Goede voornemens

Aan veel van de traditionele goede voornemens rond het begin van het nieuwe jaar houd je niet meer over dan, bij gebleken mislukking, een gevoel van teleurstelling en diepe frustratie. … Zoiets als het Slowaakse ijshockeyteam U-20 in januari 2007 in Mora (Zweden), toen degradatie een feit bleek. Stoppen met roken, meer op de fiets gaan doen, je contacten niet verwaarlozen, gedurende 100 dagen zo min mogelijk restafval produceren (NOS-journaal, 30 december), …
Ik kom daarom met iets beters en wellicht ook haalbaars: het voornemen om een zuiver(der) taalgebruik te gaan hanteren.

Er gaapt een kloof tussen taalpurisme en verzorgd taalgebruik. Het eerste heeft een negatieve bijsmaak, terwijl het laatste kan rekenen op algehele instemming, al gaat dat niet op voor sms-taal en chatberichten. Maar in brieven (dat zijn handgeschreven of getypte papieren die je vroeger in een envelop stopte en dan met een postzegel erop ging posten, toen er in de buurt nog niet-afgeplakte brievenbussen waren), in e-mails, op forums of fora, maar ook bij het gesproken woord in gesprekken, op radio en tv, wordt doorgaans correct taalgebruik positief gewaardeerd. En je voorkomt er het risico mee dat je bij krakkemikkig taalgebruik je schrijfdoel niet zult bereiken, of het nu om een sollicitatie gaat of om welgemeend verspreide informatie. Als ik een handleiding of wervende tekst tegenkom die barst van de taalfouten, vertrouw ik de inhoud niet meer. Een solicitaciebrief die wemeld van de spelfauten haalt slegts het ronde archiev.

Ik trap af met zeven hoofdzonden. De haarziekte laat ik hier verder onbesproken, want die is in mijn betreffende artikel al voldoende voor het voetlicht verschenen.

 

  • dat-wat

Ooit, circa 400 jaar geleden, hebben grammatici bedacht dat het “het boek, dat…” is en “alles, wat…”; kortom: naar een onzijdig woord verwijs je met dat, naar iets onbepaalds, een ingesloten antecedent (“Wie zoet is, krijgt lekkers”; wie = hij die) of een hele zin met wat. Daarmee was dan ook meteen geregeld dat er betekenisverschil is tussen
(1a) Er kwam niet veel terecht van jouw nieuwste plan, dat mij hogelijk verbaasde.(ik was dus verbaasd over de inhoud van jouw plan) en
(1b) Er kwam niet veel terecht van jouw nieuwste plan, wat mij hogelijk verbaasde. (ik had dus verwacht dat het plan wel zou slagen)

Achter dit dat/wat-onderscheid gaat veel meer schuil. Het past in een eeuwenlange ontwikkeling waarin steeds meer d-woorden (daar, die, dat) het afleggen tegen hun w-variant (waar, wie, wat). En niet alleen in het Nederlands.
We komen die verschuiving tegen bij betrekkelijke woorden (daaraan, daarmee, enz. worden waaraan, waarmee, enz.). In de Reinaert, r.224-225 lezen we:
(2a) Die wisse daer die bake an hinc, becnause, so es so vet. Nu zou dat zijn:
(2b) Het touwtje waar de spek aan hing, knabbel eraan, het is zo vet.

Nog in de 17e eeuw zien we die gebruikt worden waar nu wie gangbaar is, bijvoorbeeld in Aran en Titus van Jan Vos (1661), r.120-121:
(3a) Is ‘t smeeken te vergeefs? zoo dient’er dan gewelt; want die te flaauw verzoekt, die leerd een ander weigeren. We schrijven nu:
(3b) Is ‘t smeken tevergeefs? dan dient er dus geweld; want wie te slap verzoekt, die leert een ander weigeren.

En het zou me niets verbazen als je in 19e-eeuws Vlaams, bijvoorbeeld bij Gezelle, ook nog zulke d-vormen tegenkomt.

De d->w-verschuiving is nog niet voltooid. Maar grammaticaal gezien is het vooralsnog incorrect te spreken van het eveneens door Hiemstra & Co gebezigde:
(4a) het hogedrukgebied wat boven Scandinavië ligt; en al helemaal:
(4b) het hogedrukgebied die boven Scandinavië ligt, ook dat presteren ze bij het achtuurjournaalweerbericht (op 2 jan.2015 deed Marco Verhoef het nog, die toch doorgaans verzorgd Nederlands spreekt en niet zo’n malle hockey-r uit zijn mond laat komen), al is dat een grove fout van een andere orde.
Zet Johan Cruyff een tijdje bij het KNMI en het wordt:

(4c) het hogedrukgebied wie boven Scandinavië ligt.

Van nieuwslezers en weerprofeten bij het NOS-journaal mag je, gezien hun kijkdichtheid en voorbeeldfunctie, wel een correcter taalgebruik verwachten; bij politici ben je wellicht al spontaan bedacht op onjuiste woordkeuze.

 

  • opdat-zodat, omdat-doordat

Nog meer dat-ellende. Het zijn bepaald niet alleen puristen die beweren dat taalverandering kan leiden tot taalarmoede. Het evidente verschil tussen opdat en zodat, parallel lopend met het verschil tussen omdat en doordat lijkt door velen niet meer te worden gekend, laat staan gebruikt. Toch is dat onderscheid tussen bewust en onbewust, tussen reden en oorzaak, niet zinloos:
Bij opdat en zodat is er het verschil tussen doel en gevolg, dus:
(5a) Ik nam drie treden tegelijk opdat ik eerder beneden zou zijn. (met het doel om…)
(5b) Ik nam drie treden tegelijk, zodat ik voorover viel. (met als gevolg dat…)
Mij dunkt dat het de moeite loont doel en gevolg niet met elkaar te verwarren of ze gemakshalve gelijk te schakelen. Bij kennelijke opzet keert de verzekering niet uit.

Doel is een bewust bedoeld gevolg; gevolg is een onbedoeld perongelukje.

Het onderscheid tussen omdat en doordat is van dezelfde categorie: bij omdat is er sprake van een reden (bewust) waarvan het genoemde het gevolg is:
(6a) Omdat er een regenfront nadert, kun je beter een jas aantrekken. (daaraan kun je dus wel degelijk iets doen)
Bij doordat is er sprake van een oorzaak (onbewust) waarvan het genoemde het gevolg is:
(6b) Doordat er een regenfront nadert, gaat het bij ons harder waaien. (niemand die daaraan wat kan doen)
Maar doordat verliest terrein, zowel bij politici (die er nooit wat aan kunnen doen), NOS-lieden (die er altijd wat aan kunnen doen) als bij gewone mensen (die er nauwelijks iets aan doen).

 

  • hen-hun

Misschien moet je daarvoor Latijn en Grieks hebben gehad, of anders toch minstens één jaar Duits. Een simpele wet luidt: aan hen is hun. Je dient hun dus alleen te gebruiken als het 3e naamval is, datief, meewerkend voorwerp o.i.d. In alle andere gevallen is het hen. Dus als vierde naamval, accusatief, lijdend voorwerp o.i.d. Dus:
(7a) Ik heb hun een mailtje gestuurd. (hun=aan hen)
(7b) Ik heb een mailtje naar hen gestuurd. (alle Nederlandse voorzetsels behalve te regeren de 4e naamval, dus hen)

Het ook buiten de voetbalretoriek populair geworden gebruik van hun als eerste naamval, nominatief, onderwerp o.i.d. (Hun hebben gezegd…) is weliswaar fout volgens de preciezen, maar de rekkelijken zullen wat inschikken en zich voegen naar wat ten ene male gangbaar blijkt te worden. Mijn weifelende overwegingen daarbij hebben overigens te maken met de wetenschap dat in Zuid-Nederlandse dialecten en in het Vlaams het goed mogelijk is een benadrukte vorm van zo’n eerste naamval juist uit te drukken door de vierde-naamvalsvorm te gebruiken (Den hèt mi da eiges gezeid = Hij heeft me dat zelf gezegd). In het Engels en Frans kennen we iets soortgelijks: het is niet: Who’s there? It’s I, maar It’s me. En niet: Qui est? C’est je, maar C’est moi. Leuk dat de aloude as Berlijn-Rome daar niet aan meedoet: Wer ist da? Ich bin’s (niet: Mich bin’s), en Qui è? Sono io (en niet: Sono me).
Aan hen is hun. Als je dat te moeilijk vindt, of geen zin hebt om je er druk over te maken, gebruik dan ze of die, dan ben je van het hele gedoe af.

 

  • hele

Het was een hele lekkere taart. Dat betekent dus, dat het een hele taart was die nog lekker was ook. Sinds het onderdeel woordgroepen in het taalonderwijs zo goed als afgeschaft is, weet er geen mens meer hoe die hele lekkere taart is opgebouwd. Welnu: in de woordgroep een hele lekkere taart is taart de kern, met een als tertiaire, deiktische voorbepaling en hele lekkere als primaire voorbepaling. Maar helaas is hele lekkere geen Nederlands. Die woordgroep heeft lekkere als kern en hele als voorbepaling, maar het woord hele staat niet in het woordenboek. Dat moet dus heel zijn (of erg of zoiets; bij tamelijk zou niemand zeggen: een tamelijke lekkere taart).
Dit nu kan tot spraakverwarring leiden. Een hele mooie voorzet slaat dus op een voorzet die compleet was, heel, en niet een halve voorzet die het midden houdt tussen een voorzet en een schot op doel, en die daar bovenop nog mooi was ook. Een heel mooie voorzet is een voorzet, van welke snit dan ook, die heel mooi was. Waarschijnlijk bedoelden de Arno Vermeulens dat laatste ook te zeggen.
Ik betrap mezelf erop dat ik de heel/hele-fout in het spraakgebruik ook wel maak, maar steeds zal ik dan subiet een autocorrectie toepassen en alsnog reppen van een heel geslaagde tekst.

 

  • diegene

Komt niet alleen voor bij meisjes onder de 18, maar wel vaak. Als ik antwoord stuur, dan vraagt diegene mij om mijn telefoonnummer te geven. Zoiets dus. Het is heel simpel: diegene gebruik je alleen als aanwijzend voornaamwoord dat verplicht wordt gevolgd door een specificerende bijzin. Dus altijd: diegene die... Nooit een zelfstandige diegene. Dan schrijf/zeg/mail je maar hij of zij of die, als je niet weet of het om een mannetje of vrouwtje gaat. Want dat vermoed ik achter dit bekrompen gebruik van diegene: je ontsnapt ermee aan seksuele voorkeur.

 

  • één van

Ik kan me vergissen, maar ik heb sterk de indruk dat de laatste jaren de populariteit van “één van onze …” sterk is toegenomen. U wordt zo spoedig mogelijk te woord gestaan door één van onze medewerkers. Zelfs aan de telefoon hoor je de streepjes op één.
Om twee redenen is dit volstrekte lariekoek. Op de eerste plaats (katholieke opvoeding; anders zou ik wel gereformeerd zeggen: in de eerste plaats) zijn die streepjes bedoeld om uitspraakverwarring te voorkomen. Immers, er is een evident verschil tussen:
(8a) Ik zal je nog een keer bellen. (ooit eens een keertje)
(8b) Ik zal je nog één keer bellen. (dreigement: eens maar nooit weer)

Vermoedelijk moeten we het lidwoord een beschouwen als het onbepaalde, en daarmee niet benadrukte telwoord 1, zoals de lidwoorden de en het ook de onbeklemde varianten zijn van die en dat. Daarover is vrij veel geschreven. Maar dat doet niets af aan het verschil tussen een en één.
In de constructie een van is het onmogelijk, althans niet waarschijnlijk, dat de lezer denkt aan “un van”. Er dreigt geen uitspraakverwarring, dus de streepjes op een zijn zinloos. Weg ermee.
Een tweede argument is van het kaliber communicatieve idioterie. Dacht u soms, in de wacht gezet à € 0,15 per minuut, dat u zoudt worden doorverbonden met TWEE van onze medewerkers? En dat daarom alvast de restrictie wordt ingebouwd dat u er echt maar eentje te spreken zult krijgen, als die d’r koffie op heeft?
Dat laatste is een onbewezen snier als gevolg van mijn laagste vermoedens: er zit daar maar één (1) onderbetaalde medewerker aan de telefoon die parttime werkt en een deel van die part ook andere zaken besteedt, zoals koffie drinken in de kantine. Die heeft de hoorn ernaast gelegd om niet helemaal hoorndol te worden van al die klachten.
Toch komt mijn verdorven mentaliteit niet helemaal uit de lucht vallen. In oktober al reserveerde ik bij booking.com een hotelkamer voor begin december in Fort Lillo (gem. Antwerpen; een apart artikel daarover: “Een Kerncentrale Als Doel” zit nog in mijn reactorvat). Maar goed ook dat ik er zo vroeg bij was, want de site meldde: Nog maar één kamer beschikbaar. Gauw boeken dus, om al die anderen voor te zijn. Nu wil het toeval dat booking.com onlangs op de vingers is getikt vanwege vermeldingen als deze, die bij direct contact met het hotel onwaar bleken te zijn. Onjuiste, ophitserige en dus ontoelaatbare klantinformatie. Bij aankomst te Fort Lillo kwam de aap uit de mouw: het etablissement verhuurde in totaal slechts één kamer, en niet meer. De melding “Nog maar één kamer beschikbaar” was dus op het nippertje niet onjuist, maar oogde desalniettemin wel misleidend. De streepjes op de e waren echter onvermijdelijk.

 

  • terugkomen op-van

Eigenlijk is dit iets voor de B-cursus voor gevorderden, als ik merk hoe zeer dit onderscheid niet wordt gerespecteerd.
Terugkomen op is iets herhalen; terugkomen van is iets terugtrekken.
Je komt dus terug op je eerdere toezeggingen als je die nog extra onder de aandacht wil brengen (dubbele attentie); je komt terug van je eerdere toezeggingen, als je die niet langer geldig wil laten zijn (nulattentie). Een niet geheel te verwaarlozen nuanceverschil. We mogen dan nog zo’n hekel aan voorzetsels hebben, soms zijn ze verantwoordelijk voor 180 graden betekenisverschil. Vertel mij wat.

Ongetwijfeld kan ik nog wel meer van deze taalkronkels bedenken, maar begin, in het kader van de goede voornemens, maar eerst met genoemd zevental. De rest komt daarna wel een keer.

 

 

Kerstroep-7: Sanctus-Benedictus-Agnus Dei

Ter afsluiting van de zevendelige serie over de Vianočná Omša van Edmund Pascha (of Juraj Zrunek) volgen hier nog enkele opmerkingen bij de laatste drie korte delen: het Sanctus (2’20″), het hiernaast afgebeelde Benedictus (1’10″) en het Agnus Dei (3’30″). Samen met de voorafgaande zes delen is de kerstmis daarmee wel voldoende belicht, hoop ik.

 

 

Het Sanctus is, wat oneerbiedig gezegd, een lappendeken van bekende motiefjes uit eerdere delen: in totaal tien secties (AH t/m AN), waarvan er eentje (AK) als een soort refrein viermaal voorkomt. Ik had het bij het Credo al over het begrip herhaling als bouwsteen van een muzikale compositie. Hier zien we dat in overmaat optreden, wederom niet als fuga, en ook niet als antifoon. Verder worden de delen enerzijds gemarkeerd door maatwisselingen: vierkwarts-, tweekwarts- en driekwartsmaat volgen elkaar vlot op, d.w.z. zonder ritardando’s. Anderzijds hebben we de inmiddels wel bekende taalwisselingen: naast de volledige Latijnse tekst (“Sanctus, sanctus, Dominus Deus sabaoth. Pleni sunt cœli et terra gloria tua. Hosanna in excelsis”) enkele korte Slowaakse frasen, kennelijk uitgesproken door de herders rond de kribbe: Refrein (Hosanna in excelsis); Ó, jak jest premilé, to dieťatko krásné, očičky spanilé, ústečká prejasné; refrein; Nadevšecko stvorení ozdobené; refrein; Jozef ho kolíbá, Matka jemu spívá; ‘in excelsis Deo’, húfové anjeliščí velkú radost drží; refrein.

(Nogmaals: voor een Engelse vertaling: zie de Zrunek-files.)

De allerlaatste maat van het Sanctus is wat merkwaardig. Venhoda’s manuscript, zie hiernaast, noteert tegelijkertijd een bes in de zangstemmen en een (herstelde) b in de orkestbalken; zie de rode pijltjes die ik erbij heb geplaatst.
In de door hem verzorgde uitvoering meen ik echter alleen de herstelde, lydische b als overmatige kwart te horen. Het zou me ook minder fraai lijken in een 18e-eeuws muziekstuk b en bes tegelijkertijd te laten klinken. Helaas is het er nooit van gekomen dat ik het met hem daarover kon hebben.


Het Benedictus (“Jen vokalně” = a capella = zonder instrumenten) is werkelijk een trouvaille van de bovenste plank. En nog niet eens zo makkelijk ook, want het is simpeler uit volle borst te zingen, dan heel zachtjes en toch met vaste stem en zuivere toon. De (hier uitsluitend Latijnse) tekst Benedictus qui venit in nomine Domini wordt gedomineerd door het woord benedictus waarvan de eerste lettergreep door de drie stemmen, sopraan, alt, bariton steeds wordt geëchood – een instinker voor het Nationaal Dictee!

We horen: bè, bè, bè, bè-nè-dic-tus, enkele malen achter elkaar. Er circuleren twee verklaringen voor deze merkwaardige passage. De eerste is dat het de weergave is van de schaapjes (wie heeft het over lammetjes met kerstmis?) die zich samen met de herders rond het kribje hebben geschaard. De andere komt voort uit de wetenschap dat de lokale bevolking uit voorzorg bij het ter kerke gaan het kwetsbare vee mee de kerk in nam, om te voorkomen dat het door wilde beesten, wolven, beren, of door naburige lieden met kwade inborst zou worden verscheurd of ontvreemd. In die optiek is het Benedictus een soort beurtzang, waar koor en veevolk elkaar afwisselen. Ik vind dat een verklaring die even plausibel als charmant is te noemen. En wat de waarheid ook zij, het Benedictus is een uniek stukje muziek.

Over herhalingen gesproken: het eerste deel AP van het Agnus Dei is een regelrechte herhaling van Q (qui tollis…) en van R (qui sedes…) uit het Gloria. En het daarop volgende stuk AQ (O, Beránku tichý…) is niet alleen qua melodie, maar zelfs ook qua tekst deels nagenoeg identiek aan een stukje Gloria, namelijk deel R. Zoiets verleent inderdaad wel enige consistentie aan de totale compositie, maar ik vind niet dat daarmee de cirkel rond zou zijn.
In het Agnus Dei zien we wederom een soort refrein (Dona nobis pacem), zoals dat ook in het Sanctus voorkwam. Maar nu is de opeenvolging der delen in mijn ogen ronduit rommelig. Afgewisseld door het refrein zijn het nog steeds de herders rond de kribbe die elkaar, en het ouderlijk paar, en tot slot nog God de Vader toespreken:

AP: Agnus Dei qui tollis peccata mundi.
AQ: O, Beránku tichý, kterýž snímáš hríchy, udel nám pokoja, bydlícím na zemi, neb si svjeta Pánem, kraluješ na nebi.
AR (refrein): Dona nobis pacem.
AS: Juž sa odbíráme, dalej ubíráme, prijdi k nám na hody, vína tobě dáme, demikát s kapustú tobě pripravíme.
AR: (refrein)

AT: Ješte jednu na rozchodnú, múj Juríčku, zahraj, potom ale pomaličky do domu sa zbíraj.
AR: (refrein)
AU: Na dobrú noc Ježiškovi, by mohel spáti, na gajdence jemu zahraj, však ti to on zaplatí.
AR: (refrein)

AR: (refrein)
AV: A ty, Jano starý, budeš ho kolébat, a ty, Mišo s Ondrejem, budeš jemu zpívat, mej se dobre, náš Ježišku, všecek roztomilý, juž se dalej ubíráme od tebe v tu chvíli. Ty, Matičko, tvého Syna, opatrne zhrívaj, ty, Jozefe to dieťatko bedlive zahrívaj.
AR: (refrein)
AW: Dona nobis pacem. (anders dan het refrein)
AX: Tobe Bože, budiž chvála na vjeky, žes nám poslal Syna svého z nebeskej výsosti.
AY: Dona nobis pacem. (anders dan het refrein en ook anders dan AW), gevolgd door nogmaals AY.

Mij kan het Agnus Dei maar matig bekoren. Geen verrassingen, wel veel van hetzelfde, en vooral een veel te rommelig geheel, meer dan dat ik dat ook al van het Sanctus vond.

In Kerstroep-1 had ik beloofd deze serie te publiceren “in de aanloop naar kerstmis 2014“. Dat is me in ieder geval gelukt, al weet ik dat er over deze mis nog veel meer te zeggen valt.

En mijn wens de hele partituur uit te schrijven is nog onvoltooid, om van een uitvoering nog maar te zwijgen. Maar van mijn interesse en algehele appreciatie van de Vianočná Omša heb ik waarschijnlijk wel ruim voldoende blijk gegeven. En met groot genoegen.

Fijne feestdagen.

_______________________________________________________
Vorige berichten:

Kerstroep-1: Jakub Jan Ryba
Kerstroep-2: Edmund Pascha (?)
Kerstroep-3: Pascha documentatie
Kerstroep-4: Kyrie
Kerstroep-5: Gloria
Kerstroep-6: Credo

 

 

 

 

 

Kerstroep-6: Credo

Het Credo is naar mijn mening het lastigste deel van Pascha’s kerstmis. Ook het deel dat de meeste extremen bevat. Het loopt, in de Venhoda-uitvoering van 16’40″ tot 26’20″ en is daarmee korter dan het Gloria. Maar wel ingewikkelder, zowel voor de luisteraars als voor de uitvoerenden, wat bijvoorbeeld al blijkt uit de vele dirigeer-aanwijzingen die Venhoda zelf in zijn handgeschreven partituur heeft aangebracht: “niet te snel”, “objectief gezongen”, “breeduit”, of het markeren van kennelijk onverwachte inzetten of noten van instrumenten. Zie het voorbeeld hiernaast.

Het in tien secties onder te verdelen Credo kent verschillende gezichten, van barok tot volksmuziek, van Latijn tot Slowaaks, van verrassend tot misschien wel saai. Ik heb de secties geletterd van X t/m AG (na Z volgt AA); Venhoda zelf nummert de secties, maar vergeet(?) af en toe die nummers te noemen: hij noteert uitsluitend 14, 16, 17, 18 en 22. Veel maakt dat niet uit, het zijn immers slechts regie-aanduidingen.

Het mijns inziens veel te lange deel X heeft de gebruikelijke Latijnse tekst: Credo in unum Deum, patrem omnipotentem, factorem cœli et terræ, visibilium et invisibilium. Credo in unum Jesum Christum, filium Dei unigenitum, et ex patre natum ante omnia sæcula. Deum verum de Deo vero. Genitum, non factum, consubstantialem patri, per quem omnia facta sunt. Dit dan in eindeloze herhalingen gezongen met eindeloos herhaalde muzikale motiefjes, lydisch en niet-lydisch, met voorspelbare harmonisatie en om de melodie heen dartelende fluiten en violen, evenzeer barokkerig te noemen als kenmerkend voor lokale volksdansmuziek. Maar op een gegeven moment heb ik het wel gehoord.

Erger nog, heel erg zelfs, vind ik de onbeholpen wijze waarop de Latijnse tekst onder de melodie lijkt te zijn gefrot. Elke dictie die bij de tekst zou horen door te klinken, ontbreekt ten ene male, alsof de componist een compositie klaar had liggen vooraleer te beseffen dat er ook nog tekst bij moest. Mogelijk vond hij de Latijnse tekstpassages (meervoud, want ook in andere delen van de mis bespeur ik deze tendens) van inferieur belang, had hij een sterke voorkeur voor de Slowaakse pastorella’s, en/of meende hij dat de kerkgangers van het Latijn toch niks konden bakken en alleen waren geïnteresseerd in teksten in hun moerstaal. Wie zal het zeggen.

Ik schreef dat het Credo een muziekstuk van uitersten was. Dat blijkt dan meteen uit het tweede deel, Y dus, met de tekst: Qui propter nos homines en propter nostram salutem descendit de cœlis, direct gevolgd door Ó! Božství veliké, což jest učinilo, což jest provinilo, že sa zimú trase v chlévje, žádný ho nelituje, proč pak ses’, Ježišku, kvítečku, tak velmi ponížil, že si spúsob služebníka za nás vzít umínil. Hij is van een tweekwartsmaat en F groot overgegaan naar een driekwartsmaat en c klein en componeert hier een juweel van een fragment, stemmige, sfeervolle barok, zoals we die ook bij Bach, Mozart en Vivaldi zouden kunnen tegenkomen.

Ik ben subjectief, ik weet het. Maar zonder mijn persoonlijke appreciatie zou ik me nooit zo intensief en zo lang, meer dan 40 jaar al, met deze mis hebben kunnen bezighouden. Laat mij tegelijkertijd boodschapper en bewonderaar zijn en laat een ieder er zelf van vinden wat hij vindt.

Uit het oogpunt van barokmuziek (en wederom van persoonlijke voorkeur) vormt Z het hoogtepunt van het Credo. Et incarnatus est de Spirito Sancto, ex Maria virgine, et homo factus est. Het is in deze passage dat het niet verboden is even aan Bach te denken, ook al benadert Pascha diens niveau bij lange na niet.

AA is een kort Slowaaks intermezzo, rustig en simpel. To pro naše telo, které zavinilo, pro pýchu stvorení, v chlévečku sklonený Búh narí. Daarna brandt het in alle hevigheid weer los met een plechtig, glorieus bijna (glorieus?) Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilato, passus et sepultus est. Dat is deel AB, gevolgd door een kort muzikaal intermezzo AC, uitmondend in een gezongen passage Protož jemu dekujme, na neho sa skladajme, který slivek, který hrušek, do vrecúška mu dajme, (een opsomming van te schenken gaven aan de pasgeborene), en vervolgens: Et resurrexit tertia die secundum scritpuras. Et ascendit in cœlum, sedet ad dexteram patris. Merk op dat hier de verhouding en correspondentie tussen Latijnse en Slowaakse tekst volstrekt zoek is: het kerst- en het paasverhaal lopen dwars door elkaar heen.

Een volgend extreem dient zich in AD aan: als een trompetsignaal in het leger, een alpenhoornsignaal in de bergen, galmt de zink enkele malen, met de basstem Et iterum als nagalm. De rest van de tekst (venturus est cum gloria t/m resurrectionem mortuorum) krijgen we geschonken. Alleen et vitam venturi sæculi. Amen hebben we nog tegoed. Hij is intussen weer teruggekeerd in F groot.

Wat die nagalm betreft: Pascha bedient zich uiterst frequent van de stijlfiguur herhaling. Ook al komt het nooit echt tot een fuga (te ingewikkeld voor de uitvoerenden? niet passend in deze context?) het herhalen van een motief door een ander instrument of een andere zangstem is evenzeer een barokkenmerk als de voortdurende versieringen door de bovenstemmen (fluiten en eerste viool) die aan de muziek iets frivools geven, een soort rijkdom toevoegen, en tevens beantwoorden aan hetgeen in de volksmuziek en bij de volksdansen in het Slowaaks-Moravische grensgebied zeer gebruikelijk was en misschien nog wel is. Dat die frivoliteiten niet bepaald stroken met delen van de tekst van Christus’ lijdens- en stervensverhaal, moeten we dan maar op de koop toenemen, al zegt het wel wat over de weinig charmante verhouding tussen tekst en muziek in de Latijnse delen.

We gaan afsluiten. AE is een regelrecht stuk volksdans, in tweekwartsmaat, getuige ook de tekst: hej, hej, hej, hej, hej, hej, že zas príde, beda nám, beda nám, súdit bude. Když prídeš súdit, Ježišku milý, nezapomínaj na nás v tú chvíli, odpust naše viny, zhlad nám všecky činy, zmiluj, zlituj se nad nami, chudobnými pastírami. Attaca, d.w.z. zonder pauze of tempowisseling, volgen deel AF (et vitam venturi sæculi. Amen) en een keurige Slowaakse uitleiding AG: Juž my sa zas, náš Ježišku, odbíráme, však pri tobě srdcá naše necháváme. Prijmi naše sprosté dary, které sme ti darovali a ze srdca odevzdali, chráň nás časne, spas nás večne, a po tejto smrtelnosti priveď nás všech do radosti, chráň nás časne, spas nás vječne. Opatruj, ochraňuj, nás, Ježišku,  waarin op Gods hulp en ontferming wordt gesmeekt.

Een stuk muziek vol extremen, zei ik. En vol gebreken en zwakke plekken, vind ik, die het verhinderen dat dit Credo een toppositie onder de composities zal innemen. Maar ook een stuk dat in mijn opvatting een aantal geweldige toppen bevat.

_______________________________________________________
Voor een Engelse vertaling van de Slowaakse en Latijnse teksten zie de zrunek-info; vertaling buiten mijn verantwoordelijkheid.

Vorige berichten:
Kerstroep-1: Jakub Jan Ryba
Kerstroep-2: Edmund Pascha (?)
Kerstroep-3: Pascha documentatie
Kerstroep-4: Kyrie
Kerstroep-5: Gloria
Volgend bericht:
Kerstroep-7: Sanctus-Benedictus-Agnus Dei