Belgje pesten (2/3)

EEN KERNCENTRALE ALS DOEL.
Omdat tram 77 en 75 zo lang op zich lieten wachten, zoals eerder uitgelegd, verplaatsten we ons per auto naar Fort Lillo. Je komt daar binnen over een oprijlaan van onvervalste kasseien – een betere vorm van verkeersdrempel, niet voor niets in het Zweeds trafikhinder genoemd, bestaat er niet. Bovendien wordt je direct omringd door een horde ganzen die al sinds jaar en dag het fort bewaken.
Stapvoets voortschrijdend kom je aan de Scheldedijk. Waar eerst de stelplaats van tram 75 was, zie bijgaande foto van Jos van Aerde, is nu een riant parkeerterrein.
We waren de enige auto.

Fort Lillo is een bezoekje wel waard, vooral vanwege de merkwaardige ligging als een ingeklemde oase in het uitgebreide Antwerpse havengebied.

Met zijn haventje dat buiten de sluizen ligt, en dus telkens bij eb droogvalt, zijn planologische vorm van een oud fort, en zijn karakter van een stilstaand dorpje maakt het een onwerkelijke indruk.

 

 

Er is wat nering, maar niet veel. Een pleintje (met het huis van Den Prins van Oranje), een kerk (gesloten), een pisbak (openbaar). Er is wat horeca, maar het ene etablissement was gesloten en stond te koop, een tweede was gesloten vanwege vakantie, en het derde was in feite een gezellig stamineeke, waar je niet kon eten; nou ja, een tosti kon je nog net krijgen, en waar één hotelkamer beschikbaar was; nou ja, dat wil zeggen: door de week werd die permanent bewoond door arbeiders uit het havengebied, en in het weekeinde kon je die kamer reserveren. Een bescheiden slaapkamer met scheve, oude, houten vloer, iets waarover ik allerminst zal zeuren, en tot mijn grote verrassing hoorde er ook nog een forse woonkamer bij met tv, koffie- en theevoorziening en riante zitgelegenheid. Wifi werkte, evenals de verwarming. Helaas kon je er niet met je bankpas betalen, en voor geld pinnen moest je helemaal naar Antwerpen, maar geen nood: we kregen het banknummer van de waardin mee met de toezegging het bedrag na thuiskomst snel over te maken. Waar maak je dat nog mee?

Die waardin was overigens afkomstig uit Doel, aan de andere kant van de Schelde, vlak bij fort Liefkenshoek. Beide forten -ik schrijf onder de kop Belgje pesten- bleven merkwaardigerwijs na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 nog tot 1839 Nederlands grondgebied. Willem I had met lede ogen aan de Belgische opstand gevolg moeten geven, maar hij probeerde, ook militair, te redden wat er niet te redden viel. Hij hield dat negen jaar vol en hing kort erop zijn kroon aan de wilgen.


Die waardin was dus afkomstig uit Doel, dat aan ernstige leegloop lijdt.

Wie van Doeldenken houdt als een vorm van doemdenken, kan terecht op de webstek van Doel2020 en vooral deze Youtubefilm bekijken. Te vrezen valt dat Doel, waarvan er van de dik 2200 inwoners in 1900 nu nog maar 84 over zijn, op korte termijn geheel tegen de vlakte gaat, zoals dat ook gebeurde met Lillo, evenals met Blankenburg, Rozenburg en Heenvliet (toepasselijke naam!) die werden opgeofferd ten behoeve van de uitbreiding van de Rotterdamse haven.

De als megalomaan bestempelde en nimmer succesvol uitgevoerde uitbreidingsplannen van de Antwerpse haven zijn er de oorzaak van. Tel daarbij de aanleg van vier kerncentrales (Doel-1, -2, -3 en -4) op en het woongenot in Doel is verleden tijd.

Die kerncentrales gaan overigens om de haverklap dicht wegens storingen of vermeende risico’s, terwijl zo ongeveer om het Belgisch kabinet beurtelings besluit de vier centrales definitief te sluiten, dan wel de geplande sluitingsdatum weer voor tien jaar uit te stellen. Momenteel staat de deadline op 2025.

België was in 1967 met de planning voor het aanleggen van de Doel-centrales net iets eerder dan Borssele (besluit in 1969), maar onverwachte Nederlandse efficiëntie en vanzelfsprekend Belgisch gehakketak zorgden ervoor dat Borssele net iets eerder opstartte. Doel-1 en -2 in 1975, Borssele in 1973. Waarom twee van die energieparken zo dicht bij elkaar, met 9 miljoen inwoners in een straal van 75 km eromheen?

Het echte antwoord vind je niet op internet. Ik opper maar iets: België wilde, met Franse ruggesteun, niet alleen onafhankelijk zijn van Nederland, maar ook niet langer afhankelijk blijven van Nederlands aardgas, en kweekte met de centrales in Doel en Tihange een bron van eigen energiebehoefte.

Bedenk daarbij dat in België, net als in Nederland trouwens, begin jaren-’60 de kolenmijnen een voor een sloten en dat België door zijn ligging maar een relatief kleine kuststrook en dus ook een klein gebied aan territoriale wateren heeft, met alle gevolgen van dien voor de beperkte mogelijkheid van windmolens, getijdenenergie, maar ook boringen naar gas en olie. De recente Belgische plannen voor een energie-atol voor de Vlaamse kust zien er gelikt uit, maar België kennende zie ik het lijk al drijven. Bovendien kun je nu al op petities24.com bezwaar tegen de plannen maken. Die gaan dus ook al op niks uitdraaien.

Dat is de centrale kern van de zaak: Doel weg. Lillo weg. En Antwerpen zal het blijvend afleggen tegen Rotterdam. Daar zorgt de Hollandse VOC-mentaliteit wel voor – de pest voor de Belgen.

_________________________________
Vorig artikel: BELGIË SPOORT NIET
Volgend artikel: IK EEN BIETJE MEER ALS OUW 

VI donc

Aanvankelijk wist ik niet of ik me gestreeld of belazerd moest voelen, toen ik in de VI nr.46/2014 op blz. 75, onder de kop “Kille bedoening in Berlijn” opeens allerhande zinswendingen tegenkwam die ik o.a. HIER al twee jaar eerder uit mijn eigen pen had laten vloeien.
Na de opmerkingen van VI-hoofdredacteur Tom van Hulsen, die op mijn derde ophelderingsmailtje aan VI uiteindelijk wèl reageerde, wist ik het zeker: hier is gejat door redacteur Iwan van Duren.

Boze tongen beweren dat die wel vaker van andermans bordje eet, maar daarvan heb ik geen bewijs, behalve dan in dit geval. Van Hulsen komt niet verder dan “Ik heb de desbetreffende VI er even bij gepakt en ik begrijp nu dat het gaat om een bijschrift in een fotodocument dat we destijds publiceerden. In dit bijschrift (het behelst niet meer dan zo’n duizend lettertekens) zie ik inderdaad een paar overeenkomsten met uw tekst, maar het gaat dan puur om informatie die vrijelijk beschikbaar is en dus voor iedereen te gebruiken. Ik zie dan ook geen enkele reden dit als plagiaat te bestempelen. Het spijt mij dat er binnen VI niet eerder op uw mails is gereageerd.”
Fi donc, VI, fi donc.
Vergelijk beide teksten en oordeel zelf:

Ik schreef: Nederland had de DDR nog niet eens erkend; dat gebeurde pas begin 1973. Maar het Uefa-lot had begin 1970 toch twee Nederlandse clubs gekoppeld aan teams uit dat niet bestaande land. De ene moest het opnemen tegen Carl Zeiss Jena, voor Feijenoord kwam FC Vorwärts Berlin uit de koker.
VI schrijft: Nederland heeft de DDR nog niet eens erkend in 1970, toch moet er dan tegen een club uit dat land worden gespeeld.

Ik schreef: Geen wonder dat Coen Moulijn aan Ernst Happel had gevraagd hem alsjeblieft niet op te stellen, want voor voetbal van zijn soort was dit een absoluut onmogelijke ambiance.
VI schrijft: ‘Hier kan ik niet spelen, mijnheer Happel’. Zonder Coen Moulijn treedt Feyenoord tegen Vorwärts Berlin aan.

Ik schreef: om er nog het beste van te maken op een terrein dat in feite alleen nog maar geschikt was voor een demonstratiewedstrijd Grieks-Romeins worstelen voor pupillen.
Iwan van Duren maakt daarvan: een veld dat meer geschikt lijkt voor ijsspeedway.

Ik schreef: Het wegdek bestond overigens niet uit beton of asfalt, maar uit bakstenen klinkers en er gold over het hele traject van bijna 200 kilometer een maximumsnelheid van 60 km/u.
Iwan de Verschrikkelijke heeft niet goed gelezen; hij schrijft: De meegereisde fans hebben met zestig kilometer per uur over bakstenen snelwegen gereden.
Punt één: er was maar één snelweg/transitcorridor van Helmstedt naar Berlijn en punt twee: je mocht maar 60, maar we reden 80, zoals ik fijntjes uit de doeken doe in mijn artikel, met een kostbare bekeuring als gevolg. Goed spieken is een vak apart.

Ik schreef: In het uitvak (mocht het die naam hebben?) was het Legioen met zo’n 100 man aanwezig, voor alle veiligheid omringd door een veelvoud ervan aan Vopo’s. (…) Op deze wedstrijd waren nog geen 20.000 bezoekers afgekomen, ongeveer de helft ervan in Vopo-uniform.
In de VI wordt daar kortheidshalve van gemaakt: (De meegereisde fans) zitten nu tussen duizenden militairen te kijken (…)

Ik schreef: Zowel voor de wedstrijd als tijdens de rust reed een aantal Russische trucks het veld op, beladen met geel zand en strooizout dat door bereidwillige militairen over het veld werd verspreid. Dat moest de grond wat minder glibberig maken en was ook heel prettig bij slidings en zo. Misschien was het ook wel een idee van scheidsrechter Jones, die aanvankelijk het veld had willen afkeuren.
VI husselt wat en komt dan met: Als scheidsrechter Jones uit Wales de wedstrijd dreigt af te gelasten, komen er al snel vrachtwagens met strooizout en geel zand op het veld.
(NB: merk de fijnzinnige inversie op:  ”geel zand en strooizout” wordt “strooizout en geel zand”. Een stijlfiguur van waarlijk grote klasse!)

Ik schreef: In de tweede helft 1-0 door Piepenburg en een minuut later een rode kaart voor Piet Romeijn na een welgeplaatste maagstomp op diezelfde Piepenburg. Voor wat hoort wat. Verder geen noemenswaardige schade en twee weken later werd in Rotterdam met 2-0 het eindresultaat prettig omgebogen.
In de déjà-VI-versie wordt dat: Het duel eindigt in 1-0 voor de Oost-Duitsers. Piet Romeijn krijgt ook nog rood. Twee weken later wint Feyenoord met 2-0 in De Kuip.

Toch knap van de hoofdredacteur die de betreffende VI even erbij heeft gepakt en constateert dat er “inderdaad een aantal overeenkomsten met uw tekst” zijn.
Voor een betrouwbaarder en vooral origineler sfeerbeeld van die wedstrijd en wat zich eromheen afspeelde, sla ik mijn verslag toch net ietsje hoger aan dan het goedkope tweedehandsje van “niet meer dan zo’n duizend lettertekens” dat IvD gratis naar zich toe durfde te trekken. 

En over die quizvraag moet je zelf nog maar even nadenken. Misschien valt er een gratis VI-abo mee te verdienen.

 

 

 

 

 

Amper

Intrigerende observatie van Ronny Boogaart op blz.22 van zijn bundel Een sprinter is een stoptrein zonder wc (AUP, 2015), dat veel van zijn studenten, en zulks in toenemende mate, bij nauwelijks honderd denken aan 98 of 99, in plaats van het correcte aantal van 101 of 102. Blijkbaar dwingt de negatieve connotatie van nauwelijks tot een interpretatie van “net niet” in plaats van “maar net”.

Ik kan Boogaart geruststellen. Zijn observatie hoort niet thuis binnen het typisch domein van steeds slechter wordende studenten, noch is zij regionaal beperkt tot Leiden e.o. Bij nagenoeg alle Nederlands sprekende volwassenen aan wie ik de vraag voorlegde, kwam spontaan hetzelfde antwoord “net niet”.

We kunnen die misinterpretatie niet wijten aan de beginletter n van nauwelijks, want nauwelijks is niet de negatieve pendant van auwelijks, zoals nergens tegenover ergens staat en nooit tegenover ooit. Het moet louter en alleen zitten in genoemde negatieve connotatie, een overheersend beeld dat mensen erbij hebben, waardoor zij denken dat het genoemde aantal niet wordt gehaald. Boogaart heeft gelijk: als er nauwelijks tien studenten zijn geslaagd, dan overheerst het gevoel dat er dat maar bitter weinig zijn, zelfs al weet je niet hoe veel studenten er niet zijn geslaagd. Wel weet je dat het aantal niet-geslaagden groter zal zijn geweest dan een of twee, want het gebruik van nauwelijks impliceert een tegenvallend resultaat. Maar toch slaagden er 10 tot 12 studenten.

Ik kan Boogaart nog meer geruststellen. Leg aan degenen die bij nauwelijks honderd aan <100 denken eens de zin voor:

(1a) Ik was (nog maar) nauwelijks thuis, of het begon te regenen

Een van de kenmerken van zinnen als deze, luisterend naar de constructienaam balansschikking, is dat het linker lid, dus voor het voegwoord of, een negatie of negatieve gevoelswaarde moet hebben. Zinnen als

(1b) *Ik was al uren thuis of het begon te regenen

zijn niet gebruikelijk.

Ik schat dat iedere Nederlands sprekende bij het horen van zin (1a) zal interpreteren dat ik al thuis was, weliswaar nog niet zo lang, toen de eerste druppels vielen. Ergo: nauwelijks betekent (nog maar) net wel en dus niet: (nog maar) net niet. De negatieve lading van nauwelijks zit hem dus niet in het niet halen van het gewenste aantal of moment, maar in de korte ruimte tussen dat ijkpunt en wat daarna volgt.

Ook leuk is, als ik me niet vergis, dat nauwelijks in alle gevallen vervangbaar is door ternauwernood. Het is de vraag of dat woord in even grote mate wordt gemisinterpreteerd als net niet in plaats van maar net. Het zou me niet verbazen als die score gunstiger uitpakte.
Het omgekeerde lijkt mij overigens niet het geval: niet bij elk voorkomen van ternauwernood kun je nauwelijks invullen, namelijk in die gevallen waarbij de zin al een negatie of althans een negatieve lading herbergt (de vetgedrukte woorden):

(2a) Bij de lawine waren zij ternauwernood aan de dood ontsnapt
(2b) * Bij de lawine waren zij nauwelijks aan de dood ontsnapt
(3a) Door die nieuwe controlepoortjes had ik ternauwernood de trein van 8.19 gemist
(3b) * Door die nieuwe controlepoortjes had ik nauwelijks de trein van 8.19 gemist
(4a) Ondanks de KNMI-waarschuwing had het vannacht ternauwernood niet gevroren
(4b) * Ondanks de KNMI-waarschuwing had het vannacht nauwelijks niet gevroren

Er is nog een zogenaamd synoniem voor nauwelijks. Ik zeg zogenaamd, omdat echte synoniemen eigenlijk niet bestaan. Een wetmatigheid bij taalgebruikers is dat als twee woorden precies dezelfde betekenis en gevoels- en gebruikswaarde hebben of beginnen te krijgen, een van beide woorden ofwel van betekenis/gevoelswaarde verandert, ofwel het loodje legt. Zo kennen bijvoorbeeld de “synoniemen” fiets en rijwiel het verschil dat Tom Dumoulin wel op zijn fiets stapt, maar niet op zijn rijwiel, en dat je bij een medische controle wel “Dag dokter” kunt zeggen, maar niet “Dag arts”.

Het woord waarop ik doel, is amper. Jarenlang hield ik, tegen beter weten in, mijn leerlingen voor dat er maar vier echt origineel Nederlandse woorden bestaan: jas, pet, das en oorlog. Ik zei dat om de angst voor verengelsing van het Nederlands wat te relativeren: wij hebben bijna al onze woorden van over de landsgrenzen gehaald, zonder dat je kunt volhouden dat onze taal daardoor is verloederd. Maar amper hoort wel degelijk bij de oer-Nederlandse woorden. In het Frans, Duits en Engels spreek je van à peine, kaum en barely, alleen in Nederland en Vlaanderen heet het amper.

De herkomst van het woord is onduidelijk. Het grote Woordenboek der Nederlandsche taal blijft er wat vaag over; ook het Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche taal van Frank-Van Wijk somt heel wat suggesties op, maar blijft de herkomst “mogelijk, maar onzeker” vinden.

Amper is bruikbaar in bovengenoemde vier (a)-zinnen; bij zin (2b) heb ik mijn twijfels, maar (3b) en (4b) lijken mij niet geschikt om amper te bevatten.

Voor mensen als Ronny Boogaart en mij is er nog wel werk aan de winkel. Op mijnwoordenboek.nl vind je bij amper de omschrijving:

nog geen, bijna niet - ne… guère
- een kind van amper twee jaar - un enfant de même pas deux ans

Nog geen twee jaar dus; mij lijkt toch dat dat niet de correcte Franse vertaling is. Dit kind heeft onlangs nog twee kaarsjes uitgeblazen.

- Ik kan het amper geloven – J’ai de la peine à le croire

staat er dan als tweede voorbeeld bij. Je kunt het dus wel geloven, zij het met moeite.

Amper is net wel, op het nippertje, kantje boord, net als nauwelijks en ternauwernood, en niet een woord dat heen en weer zwalkt tussen nog niet en net wel, zoals mijnwoordenboek.nl suggereert, want bijna niet betekent net wel.

En dan heb ik het nog niet gehad over de bij dat lemma genoemde synoniemen voor amper: koud en schoonmaakmiddel. Klik daar maar op en je snapt er niets meer van.

Om met een omweg echter weer terug thuis te komen: in zin (1a) kun je nauwelijks inderdaad vervangen door koud:

(1c) Ik was koud thuis, of het begon te regenen

Maar die trouvaille heb ik niet van die site kunnen plukken.

 

 

 

Belgje pesten (1/3)

Dit is het eerste van een drietal berichten onder de kop “Belgje pesten”. Later volgen nog:
EEN KERNCENTRALE ALS DOEL en
IK EEN BIETJE MEER AS OUW.
Maar nu eerst BELGIË SPOORT NIET, over de Nederlandse ontwikkelingshulp ten behoeve van het Belgische spoorwezen.

 


Als je in Antwerpen-Klapdorp tramlijn 77 neemt naar Bergen-op-Zoom, de zgn. ABT-lijn (Antwerpen-Bergen op Zoom-Tholen), passeer je na zo’n 15 km het dorp Lillo. Daar, bij Blauwhoef, kun je overstappen op tramlijn 75 die je naar Fort Lillo brengt, gelegen aan de Schelde tegenover fort Liefkenshoek. Niet te verwaarlozen detail: lijn 77 is in 1960 opgeheven en lijn 75 een jaar later. En het dorp Lillo is al in 1958 geheel tegen de vlakte gegaan.

Er restte ons eind 2014 dus niets anders dan per auto van Antwerpen naar Fort Lillo te rijden, wat dan ofwel langs de Schelde-oever gaat met zijn schier eindeloze petrochemische industrieterreinen, imposant en angstaanjagend tegelijk, ofwel buitenom door de Liefkenshoektunnel à raison van € 6,00 per passage. Over dat Fort Lillo, dat nog bijna 10 jaar na de Belgische onafhankelijkheid krampachtig in handen van het Koninkrijk der Nederlanden werd gehouden, volgt een verhelderend relaas in het tweede deel van dit drieluik. Het is wel een bezoekje waard.

Op dit moment gaat het me echter over de Belgisch-Nederlandse ellende over het spoor. En mijn insteek is dat Nederland er van alles aan doet ervoor te zorgen dat België niet spoort. Het is puur toeval dat nu net de enquêtecommissie over het Fyra-debacle in de schijnwerpers is komen te staan, want eerlijk gezegd had ik dit artikel al eind 2014 willen publiceren.Tijdgebrek, niets anders.
Maar het Fyra-verhaal is een welkome aanvulling om mijn standpunt te staven: terwijl via de media de indruk is ontstaan dat Nederland door de Belgen voor een fait accompli was gesteld toen die “eenzijdig” de stekker uit het project trokken, blijkt uit de commissieverhoren eerder het omgekeerde: Nederland had al besloten te stoppen met de Fyra, maar stelde het betreffende persbericht op het laatste moment nog uit, te laat voor de Belgen, die de persconferentie met dezelfde inhoud al hadden aangekondigd. Daarmee kregen de zuiderburen de zwarte piet toegespeeld. Zoals wel vaker gebeurde in de geschiedenis van beide landen.

Rond het HSL-tracé, waarover die Fyra dus mooi weer had moeten spelen, speelt er nog iets wat mij uiterst verdacht voorkomt, maar waarover ik uit de pers weinig tot niets heb kunnen vernemen. Bekend is dat er voor het traject Rotterdam-Antwerpen twee varianten op tafel lagen: via Roosendaal of via Breda. België opteerde voor de eerste, Nederland voor de tweede variant, waarbij als argumenten staan genoemd de mogelijkheid een aftakking naar Breda te maken en een extra landschapsdoorsnijding te vermijden. Immers, het traject via Breda volgt grosso modo de al bestaande snelweg Breda-Antwerpen.

Kijkend op het kaartje valt er nog iets anders op. Het zwarte, uiteindelijk aangelegde tracé meet van Moerdijk tot de Belgische grens 26 km, en van de grens tot Merksem 35 km. Het gele, niet gekozen tracé is min of meer het omgekeerde: Moerdijk-grens 33 km en grens-Merksem 26 km. Was er Nederland wellicht iets aan gelegen “zo snel mogelijk” de HSL de grens over te krijgen, uit ongetwijfeld financieel-economische overwegingen? Nederland kon zijn gelijk doordrukken door de Belgen ƒ 823 miljoen te schenken ter compensatie voor de duurdere aanleg in Vlaanderen, maar wist natuurlijk ook wel dat eventuele vervolgkosten (onderhoud, calamiteiten, e.d.) op Brussels bord terecht zouden komen, niet op het Haagse. “Als den Ollander je niet bedondert, dan is hij het vergeten”, tekende ik in het kader van de berichtgeving over de enquêtecommissie op uit de mond van een Vlaamse geïnterviewde.
(Lees verder op http://nl.wikipedia.org/wiki/Hogesnelheidslijn_Schiphol_-_Antwerpen; kaartbron: “HSL4″ by OpenStreetMap contributors – openstreetmap.org. Licensed under CC BY-SA 2.0 via Wikimedia Commons – http://commons.wikimedia.org/wiki/File:HSL4.png#/media/File:HSL4.png)

Voor een tweede ontsporing tussen Nederland en België moeten we even terug in de tijd. Ik bezit de Kaart der Nederlandsche Spoorwegen en Tramwegen uit 1933, met op de achterzijde de Spoorwegkaart van Midden-Europa, behoorende bij den officieelen reisgids der Nederlandsche Spoorwegen (groote uitgave). Op die kaart is te zien dat er in 1933 welgeteld 23 railverbindingen waren tussen Nederland en België. Vandaag de dag zijn er dat nog twee: Roosendaal-Antwerpen en Maastricht-Luik. Als je wilt, mag je de Thalys-/Fyraroute er nog als derde optie bij rekenen.

De ABT-lijn Antwerpen-Tholen is dus verdwenen, evenals bijvoorbeeld de spoorlijn Tilburg-Turnhout. Ook niet-grensoverschrijdend is het armoe troef: als voor de NS niet-rendabele lijnen al niet worden afgebroken, degraderen ze tot toeristische/folkloristische attractie (wie herinnert zich nog het miljoenenlijntje in Zuid-Limburg) of worden ze “gegund” (alle NS-gesjoemel ten spijt) aan een commercieel investeerder, zoals de lijn Nijmegen-Boxmeer-Roermond, die nu nog wordt bereden door Veolia, het bedrijf dat hier in Frankrijk mijn leverancier van drinkwater is. Het lijkt net alsof je bij Van Gansewinkel je groenten en fruit moet gaan kopen.

Het is hier overigens geen haar beter: de spoorlijn Parijs-Basel bood tot voor kort een prima oost-westverbinding per SNCF-treinstellen. Sinds het TGV-netwerk ook in Oost-Frankrijk verder is uitgerold wil men mij de nog geen 200 km lange verbinding laten afleggen door eerst noordwaarts naar Nancy of Metz te rijden, dan wel zuidwaarts naar Dijon, en dan van daar per TGV-verbinding naar Mulhouse. Reistijd kan oplopen tot bijna 7 uur. Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer je de fiets had gepakt over de N19.

Net als in omringende landen is ook in Vlaanderen het railvervoer de afgelopen eeuw danig afgebrokkeld. Grotendeels is dat het gevolg van prioriteiten en minder prijzenswaardige visie van landelijke en lokale overheden (liever asfalt dan rails), waarbij de concurrentie van het busvervoer ook een rol speelt, alsmede twee oorlogen: in 1914 ging de grens tussen Nederland en België dicht en krap dertig jaar later had een buitenlandse mogendheid rails nodig voor andere doeleinden. Dat alles verzwakte de gezondheid van de toch al zo zieke patient deerlijk.

Talrijk zijn de klachten van Nederlanders die per spoor van bijvoorbeeld Rotterdam naar Antwerpen willen reizen. Een reistijd van 1½ uur heet “normaal”. De veel duurdere Thalys doet er een uur minder lang over. De nog geen 100 km kun je per auto binnen het uur afleggen.

In nauwelijks 2 uur rijd je met de auto van Maastricht naar Luxemburg. Over het spoor zit je die 200 km in een soort stoptrein die er rond de 4 uur voor nodig heeft. En wil je ergens anders vanuit Zeeland, Noord-Brabant of Limburg naar België, dan ben je op de bus aangewezen, als je geluk hebt. Eenentwintig grensoverschrijdende railverbindingen zijn voltooid verleden tijd.
Vroeger, ja vroeger, tussen 1982 en 2002, reed er de Ardennen-express van Zandvoort naar Luxemburg vv., gecombineerd met de Valkenburg express. Via Boxmeer, nota bene. Kon je, zij het alleen in de weekenden van juni, juli en augustus, eenmaal daags zonder overstappen naar en van Luxemburg sporen. En je fiets nog meenemen ook. Zie de nostalgische site daarover. Ik herinner me het nog vaag.

 

Nog iets verder terug in de tijd brengt ons bij de ontstaansgeschiedenis van de IJzeren Rijn. Laat Google er maar op los en je vindt van alles over de loop der dingen vanaf 1839 tot heden. Voor mij overheerst er in dit geval maar één Nederlands motief, zeker na de flop van de Betuweroute: België kan, mag en zal niet de concurrentiepositie van Antwerpen ten opzichte van Rotterdam versterken in de vorm van een railverbinding van de Antwerpse haven met het Roergebied. Onder meer in het kader van de (economische) Holland-promotie was in 1830 ook al de haven van Antwerpen door Nederland geblokkeerd, zoals dat eerder, en veel langer en drastischer, was gebeurd in het beruchte jaar 1585, bij welke gelegenheid de hier in de kop al genoemde forten Lillo en Liefkenshoek een voorname rol speelden.
Nederland had het bovendien al voor elkaar gekregen Staats-Vlaanderen, met de monding van de Schelde, als Zeeuws-Vlaanderen naar zich toe te trekken om zo nodig een beslissende rol te kunnen spelen bij de ontwikkeling van de Antwerpse haven. In feite is het meer recente gedoe, gekift, gebekvecht, gesjacher en handjeklap rond de Hedwigepolder daarvan een afgeleid gevolg.

Of het nu om scheepvaart- of railverbindingen gaat, voortdurend dringt zich de verdenking op dat Nederland er, zeker tegenover België, al eeuwenlang van alles aan doet de Hollandse economie op het rechte spoor te houden. De VOC-pestmentaliteit.

Mooie TGV-statie daar in Luik-Guillemins, by the railway. Was getekend: Calatrava.
En alweer kon Rotterdam niet achterblijven.

____________________________________
Volgende artikelen: EEN KERNCENTRALE ALS DOEL en IK EEN BIETJE MEER AS OUW

 

 

 

Homonieme Teletekst

Ik heb wel iets met Teletekst. Staat vol met achteloze klunzigheden of juist met wakkerschuddende trouvailles. Vandaag weer zo eentje: een homoniem van de bovenste plank. Met een verwijzing bovendien die het niet simpeler maakt.
En ach, hoe werkt dat: twee uur na publicatie van dit bericht was het homoniem verwijderd, maar de incorrete link stond er nog steeds. Ok, bij mijn Blatter-artikel duurde het drie dagen.

 

Ik snap Koenders wel. Klikkend op de link naar TT-pagina 104 is het duidelijk dat hij het zat was om tot driemaal toe te moeten rennen voor zijn leven bij de Jumbo in Groningen. Wellicht iemand uit Zwolle die uit onvrede met de verloren bekerfinale op 3 mei de omgeving van de Euroborg onveilig wil maken. Koenders neemt geen halve maatregelen. Uit onvrede neemt hij de wijk naar Moskou, of all places. Daar ontploft er tenminste nooit wat.

 

De Teletekstverwijzig naar 104 is gewoon een blunder, maar het homoniem is van grote kwaliteit: het woord uit kun je als voorzetsel en als werkwoord lezen, met ontleedconsequenties als gevolg.

Het doet met denken aan dat prachthomoniem waarover ik in 1975 al eens iets heb gepubliceerd in Spektator: SCHORT SLOOP NIEUWMARKT OP. Een hartekreet van de actiegroep Nieuwmarkt dan wel de titel van een angstaanjagend horrorverhaal.

Heerlijk, die homoniemen.