Niks Kwai

Je hebt goede en slechte films. In mijn filmrubriek op deze weblog is het hele scala reeds voorhanden. Hieronder wil ik even mijn ergernis uiten over een oude, maar beroemde film: The Bridge on the River Kwai (1957), met in zijn kielzog de uit 1989 stammende zinloze productie Return from the River Kwai. Ik zal me beperken tot een selectie van de tientallen bezwaren die ik tegen beide heb.

Om maar meteen met het allerergste te beginnen (dan kun je desgewenst het vervolg overslaan): de films geven in geen enkel opzicht de situatie, omstandigheden, ellende weer die de honderdduizenden dwangarbeiders hebben meegemaakt bij de aanleg en het onderhoud van de Birma-Siamspoorlijn (1942-1945). Niet alleen zijn de films geen historische verantwoorde documentaires, nee, de trieste werkelijkheid is op z’n Hollywoods gemetamorfoseerd tot een brok amusement dat een kassucces kon waarborgen. The Bridge, goed voor 7 oscars en met een rating van 121 in de top-250 films – dan weet je al uit welke hoek de wind waait, heeft bovenaan zijn officiële poster staan: “Spans a Whole New World of Entertainment”, en Return, op de DVD-hoes aangeprezen als “Het langverwachte vervolg op de legendarische klassieker ‘Bridge on the River Kwai’” wordt uitgebracht door Video/FilmExpres – Entertainment and More. Ben benieuwd wat dat “More” inhoudt.

We zien legio min of meer gearriveerde Britse acteurs (en een aantal verdwaalde Japanse), in de schminkruimte rijkelijk voorzien van een dikke laag opsmuk die hun een hevig bezweet, getaand gelaat heeft opgeleverd. Ze ogen waarlijk kerngezond, meer heldhaftig en vastberaden dan barmhartig, en zeer goed doorvoed – mag ook wel, na drie jaren dwangarbeid onder de Jap.

Gelukkig kun je op de meeste afspeelapparatuur de veel te felle kleuren wat dempen, maar het gevoel van enig historisch besef (“respect” klinkt weer zo moralistisch) komt daarmee onvoldoende terug.

De grootste historische blunder in beide films is dat de brug niet over de Kwai-rivier was gespannen, maar over de Mae Khlong, op 2 km van waar die met de Kwai Noi samenvloeit. Misschien verkoopt “mae khlong” niet zo goed. Nota bene: oorspronkelijk was de brug nog honderden meters verder stroomopwaarts geprojecteerd, maar door Japanse stommiteiten werd het de “verkeerde” plek, bij Tamakan (ook wel Tha Markan genoemd), iets ten ZO van Kanchanaburi (ook wel Kanburi genoemd). En dan ook maar meteen: er was geen “brug over de River Kwai”, er waren twee bruggen: een houten schraagbrug, eigenlijk bedoeld als hulpverbinding bij de definitieve bouw, en een “echte” stalen brug, zo’n 100 m verderop. De foto hierboven is uit ’40-’45 Toen & Nu. Beide bruggen zijn in de oorlog herhaalde malen gebombardeerd en weer gerestaureerd. De houten brug is in 1946 afgebroken omdat de lage doorvaarthoogte de scheepvaart belemmerde; over de stalen brug, in aangepaste vorm, kun je nu nog steeds met de trein rijden. Een echt toeristische attractie.

Op de hieronder vermelde pagina’s van IMDB.COM kun je een hoop technische en historische fouten in de twee films teruglezen. Ik ga ze hier niet allemaal herhalen. Maar ik mis bijvoorbeeld het feit dat de spoorlijn op z’n Japans werd aangelegd, d.w.z. met een spoorwijdte van 106,7 cm, terwijl hij in Return een normale spoorwijdte van 143,5 lijkt te hebben, of zelfs van de in India gebruikelijke 167,6 cm. Ook in Return, direct aan het begin, zien we een bombardement door een of meer eenmotorige Amerikaanse P-47 Thunderbolt bommenwerpers van het 493 Squadron. Bij mijn weten was dat Squadron in februari 1945 gestationeerd in Europa (Frankrijk of Italië). Ex-piloten beweren dat ze in Siam met viermotorige B24-bommenwerpers vlogen – een totaal ander toestel, en dat ze hun bommen afwierpen op 12.000 voet hoogte (de Amerikanen in februari 1945; kijk maar op http://www.youtube.com/watch?v=3WDDpCQVRag, hoewel het bijschrift daarbij ook niet klopt) of op 4.000-6.000 voet hoogte (de Britten in april 1945). Wat je op de film ziet zijn bombardementen op 500 à 1.000 voet hoogte, wel een stuk spectaculairder. En wat ze bombarderen: alleen de stalen brug, die absoluut niet lijkt op de toen bestaande brug; van een tweede brug is geen spoor te bekennen. Sorry voor de wat misplaatste woordspeling. In The Bridge is het van hetzelfde laken een pak: alleen maar één brug, die er volstrekt anders uitziet dan wat er daar ooit is gebouwd. Voor die film hadden ze echter de hele setting in Ceylon gelokaliseerd, niet in Thailand. Maar dan nog.

Om verder elke nog overeind staande link met de realiteit te verbreken: in The Bridge bestaat de Heldenmoed der Britten daaruit, dat ze met ware doodsverachting erin slagen de brug te ondermijnen en op te blazen, net op het moment dat de eerste Japanse trein eroverheen rijdt. Dat is dus nooit zo gebeurd. Wel die eerste trein, met vlaggetjes en eerbetoon kwam hij op zijn bestemming aan, maar niet dat opblazen. Het waren de bombardementen die de brug(gen) vernielden.

Ik laat de films even voor wat ze zijn en bepaal me tot de Siamese werkelijkheid van de jaren-’40, in het bijzonder het tracé van de spoorlijn en de daarmee samenhangende cartografie. Als je een breedbeeldscherm hebt, kun je de hier afgebeelde kaart goed bestuderen. Het is een oorspronkelijk Japanse kaart uit hooguit 1942, door Britten min of meer tweetalig Engels-Japans gemaakt, die de spoorlijn van west (Moulmein) naar oost (Non Pladuk) uittekent.

Nu bestaat er het hardnekkige, generaliserende vooroordeel dat Oost-Aziaten geen kaart kunnen lezen of samenstellen, waaronder de vooronderstelling ligt dat zij moeilijk, of liever gezegd: anders abstraheren dan wij dat in Europa doen. Ik werd in 1992 in die gedachte bevestigd toen ik in Bangkok diverse malen moest ervaren dat taxichauffeurs geen kaart konden lezen. Als ik hun op de kaart aanwees naar welk hotel of welke tempel ik wilde, snapten ze er niks van; ook niet als ik aanwees waar we ons op dat moment bevonden. Liet ik ze echter een visitekaartje of folder zien van de plek van bestemming, dan knikten ze begrijpend en stoven er met ware doodsverachting direct naartoe. Ooit heb ik me eens laten vertellen dat Chinezen geen irrealis kennen en er ook niet in kunnen denken. Ik bedoel niet het uitdrukken van een gebeurtenis die nog moet plaatsvinden, maar van een gebeurtenis of situatie die juist niet plaatsvindt of zal vinden: Als ik rijk was, dan… (If I were a rich man…). Dat impliceert dat je het juist niet bent. Welnu, dan moet je er ook niet over spreken en al zeker niet in de verleden tijdsvorm. Het zou in dezelfde sfeer liggen als het beweerde feit dat Chinezen onze sprookjes niet snappen – een probleem dat in het tweetalige en tweeculturige Hongkong (Engels en Chinees) merkbaar aan de oppervlakte zou komen, als het allemaal waar is.

Overigens heb ik ook eens een vergelijkbare verbazingwekkende cartografische miskleun meegemaakt in Rome, begin jaren-’90. Wandelend door de stad, op zoek naar filmboekhandel Leuto in de Via di Monte Brianzo, vroeg ik aan een passerende Romein de weg. Een kaart had ik niet bij me, maar geduldig tekende hij achterop een vel papier uit hoe ik er kon komen: de brug over de Tiber nemen, dan meteen rechts, tweede links, tweemaal rechts en bij het driehoekige pleintje schuin linksvoor zou ik de winkel aantreffen. Wij de brug over en meteen rechts, maar vanaf dat moment klopte er van zijn schets helemaal niets meer. Dwalend, dolend en vragend kwamen we er uiteindelijk achter dat de man, met een werkelijk fabelachtige precisie, zijn kaart in spiegelbeeld had getekend: rechts en links waren perfect verwisseld. Leonardo da Vinci is er beroemd mee geworden.

Ik vermoed dat het hanteren van de irrealis, het kunnen denken in sprookjes en het rechts-links-onderscheid (“Rechts is waar je duim links zit, zei mijn moeder altijd”, hoorde ik ooit in een uitzending van Radio Bergeijk) aan elkaar verwante hersenactiviteiten vergen.

Maar goed, Japanners kunnen dus geen kaart tekenen of lezen. Welnu, dat hebben de vele krijgsgevangen dwangarbeiders gemerkt ook. Van de hen ter beschikking staande kaart klopte niet zo bar veel. De bruggen bij Tamakan werden op een verkeerde, tevens uiterst onpraktische, plaats geprojecteerd; op zeker moment bleek, dat als de werkers vanuit Birma en die vanuit Siam elkaar volgens de kaart in de buurt van de Driepagodenpas zouden ontmoeten, zij elkaar op ca. 1 km afstand zouden mislopen; opgegeven kilometrages bleken niet te kloppen, en meer van dat soort dingen. De Britten, je kunt veel van ze zeggen, maar ze weten ook vaak wel van ellende het beste te maken, hebben die Japanse onkunde uitgebuit door kaartwijzigingen voor te stellen, zogenaamd om een betere spoorlijn te krijgen, maar in wezen om het tracé zo aan te passen dat de werkers minder moeite met de aanleg zouden hebben. Dus zo lang mogelijk over vlak terrein langs een rivier, in plaats van een “kortere route” waar heuvel- en bergdoorgravingen aan te pas zouden komen. De kaart zoals hier gepresenteerd geeft de feitelijk uitgevoerde situatie redelijk goed weer. Met dank aan de Britten. En ik kan het weten, want ik ben er geweest en heb de route gereden. Sterker nog: ik ben niet ver van die spoorlijn verwekt.
Momenteel is de spoorlijn nog in gebruik van Bangkok tot aan Nam Tok (voorheen Tha Soe); ik heb een wandkaart van Thailand uit 1990 (ISBN 9748564428) waarop hij nog doorloopt tot een eind voorbij Sai Yok, 50 à 60 km verder westwaarts. Volgens de Britse kaart hierboven was dat in 1976 niet zo, en toen ik in 1992 de treinreis maakte, reed de trein van Thonburi Station (in Bangkok) tot aan Nam Tok als eindbestemming, zoals ook op het treinbord zelf stond aangegeven. Onbetrouwbaar, die Thaise kaarten.

Al die manmoedige Britse militairen, met hun koloniale superioriteitsgevoel zelfs nog boven hun Japanse overheersers uitvechtend, hen uit elkaar weten te spelen en, zoals in Return, aan boord van de Brazil Maru, weten te overmeesteren. Een koopvaardijschip trouwens dat in 1941 door de Jappen was gevorderd en in augustus 1942 werd getorpedeerd en tot zinken gebracht. De onverschrokken Britten varen er niettemin in 1945 mee uit, waarna het door een geallieerde onderzeeër wederom tot zinken wordt gebracht. Noodlot is immers onverbiddelijk.
Het is Spartacus in Siam.
De Colonel Bogeymars uit 1914 die als leadmuziek in The Bridge galmt, kan mij overigens nog wel bekoren. Hij doet mij in alle eerlijkheid verlangen, zoals er ooit stomme films bestonden met beeld zonder geluid, naar blinde films: geluid zonder beeld. Sound track heet dat in het Engels, geloof ik.

Wil je nog zo’n slechte oorlogsfilm? Lees dan mijn bericht over Europa, Europa.
Wil je een heel goede oorlogsfilm? Kijk dan bij Unsere Mütter unsere Väter

______________________________________

The Bridge on the River Kwai (UK/USA 1957). Regie: David Lean. 161 minuten.
O.a. verkrijgbaar op DVD Sony Pictures Home Entertainment. 2010 (EAN 8712609679021). 156 min. met Engelse, Ned. en Franse ondertitels.

Return from the River Kwai (UK 1989). Regie: Andrew V. McLaglen. 101 minuten.
O.a. verkrijgbaar op DVD Video/FilmExpres bv. 2000 (EAN 8713053000997). 97 min. met Ned. en Franse ondertitels.

Gebruikte bronnen:

 

 

Pierre Travaux (2)

In september 2013 besteedde ik aandacht aan een “driewerf gemankeerde Sebastiaan“, een gipsen beeld van Pierre Travaux uit 1846, waarover zo veel niet bekend is, dat verdere studie en onderzoek is vereist. In dat artikel beloofde ik ook met een update te komen als ik meer informatie ter beschikking had. Na een tijdje snuffelen in de departementale archieven van de Côte-d’Or te Dijon ben ik inmiddels iets wijzer geworden. Iets, want nog steeds zijn er tal van raadsels op te lossen.

Eerst even een kleine correctie op het eerdere artikel: Travaux maakte het werk niet tijdens zijn verblijf en opleiding in Saumur-en-Auxois, zoals daar staat vermeld, maar tijdens zijn verblijf en opleiding in Dijon op de École des Beaux-Arts, de kunstacademie, waar hij zich in 1845 en 1846 bekwaamde in het beeldhouwvak.

Het was destijds aan de “École spéciale de dessin, peinture, sculpture et architecture de la ville de Dijon” gebruikelijk dat de studenten aan het einde van het cursusjaar in de discipline van hun studierichting een proeve van bekwaamheid moesten afleggen, een meesterproef, zoals er ook in onze dagen eindejaarsscripties moeten worden geschreven en er overgangsexamens bestaan. De studenten kregen tussen de 8 en 12 sessies van meestal 2 uren de tijd hun werkstuk te vervaardigen; dat lag allemaal reglementair vast. De beste werken kregen een 1e, 2e of 3e prijs. Die toekenning verliep zo ongeveer als de vergelijkende-warentests van VARA’s Kassa, waar een panel een tiental vergelijkbare producten krijgt voorgeschoteld die ontdaan zijn van hun merknaam, maar slechts een letter of cijfer dragen. De juryleden beoordeelden de aldus geanonimiseerde werkstukken en kenden uiteindelijk de prijzen toe aan bijv. de letters B, K en R.
In 1845 verwierf Pierre Travaux uit Tivauche-le-Bas (gem. Corsaint) de eerste prijs in de categorie Sculpture met zijn gipsen reliëfstuk “Le serment du jeune Annibal” (“De eed van de jonge Hannibal”), vervaardigd “d’après nature(“levensecht; fotorealistisch”). De kunst van de imitatio, het natuurgetrouw kunnen (re)produceren, stond halverwege de 19e eeuw hoog in het vaandel van de kunstopleiding in Dijon en elders. Heel vreemd is dat niet. In de begintijd van de fotografie, van de bewegende film, van de televisie, ging het niet anders. En zo rond 1850 waren de schilder- en beeldhouwkunst de vormen bij uitstek om de realiteit gestalte te geven. Dat zich dat later ging splitsen in een analytische “école de l’imitation”, waarbij het dus puur ging om het weergeven van de dingen “zoals ze zijn”, en een synthetische “école de l’idéal”, waarbij het meer ging om het weergeven van dingen “zoals ze moeten zijn”, is vooralsnog hier niet aan de orde; we spreken hier immers over de jonge Travaux die zich nog niet in Parijs had gevestigd. Voor een 23-jarige student getuigt het vervaardigen van het reliëf van grote klasse, ook al kan het mij maar matig bekoren.

Een eerste prijs dus. En dat betekende wel meer dan eeuwige roem. Het was ook een aardig opstapje naar het verkrijgen van opdrachten, iets waarvan kunstenaars -ook nu nog- als een soort zzp-ers grotendeels afhankelijk zijn. En meer nog dan dat: de Academie beloonde deze eerste prijs met een drie jaar lange toelage van 800 francs, waar de gemeente Dijon nog eens een uitkering bovenop deed van 1000 francs, vijf jaar lang. Nu gaan koopkrachtvergelijkingen van 1845 met heden eigenlijk altijd mank, maar als je beseft dat destijds de munten van 1 en 2 francs van zilver waren en er gouden munten van 5 francs in omloop waren, zal het toch geen kruimelwerk zijn geweest dat hem ten deel viel. Een andere vergelijking bieden de prijzen waarvoor hij, eenmaal in Parijs en “gearriveerd”, zijn beelhouwwerken verkocht kreeg aan kerken, gemeenten en de staat: ze gingen voor bedragen tussen de 3.500 en 8.000 francs van de hand.
De afbeelding hierboven is niet echt geweldig; het originele document mocht niet worden gefotokopieerd en een scan was in Dijon niet beschikbaar. Dus restte mij niets anders dan er een foto van te maken (zonder flits!).

Pierre Travaux was bijzonder gedreven en eerzuchtig; was dag en nacht met zijn passie van het beeldhouwen bezig. Bekend is dat hij diverse malen ’s nachts zijn tekenschool in Semur binnensloop om urenlang ongehinderd naar beelden te kijken en schetsen te maken. Toen hij in zijn eerste jaar een eerste prijs had verworven, wist hij dat hij dat het jaar erop niet zou kunnen herhalen, want de school kende aan één student nooit twee maal een prijs toe. Dat moet hem ertoe hebben aangezet om op eigen initiatief met een sculptuur te komen die hij aan zijn docenten wilde laten zien. Een compositie ditmaal, van een persoon ten voeten uit, met een hoogte van tweederde van die van het model dat voor hem poseerde. Ongetwijfeld zal dat een medestudent van hem zijn geweest. Travaux wilde zijn leermeester tonen dat hij in staat was een figuur van top tot teen weer te geven in een “natuurlijke” houding, d’après nature dus, in de juiste proporties en daarbij te voldoen aan de gangbare esthetische normen van die tijd. Dat hij daarbij minder aandacht besteedde aan details (ik heb de drie mankementen van het beeld in mijn eerdere bericht uitgebreid besproken), dat zijn Sebastiaan op onderdelen volstrekt onaf is en zelfs slordig en lelijk, kan te wijten zijn aan tijdgebrek, maar ook aan zijn beperkte doelstelling: een compositie maken van een groter geheel zonder zich om details te bekommeren. Hij bouwde het beeld op uit drie delen: onderlijf, bovenlijf en hoofd. Hij stapelde die op elkaar, veel te stevig bijeengehouden door de dikke boomstam. Maar daar ging het ook niet om. Het onder- en bovenlijf zullen ongetwijfeld dat van zijn poserende medestudent zijn, hopelijk voor hem iets completer dan het beeld zoals wij dat nu kennen. Het hoofd zou best wel eens van heel iemand anders kunnen zijn. Het is ook anders afgewerkt dan het lijf. Een snelle rondgang door het Louvre brengt je al gauw tot de verrassende ingeving dat Sebastiaans hoofd verdacht veel lijkt op dat van bijvoorbeeld de stervende Galliër, de gewonde vuistvechter, en zo nog wel enkele Grieks-Romeinse klasssiekers.

Hoe het ook zij, Travaux toonde zijn compositie aan zijn docenten en die waren er zo van onder de indruk dat ze hem, nu eenmaal een eerste prijs onmogelijk was, hors concours een medaille d’honneur toekenden, buiten de jury om, en in het officiële document later ook in de marge apart vermeld. Geen geldelijke uitkering helaas, maar wel goed voor zijn cv.
Daarmee had hij zijn doel min of meer bereikt. Een jaar of tien later schonk hij het beeld, onverkoopbaar als het ten ene male was, aan zijn tot museum omgetoverde tekenschool in Semur-en-Auxois, samen met het bovengenoemde, eveneens prijswinnende Hannibal-reliëf. Daarmee drukte hij zijn dankbaarheid uit jegens de leerschool waar hij zijn eerste schreden op weg naar zijn zo begeerde vakmanschap had gezet.

Maar nog zijn niet alle cirkels rond. Naar ik hoop zal een derde bericht tezijnertijd de bij mij nog bestaande hiaten opvullen.