Montpellier

Het valt me, na een lang weekend Montpellier, niet mee een eenduidig oordeel over die stad te vellen. Deze achtste plaats van Frankrijk kent op zijn minst twee gezichten met de daarbij behorende contrasten: het voornamelijk 19e-eeuwse centrum en westen naast de hypermoderne uitbreidingen aan de oostzijde. Een city tour laat het je allemaal zien.
En heerlijk eten maakt het feest compleet.

In tegenstelling tot zo vele Franse steden, heeft Montpellier geen verleden uit de Romeinse tijd, maar ligt de oorsprong in de middeleeuwen. Het restant van het ooit 9 km lange aquaduct, l’aqueduc des Arceaux, dat water naar de stad moest voeren, is weliswaar in Romeinse stijl gebouwd, maar dat gebeurde pas in 1765. Tussen dit aquaduct en de Arc de Triomphe op de foto hierboven ligt de schitterende Esplanade du Peyrou, een brede allée waar menigeen graag loopt te flaneren.
Bijna heel het centrum van Montpellier ademt de grandeur van de 19e eeuw, zonder dat je het idee krijgt dat het vergane glorie is: de gebouwen zijn goed onderhouden, zoals de hele stad een schone en frisse indruk maakt. De stad, met zijn 260.000 inwoners zo’n beetje tussen Utrecht en Eindhoven in, heeft een bruisend hart en doordat ruim 20% van de bevolking uit studenten bestaat, is er, zeker in de zomer, een gezellige, actieve, bijna intellectuele drukte in het centrum. Een linkse stad ook, met 54 van de 65 gemeenteraadzetels in handen van socialisten, communisten, groenen en van alles wat het Front national (3 zetels) links gespuis noemt.
(Ik lijk nu wel een lokale VVV-folder over te typen, maar dat is niet waar: ik verwoord mijn eigen indrukken.)
Naast de genoemde Esplanade du Peyrou, is de Place de la Comédie een centrum van activiteit, gezellgheid en vooral veel horeca. Hier wordt, schat ik zo, in zulk een zomerweekend een miljoenenomzet gedraaid in de vele gelegenheden rond het eivormige midden van het plein waarop allerhande dans, acrobatiek en kinderspelen non stop gaande zijn.
Voor het behoud van je portemonnee en een veel betere service is het beter voor eten en drinken een van de steegjes in te gaan die op het plein uitkomen. En dan kan ik meteen een niet te missen hint geven: de Crêperie Le Kreisker in de Passage Bruyas, net achter het plein. Ik ben wel wat gewend, maar dit pannekoekenhuis overtreft alles. Zowel het brede assortiment aan crêpes, als de samenstelling en kwaliteit, gevoegd bij de uitstekende bediening (studenten, gokten wij) en de verrassend lage prijzen (zo rond de € 4,00 voor de meeste crêpes), laten een gevoel van grote voldoening achter. Ik koos voor een crêpe met frambozenvulling en slagroom, maar je kunt ook een van de 40 andere variëteiten kiezen.
Houd je het liever bij een voortreffelijke vleesmaaltijd, steek dan het plein over en probeer een vrij tafeltje te vinden (dat valt niet altijd mee) bij l’Entrecôte, een restaurantketen die in nog vier Franse steden een vestiging heeft. Niks geen menukaart: je krijgt een bord goede friet en een op een rechaud warmgehouden schaal met werkelijk malse plakken entrecote, overgoten met een uitgebalanceerde smurrie van boter, sjalot, peterselie, citroen en nog iets wat je niet mag weten, want dat is net zo geheim als de formule van Coca-Cola. De prijs van € 19,00 is het alleszins waard en daarbij steken de drankprijzen wat schril af. Drie euro voor een klein flesje 1664-bier (kost bij de Colruyt een paar dubbeltjes) dat dan ook nog eens godbetert in een Heinekenglas wordt geserveerd, en vier euro voor een glas witte wijn (in de winkel € 2,50 voor een hele fles) maken het niet aantrekkelijk eens lekker door te hijsen. (Plaatje heb ik van internet geplukt, maar het is wel correct.)

Ook interessant en voor mij al even onbekend, is het feit dat Montpellier voor een groot deel al vanaf de reformatie in de 16e eeuw een protestante stad is, althans een stad met een zeer grote protestante minderheid, met relatief weinig kerken, en al helemaal geen uitbundige barokke toestanden die het Roomsche verleden zo vaak symboliseren. Misschien is de stad ook wel eerder humanistisch dan Christelijk, los nog van mijn waarneming dat een groot deel van de bevolking uit Noord- en midden Afrika komt. Veel moskeeën heb ik trouwens ook niet weten te ontdekken.

Verlaat je het centrum en rijd je oostwaarts, dan doemt er een totaal andere wereld op. Onder meer op instigatie van de wel erg vooruitstrevende burgemeester George Frêche (1977-2004) is daar een aantal uitbreidingswijken gebouwd in hypemoderne, postmodernistische stijl, wijds aangelegd en bestemd voor onderwijs (universiteit, bibliotheek, scholen) en ontspanning (sport- en zwemfaciliteiten), voor overheidsdoeleinden, zoals het hier afgebeelde provinciehuis en het gemeentehuis en uiteraard voor winkelcentra.
Een van die wijken, Antigone, is helemaal ontworpen in (pseudo-) Griekse stijl, wat is terug te vinden in de architectuur en de straatnamen.
Oud-burgemeester Frêche, die de gemeentelijke ozb met 80% verhoogde om het allemaal te kunnen financieren (kom daar in Nederland maar eens om, maar er stond wel tegenover dat de leermiddelen op de lycea gratis zijn) heeft in ieder geval het genoegen gesmaakt dat er voor € 80.000 een bronzen standbeeld van hem is geplaatst voor het Lycée Georges Frêche, een school voor horeca- en toerismeopleidingen, ontworpen door de Italiaanse architect Massimiliano Fuksas, welk gebouw zich kenmerkt door de 70.000 driehoekige ramen (of zei de rondleidster nou 7.000?).

Het valt niet mee Montpellier in één woord te karakteriseren. Mocht je ooit eens die kant op gaan, oordeel en geniet dan zelf. Maar reis zeker niet, zoals wij, op een zwarte zaterdag in augustus. Uren file zal je deel zijn.

 

La Filature Magnier Aîné

Eigenlijk was het maar bijvangst.
Bij het samenstellen van mijn WO-I-publicatie stiet ik in de periode 1900-1920 herhaaldelijk op de Filature Magnier Aîné te Rosoy, bij ons net om de hoek op nog geen 100 meter.
Slechts heel weinig wisten de dorpelingen erover te vertellen. Dus maar zelf weer eens een onderzoekje gestart.

Ik wijd in mijn verhaal over WO-I ook een hoofdstuk aan het dagelijks leven in Rosoy in de jaren ruim rond 1914. Daartoe maak ik o.m. gebruik van de vijfjaarlijkse volkstellingen waarbij van alle getelde bewoners ook het beroep wordt vermeld. Zo viel het me op dat er tussen 1901 en 1931 nogal wat Roseaux werkzaam waren bij de Compagnie de l’Est, het spoorwegbedrijf dat de lijn Parijs-Basel exploiteerde voor de SNCF het in 1938 nationaliseerde, maar ook bij de Filature Magnier Aîné, de spinnerij-weverij langs het riviertje dat door Rosoy loopt (en daar nog net niet de Amance heet, overigens). Dat aantal werknemers (timmerlieden, technici, enz.) en werkneemsters (naaisters vooral) beliep soms wel meer dan 30. De rest van de bevolking was gewoon boer. Of cultivateur of viticulteur, want dat klinkt iets beschaafder.

Au Mouton Docile, prijkt er als devies boven alle verworven medailles. In het Makke Schaap, alsof je bij Het Hijgende Hert of De Rustende Jager binnenstapt. Of het vrolijke vee bewondert van de smeerkaas van La Vache Qui Rit.
Pleure pas, Grosse Bête! Tu iras chez J.L. Bailly, probeert deze slager annex traiteur uit het naburige Chalindrey er nog schaamteloos van te maken, Niet geweend, lekker zwijn, bij Bailly heb je ’t pas fijn, zoals er in Oost-Brabant en Noord-Limburg nogal wat veevervoerwagens rondrijden met lachende biggetjes erop – wie het laatst slacht, slacht het best. Goeie slager, overigens, daar niet van.

Het devies van het bedrijf, dat heeft bestaan van ±1860 tot ±1970, doet vermoeden dat er in hoofdzaak wol werd gesponnen en verder verwerkt, maar het was toch vooral katoen die werd gebruikt voor het weven van sokken, tricots, kleden en wat dies meer zij. Die katoen zal ongetwijfeld zijn geïmporteerd; Rosoy had immers sinds 1853 een Heusche IJzeren Spoorverbinding. Als het al niet katoen betrof die in het mediterrane gebied van Frankrijk werd verbouwd, dan toch zeker die uit de vele Franse Koloniën in Noord-Afrika. Wol en katoen; nog steeds tref je in de fabriek wat restanten ervan aan.

Het bedrijf ging uiteindelijk ten onder aan min of meer (achteraf) voorspelbare oorzaken:

  • de toenemende import van textielwaren uit lagelonenlanden, gevoegd bij de toegenomen transportmogelijkheden per spoor van ver weg, dus eenzelfde omgekeerd voordeel als bij de wijnbouw in de Haute-Marne
  • de opkomst van synthetische garens
  • de opkomst van winkelcentra en supermarkten bijvoorbeeld rond Langres, waardoor men de sokken goedkoper bij Leclerc of de Intermarché kon kopen
  • het plotseling overlijden van de eigenaar (vliegtuigongeluk bij Venezuela, begin jaren-’60) zonder opvolging. Daarna is er nog een periode van déstockage gekomen, waarin de liggende voorraden zo veel mogelijk werd uitverkocht.

Maar voor het zo ver was, vormde la Filature toch een sociaal-economische factor van belang in het verder zo agrarische dorpje. Het was de eerste, enige en tevens laatste fabriek in Rosoy die met machines werkte. Alle andere negoties dreven op handwerk. Die machines werden zeer lange tijd aangedreven door een stoommachine. Op de prentbriefkaart hier bovenaan zie je de bijbehorende lange schoorsteen met onderaan rechts een schuin afdakje. Daaronder bevond zich een ingenieus samenstel van wateraanvoer: uit een hoger lopend stroompje, inmiddels afgedamd wegens overlast en hygiënische bezwaren, stroomden vier kanaaltjes naar het fabrieksgebouw. Onder het afdakje zat een enorm groot houten schoepenrad waarop het water terecht kwam. Werd het rad in beweging gezet, dan schepten de schoepen water in de ketel binnen in de fabriek en kwam er witte rook uit de schoorsteen. Niet alleen maar wit overigens, als je naar de muur kijkt achter waar ooit die ketel stond te branden. Het toestel dat je midden op de foto ziet, is een soort blaasbalg die het vuurtje nog eens goed kon opstoken.

Al deze wijsheid heb ik opgedaan doordat ik eindelijk, na jaren van gedrentel en getreuzel, contact zocht met de huidige eigenaar van het hele pand, een achterkleinzoon of kleinzoon van de overleden laatste fabrikant Magnier. Een heel aardige man van een jaar of 35, die mij, blij als hij leek te zijn met de getoonde belangstelling, een dik uur rondleidde door het inmiddels aan verval, spinnewebben en onbetrouwbare houten vloeren onderhevige fabriekspand, de twee haaks op elkaar staande gebouwen achter het woonhuis op de voorgrond langs de straat. Een nauwelijks te omschrijven zooi van restanten, documenten, kisten, dozen, verroeste machines, religieuze afbeeldingen, lege flessen – kortom net zoiets als wij aantroffen toen we in 1998 ons huis kochten. Heerlijk, wat een onderzoeksdomein…
Hier zit een aparte publicatie in, probeerde ik mij niet in te prenten. Maar als een ander het wil gaan doen, verstrek ik alvast wel de nodige aanzet en informatie.

 

Uit een stoffig schap ergens onder een tafel haalde hij nog een paar lage sokken tevoorschijn.
“Hier”, zei hij, “nog helemaal nieuw. Moet tussen 1900 en 1910 zijn geweven. Kijk eens wat een kwaliteit. Neem maar mee”.
Van weven, haken en breien heb ik totaal geen verstand, maar kenners hebben inmiddels dit staaltje van weefkunst al geroemd. Die nog perfecte functionerende stretchboorden, gewoon één recht één averecht. Alsof dat zo logisch is als wat, na dik honderd jaar liggen niksen op het schap.

 

Misschien was ik nog wel het meeste verrast door zijn verhaal over het gebouwtje dat je op de luchtfoto hierboven rechts bovenaan nog net gedeeltelijk kunt zien staan. Magnier&Co waren niet alleen bij de tijd: al zeker tien jaar voordat er in Rosoy elektriciteit werd aangelegd, hadden zij al als eersten een telefoon- en telegraafaansluiting: Téléphone No 1, vermeldt de factuur uit 1930 trots, hetgeen al werd bevestigd in de telefoongids van de Haute-Marne anno 1914; als iemand in het dorp dus gauw een dokter moest hebben, vlug even naar de Filature om te bellen en dan kwam de dokter van ver wel aangefietst.
Maar de Magniers waren sociaal gezien hun tijd ook ver vooruit. Dat gebouwtje was ingericht, vermoedelijk na de aanleg van eletriciteit, als bioscoop, in principe voor het eigen personeel dat de op een witte muur geprojecteerde rolprenten kon aanschouwen, maar soms ook voor anderen uit het dorp, waarmee het nuttige met het aangename werd verenigd en de sociale band (met het bedrijf) danig werd verstevigd. Philips in het klein, met zijn POC, het Philips Ontspannings Centrum. Net als Philips: een staatje in de staat.
Het bouwsel ziet er nu uit als helemaal achteraan bovenstaande foto tussen het fabriekspand en het veldkruis: nagenoeg helemaal ingestort, slechts één muur gedeeltelijk nog overeind, en naar mijn inschatting ooit eens afgebrand.

 

Fabrice, de huidige eigenaar, komt nog maar sporadisch in zijn onroerend goed te Rosoy. Hij lijkt te twijfelen wat hij met het pand en de duizenden m² grond erachter aan moet. Restaureren is veel te duur, en waartoe ook? Een zinvolle bestemming moet eerst maar eens opdoemen. Een cultureel centrum? Op kosten van een bevolking die daarin nauwelijks geïnteresseerd lijkt? Een horecagelegenheid, waarvan er zo vele in de regio al binnen een jaar de deuren hebben moeten sluiten? Een kleinschalig bedrijvencentrum? De jeugd van Rosoy trekt weg naar de steden, waar het leven nog perspectief biedt.

 

Wie een betaalbare en nuttige bestemming denkt te weten, mag zich melden. De Van Nellefabriek is tenslotte ook aan de sloop ontsnapt.