht ik dat er een serieuze programmapagina op de voorkant was afgedrukt.
Beetje saai en fantasieloos dus.

Bij nadere beschouwing bleek ik er, zo meldt Herman Zjuiphof, toch weer ingetuind.

 


Ik had dit nummer van de VPRO-gids altijd bewaard en vond het bij opruimen afgelopen weekend weer eens terug. Omdat sommigen van jullie het nummer misschien niet hebben bewaard, of zelfs nooit ontvangen, geef ik die voorpagina hier onverkort en zonder verder commentaar weer.

Het is humor van het kaliber van het tegenscript, een andere oude voorpagina (of binnenpagina – weet ik niet meer) van de VPRO-gids, eerder op deze weblog gepresenteerd.