La Grande Collecte – vervolg(2)

Ergens halverwege tussen Compiègne en Soissons ligt Vic-sur-Aisne, een stadje van rond de 1000 inwoners in ’14-’18, hier te zien op een Michelinkaart van ± 1912.
Uit zijn brieven en zakboekje blijkt dat Eugène Parisot daar van half februari tot eind juli 1915 gelegerd is geweest, en dat het daar toen geen prettig verblijf was, gelet op de voortdurende bombardementen. Het is ook de plek waar hij op 1 juni 1915 in zijn zakboekje zijn testament opstelde, dat ik eerder al heb getoond. Tijd om er ook een aangrijpende brief bij te gaan vermelden.

Uit zijn periode-Vic stamt ook bijgaande briefkaartfoto. Ik neem aan dat de fotograaf glasplaten gebruikte (i.p.v. een celluloid filmrolletje), en dat men op de in negatief afgebeelde foto met zwarte inkt het zichtbare bijschrift toevoegde, waarna de plaat in de drukkerij of donkere kamer op briefkaarten in positief werd afgedrukt. Het is goed te zien dat het niet meevalt met inkt op een glasplaat te schrijven.
In het kasteel van Vic was vanaf augustus 1914 een militair hospitaal gevestigd, dat echter in september door de Duitsers werd veroverd. Enkele weken later heroverden de Fransen het kasteel en het hele dorp weer. Ik schat dat de foto begin 1915 is gemaakt. Er valt veel op te zien. De huizen lijken nog intact te zijn, maar behalve militairen is er geen mens te zien. Ook van enige burgerbedrijvigheid (bv. rond de winkels rechts) is geen sprake. Wel wappert de Franse vlag van het gebouw links, dat niet het (huidige) gemeentehuis is. Als ik mij niet vergis, is de staande militair in het midden op de voorgrond Eugène Parisot. Dan moet de foto zijn genomen tussen 16 februari en 20 juli 1915, en wel in die eerste maand want daarna meldt hij herhaaldelijk dat het dorp eindeloos lang en zwaar wordt gebombardeerd. Zijn vertrek uit Vic in juli is dan ook meer een terugtocht dan dat de klus zou zijn geklaard.
De briefkaart is aan de achterzijde niet beschreven. Hij heeft dus niet ergens een kaart gekocht en die verstuurd, maar vermoedelijk een exemplaar van de foto (met hem er dus op) gekregen en die bij een van zijn brieven ingesloten, in de wetenschap dat zijn gezin hem wel op de voorgrond zou herkennen. Foto’s van verwoeste stadjes stuurde je niet naar het thuisfront.
Ik ben de foto nergens op internet tegengekomen; reden om aan te nemen dat het hier niet om een commercieel serieproduct ging, maar een uniek exemplaar, of in ieder geval een zeer beperkte oplage.

Zondag 23 mei 1915
Hoewel zijn zakboekje en veel van zijn brieven indrukwekkende passages bevatten, kan ik er de brief van 23 mei 1915 uitlichten die Eugène Parisot aan zijn vrouw en kinderen stuurde. Het is de meest aangrijpende van alle 180 brieven die ik heb getranscribeerd, vooral omdat het stilistisch gezien ook de best geschreven brief van allemaal is. Weliswaar vind ik het opvallend dat hij op 1 juni, in de diepste ellende, te Vic zijn testament optekent in zijn zakboekje (toen wist hij nog niet dat hij in 1916 in de Slag aan de Somme verzeild zou raken, die nog vele malen erger en bedreigender was), maar dat hij van die doodsangst in feite geen gewag maakt in zijn brieven – niet voor 1 juni en niet na 1 juni. Alleen de brief van 23 mei kunnen we, zij het achteraf, beschouwen als een hint dat het niet goed met hem ging. De vraag is hoe ze dat bij hem thuis zullen hebben ingeschat, want per saldo beklaagt, betreurt en bewondert hij alles en iedereen, behalve zichzelf.

Ik geef van die brief de eerste van vier pagina’s weer in diplomatische uitgave, d.w.z. zonder er ook maar een stipje of jota aan te veranderen. Ik ga de passage ook niet vertalen. Elke vertaling is een verarming. Als je al lezende niet goed snapt wat er staat, terwijl je toch over enige kennis van het Frans beschikt, dan is het raadzaam “op z’n Frans” hardop te lezen wat er staat (er is bv. geen uitspraakverschil tussen parti, partie en partit, of tussen deux, d’eux en d’œufs), want vaak hoor je dan wat hij bedoelde te schrijven.
Inhoudelijk één enkele toelichting: de bijstelling “fraire rouge” in de eerste tekstregel. Dat heeft me nogal wat hoofdbrekens gekost, maar na lange tijd, en met behulp van ouderen hier in het dorp en een Franse-taalforum op internet, kon ik het uiteindelijk plaatsen: Van Pinksteren tot en met Sacramentsdag (de 2e zondag na Pinksteren) vonden er in Rosoy en het naburige Hortes, net als elders in Frankrijk, religieus-feestelijke processies plaats. Alle straten van het dorp waren dan gepavoiseerd met guirlandes van bloemen, bloemenbogen over de weg, en zowel in de processie als vanuit het talrijke publiek op de trottoirs werden bloemen uitgestrooid. Op Sacramentsdag waren die in hoofdzaak wit, met Pinksteren rood, conform de liturgische kazuifelkleuren wit en rood. Dat verklaart “rouge”. Om “fraire” te kunnen verklaren, moet je een beetje plat kunnen praten en slecht kunnen spellen: het blijkt een wat fonetische variant te zijn van “férie” (van Lat. feries, “feestdag”, vgl. Duits Ferientag) en moeten we concluderen dat de uitspraak van “frairerouge” en “férierouge” kennelijk niet zo gek ver uiteen lagen. Een tweede mogelijkheid is dat het niet een variant is van férie, maar van frairie, een woord dat in diverse Franse regio’s schijnt voor te komen ter benaming van lokale (religieuze) feesten. In dat geval heeft hij dus alleen de tweede i vergeten te schrijven. Dit woord frairie wordt gemeld in het lokale spraakgebruik in Charante/Charante-Maritime en de Limousin – niet echt naast de deur.
De rest van de pagina lijkt mij wel voor zich spreken. 

Dimanche 23 Mai jour de la Pentecôte // Ma Chère Louise // Pentecôte fraire rouge deja la! et toujours // pas plus avancé; les heures, les jours, les semaines // les mois se succedent, et rien! toujours rien! ah // que cest donc long oui bien trop long // Trop long pour vous pauvre femmes de Françe // qui reste seul au pays avec un courage admirable // remplacez les absents, Trop long pour tous ces // pauvres vieux qui ont repris le collier du // travail et qui assure avec resignation lexecution // du travail quotidient, Trop long pour ces jeunes // qui ne sont pas encore assez robuste et qui // neanmoins travaille resolument telle ma grande // Solange. Trop long pour tous ces pauvres // petits qui sont privé du necessaire Mais bien // trop long surtout pour ceux qui aurons perdu un // des leurs, un père, un mari, un frère, puis egalement // pour ces pauvres estropié ceux qui leurs manque // un membre, et enfin trop long pour nous // defenseur de la Patrie et cependant tous ont obei // on se resigne il le faut cest la guerre // 

_________________________________
Vorige berichten:
http://nardloonen.nl/2013/11/27/la-grande-collecte-1914-1918/
http://nardloonen.nl/2013/12/11/la-grande-collecte-vervolg-1/ 

14 juillet

Het zingen van de Marseillaise bij de jaarlijkse kranslegging op 14 juli behoort tot het vaste repertoire van de viering van de Franse nationale feestdag. In Rosoy gaat dat meestal gepaard met een optreden van de regionale harmonie die dan een goedbedoelde kakofonie van dissonanten ten gehore brengt waarvan de aanhef aan die van de Marseillaise doet denken, maar het nationaal bewustzijn poetst die smetten wel weg. Dit jaar ging het een beetje anders, maar het bracht mij wel op een overvloed aan gedachten en bedenkingen, daags na het WK in Brazilië.

De standaardroutine is dat de maire délégué (de sub-burgemeester van een deelgemeente) een ingepakte bos bloemen bij het oorlogsmonument legt, vervolgens een toespraak houdt die hem vanuit Parijs is toegestuurd en waarin de vrijheid en de heldhaftigheid der Fransen wordt geroemd, gevolgd door een oproep tot vrede, waarna de Marseillaise te gehore wordt gebracht met de zin “aux armes citoyens” (“burgers, te wapen!”), aan de voet van het monument ter nagedachtenis aan hen die vielen. Heel vanzelfsprekend is dat niet, net zomin als “van Duitschen bloed” dat is.

Dit jaar waren er slechts 17 stuks publiek aanwezig. Ik was een der jongsten, twee bij hun grootouders gedropte kleinkinderen daargelaten. De loco legde de bos bloemen bij het monument en verontschuldigde zich bij het saamgestroomde publiek voor het feit dat er geen toespraak was en ook geen fanfare, zoals hier op de foto in 2000 nog wel het geval was, inclusief de vendelier-veteranen uit de eerste, tweede of weet ik welke Franse oorlog. Tot mijn verrassing zette een bejaarde de Marseillaise in en zong iedereen het lied helemaal uit, beter dan de harmonie het had kunnen doen klinken. Klasse. Daarna toog een ieder, zoals te doen gebruikelijk, naar de salle des fêtes om er een aantal glazen nepchampagne+crême de cassis achterover te slaan (half twaalf ’s ochtends) met wat borrelnootjes en vrolijk keuvelend de feestdag het nodige cachet te geven.

Ik heb iets met nationale volksliederen. Mijn PSP-gedachtengoed, waarbij de wenselijkheid van het begrip “nationale staten” nogal in twijfel wordt getrokken ten spijt, krijg ik rillingen bij heel wat van die muzikale producties. Dat kan het Braziliaanse volkslied zijn (“het enige waarin Brazilië goed was dit WK”, orakelde Hugo Borst in Studio Brasil, nadat hij het furieus meezingende Braziliaanse mascottemeisje volstrekt ten onrechte had gedegradeerd tot een Noord-Koreaans geïndoctrineerd wicht), of het Zweedse, dat wij nu dus niet te horen kregen, maar dat toch een imponerend prachtlied is, of Buffon op de manier waarop hij zijn Italië-gevoel tot uiting brengt (dan zou je eigenlijk nooit kunnen verliezen). Spanjes Marcha Real (muziek uit 1770) heeft opmerkelijk genoeg geen tekst, al is dat niet zo vreemd als je bedenkt dat El Caudillo Franco het lied in 1942 per decreet tot volkslied heeft gebombardeerd. Nou ja, wereldkampioen Duitsland doet het nog steeds met het tweede couplet van het imperialistisch-fascistische Deutschland, Deutschland über alles, reden waarom ik daarbij ik nu nog steeds grimmig het tv-geluid uitzet.

Ook Argentinië lijkt niet over een tekst te beschikken. Iets wat overigens niet juist is, want er is een officiële tekst van 9 coupletten, geschreven in begin 19e eeuw door Vicente López y Planes: “Oíd, mortales, el grito sagrado: ¡Libertad! ¡Libertad! ¡Libertad!” (“Hoort sterfelijken, de heilige roep: Vrijheid! Vrijheid! Vrijheid!”), maar in de feitelijke uitvoering wordt het tekstloos uitgevoerd en weet het Argentijnse publiek er een vrolijk la-la-la-festijn van te maken. Het heeft hen tot in de finale gebracht.

Huiskamerantwoord: de drie landen die een volkslied in mineur hebben zijn Turkije, Israël en Roemenië. Dat viel mij toevallig vele jaren geleden op toen ik bij een interlandwedstrijd Cristian Chivu met volle overtuiging zijn (nieuwe, na Ceauşescu) volkslied echt in trance zag meezingen, maar wel in mineur, dus het werd een verloren wedstrijd.

De Marseillaise dus, want het is hier quatorze juillet.

Voor mij is Frank Snoeks, wiens taalgebruik, humor en vakbekwaamheid graag de mijne mochten zijn, veruit de beste NOS-commentator, op de voet gevolgd door Jeroen Grueter, al is het allen maar omdat die ook nog eens goed thuis is in ijshockey. Dan een hele tijd niks en ergens onderaan (van het niveau Leo Oldenburger, die ons haarfijn de namen van de spelers weet te noemen die aan de bal zijn, maar waarvan wij het rugnummer ook allang hebben gezien – vergelijkbaar met het provinciaal niveau van Gerrit Hiemstra die ons bij voorkeur trakteert op foto’s en feiten uit het noorden des lands, waarna een slap aftreksel volgt van het weerbericht van Omrop Fryslân) bungelt Arno Vermeulen. Hem siert het dat hij heel goed zijn huiswerk doet en blocnotes vol met aantekeningen heeft volgekladderd om zijn commentaar op te leuken. Dat verraadt kwaliteit, maar helaas gaat het ten koste van zijn wedstrijdcommentaar, waardoor hij handsballen verwart met buitenspel, de verkeerde naam bij spelers noemt en hij zich, klap op de vuurpijl, vergallopeert aan de Marseillaise.
We noteren 15 juni, Porto Alegro, Frankrijk-Honduras. Met een hoop aplomb laat Arno Vermeulen ons merken dat hij zijn voorwerk heeft gedaan: we krijgen voorafgaand aan de wedstrijd een bewonderenswaardig en langdradig exposé over de Marseillaise. Dat het een oud Frans strijdlied is, maar dat het eigenlijk een Russisch revolutionair lied is dat voor het eerst te horen was in Tsjajkovski’s Ouverture 1812 n.a.v. Napoleons veldtocht tegen Rusland. Boeiende info, zo vlak voor een voetbalwedstrijd. En bovendien volstrekt onjuist: de muziek stamt uit 1792 en werd gecomponeerd door Claude Joseph Rouget de Lisle als strijdlied voor het Franse Rijnleger.

Om het drama te vervolmaken: in zijn ijver zijn pseudokennis met ons te delen, ontgaat Arno Vermeulen compleet de onvergeeflijke FIFA-blunder dat de organisatie vergeet de volksliederen van Frankrijk en Honduras überhaupt ten gehore te brengen. De in slagorde opgestelde spelers sjokken ten einde raad maar naar de middenstip en Vermeulen heeft niks in de gaten. Had hij zijn oortje uitgezet, in plaats van zijn microfoon?