Cookies (2)


Ruim een jaar geleden benaderde ik de NOS met een op zich niet zo vriendelijk verzoek iets te doen aan hun eis cookies verplicht te accepteren. Zie hier voor dat artikel.

Inmiddels heeft de NOS het beleid in die zin aangepast, dat je er nu kunt kiezen tussen “standaard”, dat is: met doorsluizen van gegevens naar asocial media en Ster-advertenties, en “aangepast”, waarbij die twee greedy instituties zouden zijn uitgeschakeld. Het begin van een verbetering.
Tijd om nu ook maar eens De Volkskrant aan de tand te voelen.

Ik ben, om geografische redenen, geabonneerd op de digitale editie van de Volkskrant. Ik heb dan, zij het met nogal wat onprettige haken en ogen, dagelijks toegang tot die krant.
Vanaf zeker moment (“nationale wetgeving”) moest ik cookies accepteren om überhaupt te kunnen inloggen op mijn betaalabonnement. Niks geen keuze, slikken of stikken. Een wurgcontract dus.

Een verdacht lange tekst van ‘sVolkskrants privacybeleid ademt de geest die we eerder al van Colijn kenden: “Ga maar rustig slapen” (maart 1936). Maar gelukkig eindigt de privacyverklaring met de slotopmerking “Mocht je nog vragen en/of opmerkingen hebben, neem dan contact op met privacy@persgroep.nl. Waarom dus niet op die uitnodiging ingegaan?

16 mei 2014: Ik heb er al vaker over gemaild, maar nimmer een antwoord ontvangen.
Ik heb de grootst mogelijke bezwaren tegen het cookiebeleid van De Volkskrant. Ik wil er niet voor betalen dat gegevens van mij of mijn internetgebruik door jullie worden gebruikt ten gerieve van asocial media. Ik wil, net als dat bij andere sites mogelijk is, toch minimaal de keuze krijgen uit “functioneel”, “beperkt” of “volledig”. Bij De Volkskrant krijg ik die keus niet, en voel ik me verkocht.
Krijg ik nu wel een keer antwoord?

16 mei 2014 (5 uur later): Geachte heer/mevrouw Loonen,
Hartelijk dank voor uw bericht.
Onze website maakt gebruik van cookies en dat is altijd al zo geweest. Alleen is onze website sinds kort wettelijk verplicht toestemming te vragen voor het gebruik van cookies en soortgelijke technieken en bezoekers te informeren over het gebruik daarvan op de site. Als u hiervoor toestemming geeft dan kunt u voortaan zonder deze melding onze websites bezoeken.
Helaas kunnen we onze website niet tonen zonder het gebruik van cookies. U zult dus altijd de cookies moeten toestaan indien u de content van onze nieuwsberichten, archief of digitale krant wilt lezen.
Het gebruik van cookies is veilig. Er kan geen persoonlijke informatie, zoals een telefoonnummer of een e-mailadres, uit cookies worden herleid. Daardoor kunnen cookies ook niet worden gebruikt voor e-mail en telemarketing acties.
Met vriendelijke groet,
Addy Van Harskamp
Lezersservice

Toestemming? Het is nog erger dan aan de kalkoen vragen hoe zij met kerstmis wenst te worden opgediend.
Helaas? Een betreurenswaardige technische deficiëntie of incompetentie bij de VK-redactie?
Veilig? Zei Colijn dat in 1936 niet ook?
Voortaan zonder deze melding? Ik moet, helaas, bij elke keer inloggen apart klikken op de gifgroene “GA VERDER”-knop. Doe ik dat niet, dan beschouwt VK dat als “wie zwijgt, stemt toe” en accepteer je noodgedwongen alles. Keuze dus uit JA of JA.
Geen persoonlijke informatie? Soms ook niet mijn IP-adres?
Mijn vraag/verzoek? Blijft helaas onbeantwoord.

Herkansing dus.

16 mei 2014 (nog eens 5 uur later): Geachte heer/mevrouw Van Harskamp,
Uw onderstaand non-antwoord is geen antwoord op mijn vraag.
Uiteraard ben ik woest voorstander van een wereldwijd verbod op het gebruik van cookies, maar daarvoor moet ik niet bij u wezen.
Mijn vraag was of De Volkskrant aan betalende abonnees de mogelijkheid wil bieden te kiezen tussen “functioneel”, “beperkt” of “volledig” toestaan van cookies, zodat ieder kan bepalen of asocial media hun gretige blikken ongewenst kunnen werpen op privé-bezigheden en er liefst financieel gewin uit kunnen halen. De NOS en De Telegraaf bieden die mogelijkheid wel, waarom een gerespecteerd instituut als De Volkskrant dan niet?
Dat uw antwoordmail bovendien nog eens van een noreply-adres afkomstig was, is ook al geen aanbeveling.
Dr. L.J.M. Loonen (abonnee sinds 1968!)
 
Lang weekend. Niemand op de afdeling. Cookies knabbelen verder aan mijn privacy.
21 mei 2014: Geachte heer/mevrouw Loonen,
Nogmaals hartelijk dank voor uw bericht.
Naar aanleiding van uw toelichting hebben wij navraag gedaan over de mogelijkheid om op www.volkskrant.nl een onderscheid te maken in de mate waarin cookies worden toegestaan. Wij hebben bericht gekregen dat er geen plannen zijn om de huidige stand van zaken aan te passen.
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
Daniëlla van den Ham
Lezersservice
Laten we aannemen dat noch Van den Ham, noch Van Harskamp in dit soort zaken beslissingsbevoegd zijn, maar dat dat aan een hoger echalon is voorbehouden. Het uitgesproken vertrouwen is niettemin volstrekt misplaatst.
Een oproep derhalve aan ieder die zich aan dit soort wurgcontracten stoort, in de pen te klimmen en het ongenoegen onverholen en ongezouten te bestemder plekke te deponeren. Zegt het voort.

De band lek

In aanvulling op en ter verduidelijking van wat ik in een eerder artikel heb bijeengeschreven over de datief, wil ik hier even stilstaan bij het proefschrift van Cornelis van Bree uit 1981, getiteld “Hebben-constructies en datiefconstructies binnen het nederlandse taalgebied”. Een werk dat om een aantal redenen de moeite van het beschouwen waard is.

Hij hangt een groot deel van zijn studie op aan een tweetal zinnetjes, zinstypen bijna:

(1) Ik heb de band lek
(2) De oren zijn hem bevroren.

Van het eerste type stelt Van Bree dat het correspondeert met wat Den Hertog1) een ‘bepaling van gesteldheid van de tweede soort’ noemt, een dicht tegen het naamwoordelijk deel aanschurkende bepaling. Ik vermeld wel even met nadruk dat Den Hertogs tweedeling van de bepaling van gesteldheid een andere is dan die we bij Van den Toorn2) aantreffen. De band lek is in termen van Van den Toorn een bepaling van gesteldheid van de eerste soort, de zgn. predikatieve toevoeging.

Van het tweede type stelt Van Bree dat er sprake is van een possessieve datief (PD). Die komt geheel overeen met wat in mijn eerdere artikel als 4e gebruiksmogelijkheid staat genoemd: Nu is me de buit ontglipt.

Van Bree beweert, in zijn 3e stelling, dat beide constructies (dus: bv. Ik heb de oren bevroren naast De oren zijn me bevroren), ondanks allerhande overeenkomsten door de tijd heen zowel als in de geografische spreiding toch moeten worden beschouwd als essentieel verschillende constructies. Ik ga hier niet dieper in op zijn motieven die tot die stelling hebben geleid.

Een groot deel van zijn onderzoek betreft de taalgeografische spreiding van de diverse vormen en vormvarianten in het Nederlandse taalgebied. Daartoe heeft hij tal van enquêtes uitgevoerd die uitmondden in zgn. synthesekaarten: kaarten van het Nederlandse taalgebied, d.w.z. Nederland plus Belgisch- en Frans-Vlaanderen, met als zuidgrens een lijn die grofweg horizontaal loopt van Duinkerken tot Maastricht. Een voorbeeld van dergelijke kaarten heb ik gepresenteerd in mijn artikel over spijbelen. Op die kaarten heeft hij ingetekend waar in welke frequentie een bepaalde vorm voorkomt/acceptabel wordt geacht. Om redenen van copyright beeld ik daarvan hier geen voorbeeld af.

Wat we wel kunnen constateren is dat genoemde zinstypen als (1) en (2), als ook zinnen van het type (3) Hij kocht zich een boek het meest frequent voorkomen in een sikkelvormig gebied dat loopt van de Waddeneilanden, eventueel met inbegrip van de kop van Noord-Holland, langs de oostgrens tot in Limburg en dan verder langs de zuidgrens tot in Frans-Vlaanderen. Eigenlijk dus overal in de Nederlanden behalve in het overgrote deel van Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Zeeland, kortom in de gebieden die de bakermat van het ABN vormen. Dat verklaart dan ook dat veel van de besproken zinsvormen en -varianten door randstedelingen als ‘vreemd’, ‘dialect’ of nog iets subjectiever ‘provinciaals’ worden beschouwd. Alhoewel: zinnen als Ik heb er de buik vol van (type 1), Nou breekt me de klomp (type 2) en Hij wist zich geen raad (type 3) lijken mij toch allerminst wendingen die zijn voorbehouden aan plattelanders of Belgen.

Aan het einde van zijn proefschrift maakt hij ook melding van vergelijkbare enquêtes in het aan Nederland grenzende westelijke Duitse taalgebied en in het zuidelijk van de Vlaamse gebieden gelegen Franse taalgebeid, dus het Waals en het standaard-Frans. Dat laatste is voor mij weer heel interessant. Weten dat J’ai le ventre vide (“Ik heb de maag leeg”) en J’ai les poches pleines (“Ik heb de zakken vol”) zeer gangbaar Frans zijn, evenals het 2e zinstype: Je lui ai cassé le bras (“Ik heb hem de arm gebroken”) en La barbe lui pend jusqu’à terre (“De baard hangt hem tot op de grond”) is voor mij zinvolle informatie. Education permanente, zogezegd, al is die term eerder Waals dan Frans.

Het proefschrift van Cor(nelis) van Bree, dat tot mijn verbazing niet vermeld staat bij dbnl.org, is sporadisch nog wel antiquarisch te vinden. Zoals voor alle dissertaties geldt: een lekkernij voor wie er zich heel grondig in wil verdiepen.

___________________________________________
Noten:

1) Hertog, C.H., den, Nederlandsche Spraakkunst. Amsterdam :  W.Versluys. 2e druk 1903. Eerste stuk: De leer van den enkelvoudigen zin, p.125 e.v.
Ook te vinden in Hertog, C.H., den, Nederlandse Spraakkunst. Inl. en bew. door H. Hulshof. Amsterdam :  W.Versluys. 3e bewerkte druk 1973. Eerste stuk: De leer van de enkelvoudige zin, p.125 e.v. (ISBN 9024907209)

2) Toorn, M.C. van den, Nederlandse Grammatica. Groningen : Wolters-Noordhoff. 9e herziene druk 1984, p.48 e.v. (ISBN 9001869971)

Vide-grenier 2014

Op 18 mei was het weer zo ver:
de jaarlijkse vide-grenier in Rosoy. Een mengelmoes van sociale onderonsjes en van je oude spullen zien af te komen. Stralend weer, weinig wind en redelijk warm, dit keer, zodat we zonder problemen met onze handel op straat konden staan, in plaats van binnen in de garage, zoals vorig jaar.

Heel veel valt er in Rosoy niet te beleven: elk jaar met 14 juillet wat festiviteiten die beginnen bij het Monument aux Morts (14-18), een bos bloemen leggen en naar de lokale fanfare luisteren met een uitvoering van de Marseillaise in zeer wisselende kwaliteit, en vanaf dan tot diep in de avond bijeen aan lange tafels om oeverloos lang te eten en te kwebbelen en alles met geestrijk vocht te bedruppelen.
Daarnaast organiseert Rosoy jaarlijks een vide-grenier, een soort brocante, net als zeer veel steden en dorpen in de wijde omgeving. In Rosoy valt dat meestal op een zondag rond half mei. De oorspronkelijke bedoeling is dat je oude troep van zolder gaat opruimen en die op straat voor afbraakprijsjes te koop aanbiedt. Er zijn, onder de ± 50 exposanten, echter ook professionals die aan ambulante handel doen en er is de onontbeerlijke centrale plek, buffet/buvette genaamd, waar vanaf halverwege de ochtend tot in de avond het frietvet walmt, de barbecue hevig staat te roken, de fusten zijn aangeslagen en de kurken van de flessen gaan.
Vaak, niet altijd, is de friet slap en nog kleddernat (maar de mayo is gratis!) en zijn de worsten aan één kant nog rauw, aan de andere kant zwartgeblakerd, maar goed, wij staan pal voor ons eigen huis en kunnen dus makkelijk binnen voor onze ravitaillering zorgen.

Wij doen er, vanaf 2000, elk jaar aan mee. Om van spullen af te komen waarvan we bij nader inzien vinden dat we er toch niks meer mee doen (een houten slee, een hoop glas- en aardewerk, overtollig gereedschap, muntjes uit het vooreurotijdperk, oude camera’s en computeronderdelen, tierelantijntjes -hier bibelots geheten-, soms ook spullen die we apart uit Nederland hebben meegenomen, zoals pakjes stroopwafels van AH en zilveren 5-Euroherdenkingsmunten.

Een substantiële aanvulling op het pensioen levert het allemaal niet op. Meestal, ook dit jaar, blijven we zo tussen de 100 en 150 euro omzet hangen, waarvan een deel meteen weer wordt omgezet in croissants, friet, en echt onmisbare dingen die je bij een ander in de kraam ziet liggen, of die gewoon leuk zijn voor de heb. Er zijn er die beduidend meer scoren, er zijn er ook die om 6 uur ‘s ochtends al beginnen op te bouwen en eind van de middag voor een totaal van 18 euro hebben verkocht. En dan toch nog spreken van een geslaagde en reuze gezellige dag.
Want in feite is die gezelligheid datgene waar de honderden passanten op afkomen. Eindeloze kletspraatjes, kennissen ontmoeten, afspraakjes maken, netwerken in de ruimste zin des woords. En een bijkomend groot compliment: er wordt nauwelijks iets kapotgemaakt en er wordt absoluut niks gejat.

Daags erop (bekaf, spierpijn, verbrande nek en het meeste weer naar zolder moeten sjouwen voor  volgend jaar) met de aanhanger naar de déchetterie om al die dingen nou eindelijk maar eens weg te flikkeren die we toch al jarenlang niet verkocht krijgen.
De Dauphine was overigens niet te koop (ja, dat is ze wel, maar pas na mijn dood), maar fungeerde als een ideale trekpleister waar heel wat publiek naar kwam kijken. Window dressing in de voortuin dus.

 

 

Pijpenstorm

Mijn eindoordeel over de Ignatius-reünie van Gym-IB 1960 op 3 mei jl. luidt dat we in een halve dag tijds met z’n allen meer lol hebben gehad dan in al die jaren dat we samen in de klas zaten. En niet lol alleen; ook meer diepgang en saamhorigheid. Het laat zich niet allemaal in foto’s vangen, maar de reacties van dezen en genen spreken boekdelen.
Communis opinio: dit doen we gauw nog eens een keertje. Volgend jaar. Of over 3 jaar. Of over 5 jaar. Of over 54 jaar.

 

De klas verkeert in de gelukkige, en ook volstrekt unieke, denk ik, positie dat de klassepater van destijds, Jan-Maarten Bremer, 82 inmiddels, bij deze gelegenheid aanwezig kon zijn. Samen met de 20 leerlingen van zijn klas die waren bijeengekomen (“Wie ‘t leven willen wagen, die komen hiehier bijhijeen…”) probeerden we de klassefoto van eind 1960 te reconstrueren en repeteren. Helaas, twee klasgenoten zijn in middels overleden (Kees van Rooijen en Co Oud), drie hadden we niet weten op te sporen (Mike Man, Rob de Jong en Rob Kupers), maar twee later bijgekomenen (Leo Reuser en Christiaan Verwer) waren er wel. Bovendien was ons bordes voor de helft afgebroken, zodat we ons nu op de andere helft min of meer in spiegelbeeld moesten posteren. Ziehier het resultaat. 

Voor alle duidelijkheid:

1 Jaap de Hoop Scheffer 14 Michel van Overbeek
2 Nard Loonen 15 Filibert Kint
3 Hugo van den Hombergh 16 Pieter Haverman
4 Co Oud 17 Jan-Maarten Bremer (Latijn)
5 Kees Philips 18 Rob Goorhuis
6 Rob de Jong 19 Michel de Lange
7 Carlo Knüppe 20 Eugène van der Kamp
8 Hans Kraan 21 Leonard van Oudheusden
9 Loek Nijman 22 Arnold Reuser
10 Huub Mous 23 Kees van Rooijen
11 George Maissan 24 Jan Kniesmeijer
12 Mike Man 25 Wim Jordans
13 Rob Kupers 26 Leo Reuser
27 Christiaan Verwer

Het begin van het door veldwerkers Hans, Kees en Michel succesvol voorbereide, en vooral niet te volle programma vond rond de middag plaats in café BinnenBuiten, schuin tegenover het IG aan de Ruysdaelkade. Kenmerkend was enige na 54 jaren niet geheel onverwachte stroef- en onwennigheid (“Wie is dat ook weer die daar net binnenkomt?”), maar al ras vormden zich groepjes geamuseerde en geïntereseerde klasgenoten in never-ending-gesprekken over alles van ooit, weleer, sindsdien, ondanks, wat jammer, en toch maar hertrouwd, nooit geweten, en nu, waarom, hoe, wanneer is de operatie, en wat nu verder.

Het gedroomde hoogtepunt was de remake van de klassefoto. Dat gebeurde ook, zoals hierboven geschetst. Na een korte inleiding door Rolf Schoevaart, zelf ook oud-Ignatiaan en al geruime tijd werkzaam bij het nu alhier gevestigde Montessori Lyceum Amsterdam, kregen wij in vogelvlucht een overzicht van alle veranderingen aan het gebouw tussen ons en nu, waarna wij onder meer de kapel gingen bezoeken.

Er zijn er onder ons die dat bezoek als het hoogtepunt beschouwden. Zelf noem ik het liever de spil waaromheen al het andere draaide. Ik had mij voorgenomen in die gewijde, maar inmiddels goeddeels ontheiligde ruimte het woord te vragen en vooreerst onze twee overleden klasgenoten te herdenken met een stilte die ze misschien hebben kunnen horen.
Wat ik daarna wilde voorstellen, moest ik van het moment en de omstandigheden laten afhangen. En zo geschiedde.

Het bericht had mij al eerder bereikt, maar eenmaal in de kapel beland sloeg het besef van de werkelijkheid onverbiddelijk toe. In een moderne variant van de beeldenstorm had er een pijpenstorm gewoed: het hele orgel was verdwenen, samen met al die 120 zangers, de organist, het manuaal, het orkest, de dirigent…
Al wat er restte waren de drie lampjes, die er begin jaren-60 ook al hingen. Die waren kennelijk niet de moeite. Vintage hanglampjes, zoals alles wat wij daarboven op het koor deden inmiddels vintage is. Toen nog dansten wij naar de pijpen; nu kunnen we ernaar fluiten.

Direct praktisch gevolg was dat mijn idee om het Ignatiuslied gezamenlijk aan te heffen (Ignaci dat de heer u seghen…) onuitvoerbaar was. HET ORGEL WAS WEG! Achteraf bezien niet zo’n ramp dat dat lied niet kon doorgaan, want je kunt die tekst de inmiddels vele atheïsten onder ons ook nauwelijks aandoen. Maar een alternatief had ik bij me: tekst (24 exx.) en partituur van het Collegelied (Wij gaan langs Amstels wegen…). Tot mijn stomme verrassing trokken we zomaar een piano tussen de coulissen vandaan, en die was niet eens heel vals. Rob, al eerder over dit plan ingeseind, bespeelde de toetsen, en 2×20 stembanden deden vol overtuiging de rest, “zo hard dat Kees en Co het gehoord moeten hebben”, meldt Huub Mous. Rillingen van saamhorigheid. Gelukzaligheid met terugwerkende kracht. Terwijl we allemaal wel beseffen dat behaalde resultaten in het heden geen garantie bieden voor het verleden.

Omdat dit voor niemand is te bevatten, togen we behoedzaam drentelend, serieus, maar niettemin onverdroten keuvelend naar het voortreffelijk stamineeke, restaurant Quinto in de Frans Halsstraat, door onze veldwerkers op ondemocratische wijze uitverkoren om ons in een aparte ruimte te onthalen. De vele heildronken waren een goed sociaal excuus om de eigen dorst te lessen en de doorelkaargeschudde emoties te laven; het erop volgende diner bood tevens voedsel voor de geest, gelet op de vele diepgaande onderonsjes.

Ad bene placitum hoorden we tot dan toe ongehoorde details, zegden we het destijds onzegbare, kwamen we in een halve dag verder met elkaar dan in al die jaren samen in de klas.
Het is waar, zonder Kees & Co, maar wel met alles wat er door ons en met ons en in ons tot stand kwam op die gedenkwaardige 3e mei 2014.
Bis, reageerden velen daags erna.

___________________________________
Volgende pijpenstormberichten:
pijpenstorm-2
pijpenstorm-3
pijpenstorm-4
pijpenstorm geluwd