La Grande Collecte 1914-1918

Met 2014 in het verschiet is er een grote inzameling in gang gezet om documenten, foto’s en andere herinneringen uit de Eerste Wereldoorlog in gedigitaliseerde vorm voor het publiek toegankelijk te maken. De organisatie berust bij Europeana, een in Den Haag gevestigde instelling, maar opererend over heel Europa.
Als Nederlander heb ik niet zoveel met 14-18, maar als bewoner van ons huis in Rosoy des te meer. Vandaar dit bericht.

Toen wij eind december 1998 het huis betrokken, was het van binnen één grote troep: half kapotte stromatrassen, meubels, boeken, kledingstukken, heel veel spinnewebben en een paar dichtgeknoopte lakens met daarin allerhande papieren, brieven, rekeningen, foto’s en röntgenfoto’s, oude aktes, aandelen van de Russische Tsaristische Spoorwegen – noem maar op. Rond het houtkacheltje gezeten zijn we toen alles eerst maar eens gaan schiften in stapels “te bewaren” en stapels “weg te gooien”. Al het papier- en fotowerk bewaarden we.

Bij nadere bestudering bleek er nogal wat documentatie uit de periode 1914-1918 tussen te zitten. De laatste bewoners van ons huis, een broer en zus, beiden ongehuwd, hadden het bewaard als herinnering aan hun ouders. Hun vader, Eugène Parisot (1874-1962), bleek in 1914 gemobiliseerd te zijn geweest en was tot1919 in actieve dienst zo ongeveer heel Noord-Frankrijk doorgetrokken. Hier poseert hij met zijn vrouw Louise Millot voor wat nu ons huis is, naar ik aanneem vlak voor zijn vertrek naar het front. Met grote regelmaat, één à twee keer per week, stuurde hij een brief of briefkaart naar Rosoy, waar zijn vrouw en hun twee kinderen Solange en André al die jaren verbleven.
Louise naaide elke brief vast aan de vorige, zodat er uiteindelijk een vijf cm dik pak ontstond. Al lezende krijg je dan een zeker beeld van hoe, wat en waar hun man en vader een en ander aan het front beleefde. Voeg daarbij nog een aantal vaak vage en piepkleine, maar wel originele foto’s van  het front uit die periode en je denkt een vrij compleet beeld van de rauwe werkelijkheid te hebben teruggevonden.

Maar dat bleek al ras een valse beeldvorming te wezen. In een van de dichtgeknoopte lakens troffen we namelijk ook een zakboekje aan waarvan gauw duidelijk was dat Eugène dat de hele oorlog door in zijn borstzak had bewaard en waarin hij voortdurend had bijgehouden wat hij meemaakte en waarvan hij notities moest maken.
Zelfs bij vluchtige, diagonale lezing van brieven en zakboekje kwam de realiteit boven tafel: er bestond een werkelijkheid (die in het zakboekje stond) en een beeld van de werkelijkheid (dat in de brieven was te lezen – ongetwijfeld om het thuisfront niet te zeer te confronteren met het oorlogsfront). Toen het hem al te bang te moede werd, in Vic-sur-Aisne, op 1 juni 1915 (“année terrible”) schreef hij in dat boekje zelfs zijn testament.

Ik nam mij voor deze hele verzameling documenten ooit eens goed uit te gaan pluizen, de twee waarheden met elkaar te gaan vergelijken en alles eventueel ooit eens een keer tot een publicatie te verwerken. Toen half november 2013 het departementale archief van de Haute-Marne in Chaumont drie dagen organiseerde waarop mensen hun gevonden en bewaarde documenten konden aanbieden ter digitalisatie, ging ik daar met mijn dossier naartoe. De twee archivarissen die mij te woord stonden verklaarden dat dit de grootste en vooral meest complete persoonlijke berichtgeving was die zij uit die periode onder ogen hadden gekregen, groter ook dan zij uit andere departementen kenden. Omdat ik met het uitzoeken nog lang niet klaar was, spraken wij af dat ik mijn voorwerk eerst zou gaan voltooien. Dat betekent: al die brieven uiterst voorzichtig loshalen uit het pakket, alle draadjes garen met een fijn pincet proberen los te peuteren, want de brieven waren -papierschaarste- zonder enige marge rondom tot de rand toe beschreven, maar door het aaneennaaien zaten er in elke vouw wel 20, 30 gaatjes geprikt. Vervolgens de circa 170, meestal nog opmerkelijk goed leesbare brieven rubriceren naar datum en plaats van verzending en ten slotte transcriberen om de tekst digitaal beschikbaar te hebben. Dan het zakboekje pogen te ontcijferen: het vaak heel priegelig kleine handschrift met erg veel spelfouten proberen te lezen en uit te typen, met aanduiding ook van datum en plaats, voor zover mogelijk. Van enkele foto’s is bovendien wel te schatten wie er op staan en waar/wanneer ze zijn gemaakt.

Als ik met dit alles min of meer klaar ben, kan ik weer terecht op het departementaal archief, waar men van elk stuk, elke pagina, een scan zal maken die ik dan, in het kader van La Grande Collecte van Europeana, gratis op CD ter beschikking krijg. De originele documenten mag ik behouden, dan wel aan het archief schenken of belenen, zoals ik jaren geleden ook al eens alle hier gevonden aktes uit de periode 1745-1899 op dat archief heb gedeponeerd; de aktes van 1900-1982 heb ik nog hier, omdat ze mij veel informatie over het huis en de laatste bewoners verschaffen.

Dit bericht is al met al stellig niet het laatste over dit onderwerp, maar ik voorzie wel dat er erg veel tijd in zal gaan zitten voordat een eventuele publicatie in de boekwinkel ligt. Ik hoop dat het er hoe dan ook wel ooit van komt – de inhoud is alleszins de moeite waard.


Verdere algemene info over Europeana en La Grande Collecte 1914-1918 :

http://www.bnf.fr/fr/la_bnf/anx_actu_bib/a.grande_collecte_14-18.html
http://www.europeana1914-1918.eu/nl

Eerdere berichten:

http://nardloonen.nl/2013/01/21/histoire-de-rosoy-1919/

http://nardloonen.nl/2013/02/15/de-grote-oorlog/

Volgende berichten:
http://nardloonen.nl/2013/12/11/la-grande-collecte-vervolg-1/
http://nardloonen.nl/2014/07/24/la-grande-collecte-vervolg2/ 

 

Scherven en schoonheid

Sinds enige tijd ben ik lid van Les Pistons du Bassigny, een oldtimerclub hier in de buurt waarbij dik 70 mensen zijn aangesloten met rond de 40 auto’s van >25 jaar oud. Niet bijster interessant nieuws voor deze weblog; als je meer wilt weten over mijn Renault Dauphine, lees dan de artikelen die ik speciaal aan haar heb besteed. Maar voor je wegzapt, is het misschien de moeite om na mijn vorig bericht over St.Hubert en zijn Oliphant ook nog dit bericht te lezen over de volgende plek die de club op haar toertocht van 20 oktober jl. heeft bezocht.

Ik had bij het plannen de keus uit een technisch museum in Champlitte of een  middeleeuwse kerk in het nabijgelegen Champlitte-la-Ville. In overleg met de clubleiding besloot ik voor het laatste.

Champlitte-la-Ville bezit een kerk die in 1081 voor het eerst staat vermeld en die dus bijna duizend jaar oud is. Restanten daarvan zijn nog aanwezig, waaronder het grootste deel van een octogonale doopvont. Alle acht vlakken daarvan zijn rijkelijk gebeeldhouwd met uiterst boeiende, allegorische en symbolische afbeeldingen; de huidige adjunct-burgemeester Pierre Kornprobst en zijn vrouw, beiden zowat de conservatoren van deze kerk, kunnen daar met overgave meer dan een uur over vertellen. Hetzelfde geldt voor de architectuur en alle bouwkundige veranderingen in de loop der eeuwen van het gebouw, voor de meer dan 50 grafstenen die in de kerkpaden op de vloer liggen en voor het merendeel nog goed leesbaar zijn, en over Het Raam.

Achter het altaar, dus aan de oostkant van de kerk, zat van oudsher een groot raam met gebrandschilderd glas erin. Mooi, en niks aan de hand totdat op 22 februari 1808, rond middernacht, onverlaten het nodig vonden een groot deel van dat glas met stenen aan gruzels te gooien. De volgende ochtend reageerden de burgemeesters van Champlitte-la-Ville en het naastgelegen Margilley geschokt op de ontdekking van dat vandalisme. Zij stelden een acte op en vervolgens gebeurde er niets. Die acte is bewaard gebleven. Vertaald staat er het volgende in:

Op 22 februari 1808, omstreeks middernacht, is het grote raam achter het hoofdaltaar van Champlitte-la-Ville op goddeloze wijze ingegooid. Van het venster braken 12 ruiten; het lood en de ijzeren lijst kwamen tot op het koor van voornoemde kerk terecht. De geworpen stenen, elf in getal, met een diameter van minstens 8 duim, waren met zo veel kracht gegooid, dat drie of vier ervan de achterzijde van het tabernakel op vier verschillende plaatsen hebben beschadigd. Ook is de mijter erboven met zulk een kracht gebroken dat die in twee delen dreigt om te vallen.
Men heeft zich niet daartoe beperkt: ook het venster van de sacristie naast het hoofdaltaar werd verbrijzeld. Slechts vijf van de 16 ruiten bleven heel. De twee naar binnen geworpen stenen wogen elk 2 à 3 pond.
Dit vreselijke en ongodsdienstige delict werd daags erop, de 23e, ontdekt door beide burgemeesters van de gemeente die de parochie Champlitte-la-Ville omvat. Zij hebben in onderling overleg dit proces-verbaal opgesteld en ondertekend ter bewaring in het archief van de gemeente Champlitte-la-Ville en om te gelegener tijd en plaats te kunnen worden gebruikt tegen de daders van dit misdrijf.
Opgesteld te Champlitte-la-Ville op jaar, maand en dag als boven vermeld.
(w.g.) Lavoignet, maire en François, maire.

Er gebeurde niks, d.w.z. het is niet bekend of er daders of zelfs maar verdachten zijn aangehouden. Op zich wel een aardige plot voor een detectiveromannetje. Was hier opgeschoten, zo niet aangeschoten jeugd aan het werk geweest? Een zondaar die geen kwijtschelding van zijn misdragingen had gekregen bij de biecht en zich zo poogde te wreken? Mensen uit Margilley (dit verzin ik niet – het wordt gefluisterd) die het niet konden verkroppen dat dat dorp geen eigen parochie mocht hebben, maar ondergeschikt bleef aan Champlitte-la-Ville? Het zou allemaal zo maar kunnen. En heeft er dan rond middernacht niemand in de  buurt iets gehoord of gemerkt? Aan de achterkant van de kerk staat een rijtje huizen. Weliswaar gaan, zeker in februari, de luiken al eind van de middag dicht, maar zoveel laweit moet toch zeker worden opgemerkt in een dorpsgemeenschap waar de sociale controle groter is dan je soms zou wensen. Echter, uit het bewaard gebleven kaartmateriaal van de Carte d’État-Major (1820-1866) heb ik kunnen afleiden dat er in die periode nog geen huizen achter de kerk stonden; er was dus slechts bouwland of weideland.

Hoe dan ook, de gaten in de ramen werden provisorisch gedicht, aan de buitenzijde werd een muur er tegenaan gezet en zo bleef het voortduren totdat in 2009 een erfgoedstichting de klus op zich nam het gehele venster te gaan restaureren. Zie o.a. deze beschrijving. Daarbij werd voor een groot deel de hulp van vrijwilligers ingeroepen, maar ook van individuele professionals en kunstacademies uit de wijde omtrek die de nodige expertise bezaten om de architectuur, de historische achtergronden en de feitelijke restauratiewerkzaamheden op zich te kunnen nemen. De oorspronkelijk begrote kostenpost van € 33.262,00 (ex BTW) werd natuurlijk grotelijks overschreden. Wat dat betreft is het in Frankrijk niet beter dan in Nederland. Het exacte uiteindelijke bedrag is nog niet vrijgegeven, maar schattingen wijzen op meer dan een halve ton; nog niet veel als je beseft wat daar allemaal voor is verricht:

Om het werk goed te kunnen uitvoeren, moest vooraleerst het hoofdaltaar van zijn plek. Men heeft dat stukje voor stukje gedemonteerd, daarna gerestaureerd en aan de andere kant van de kerk (bij de hoofdingang) in een zijkapel weer in volle glorie opgebouwd. Toen eenmaal aan de buitenzijde de muur was weggehaald, kon ook het hele raam inclusief het kunstige frame voorzichtig worden afgebroken. Het bleek dat de bogen aan de bovenzijde slechts voor een deel uit steen bestonden (daar waar zij aan de buitenbogen raken), maar dat zij naar binnen toe met hout aan elkaar waren bevestigd. De tand des tijds had er vervolgens voor gezorgd dat er van dat houten staketsel niets meer over was, zodat historisch architecten maar moesten gaan uitvogelen hoe dat raam er oorspronkelijk uit zou moeten hebben gezien – foto’s maken was er in 1808 niet bij.

Het werd een oeverloos gepuzzel om tot een historisch, geometrisch en architectonisch verantwoorde reconstructie van “het oorspronkelijke raam” te komen. En toen men uiteindelijk meende de oplossing te hebben gevonden, bleek die niet in het gapende gat te passen. Ik geef toe, je moet er een timmermansoog voor hebben en 99 van de 100 bezoekers zullen het nimmer opmerken, maar de bogen links en rechts zijn niet symmetrisch. Zie de rode lijntjes in de schets hiernaast. Wat was er aan de hand? Kennelijk was bij de oorspronkelijke bouw de Franse slag gehanteerd, in dier voege dat de bouwvakkers bij het pasklaar maken van de grote stenen die de boog vormden er achter kwamen dat ze links (vanuit het hoofdaltaar gezien) te dicht uitkwamen bij het tabernakel dat in de buitenmuur zit gemetseld, waarschijnlijk om van buitenaf door kloosterlingen te kunnen worden bevoorraad. Er is toen blijkbaar voor gekozen de linker boog maar wat steiler te maken, en bij de restauratie vanaf 2009 werd dat, alle knappe betrokken bouwkundigen ten spijt, pas vrij laat ontdekt. Wie goed kijkt, ziet dan ook dat de “druppel” rechts op de foto kleiner is dan zijn spiegelbeeld links. Zie ook het tabernakelgat rechtsonder, ter verduidelijking van de situatie.

Op 13 september 2013 was het dan zover: met uitbundig ceremonieel, toespraken, lichtbeelden, een kwartet jachthoornblazers, en vooral veel heerlijke hapjes en drankjes, werd het nieuwe raam voor het eerst aan het publiek getoond.

Ik heb de kerk al vele malen bezocht; kan er intussen ook al uren over vertellen als het moet. Maar beter lijkt het me als je er zelf maar eens gaat kijken. En om te overwegen het behoud en onderhoud van dit historisch monument financieel te ondersteunen. Zie onder meer deze uiteenzetting. De giftenteller staat momenteel op bijna elf mille. Bijkomend douceurtje (voor de Frans belastingplichtigen): de Franse staat verleent een belastingreductie aan natuurlijke personen die op deze wijze het Franse erfgoed helpen in stand te houden van 66% van het geschonken bedrag. Het is ongelogen waar, heb ik vorig jaar ook al mogen ervaren. Geen VVD-minister die dat snapt.

 

 

Hubertus en de Oliphant

Sinds enige tijd ben ik lid van Les Pistons du Bassigny, een oldtimerclub hier in de buurt waarbij dik 70 mensen zijn aangesloten met rond de 40 auto’s van >25 jaar oud. Niet bijster interessant nieuws voor deze weblog; als je meer wilt weten over mijn Renault Dauphine, lees dan de artikelen die ik speciaal aan haar heb besteed. Maar voor je wegzapt, is het misschien de moeite dit en het volgende bericht te lezen over twee plekken die de club op haar toertocht van 20 oktober jl. heeft bezocht.

Bij toerbeurt worden de maandelijkse toertochten door een van de leden georganiseerd, en ditmaal was de eer aan mij om met een route en bijbehorende bezienswaardigheden op de proppen te komen. Daartoe koos ik onder meer voor de St.Hubertuskapel in Chauvirey-le-Châtel en de St.Christoffelkerk in Champlitte-la-Ville. Niet dat de hele dagtrip één grote relitour was, maar over deze twee godshuizen valt wel een en ander te melden.

Chauvirey-le-Châtel bevat, naast uiteraard een kasteel, een kerk en een kapel. Over die Maria-Geboortekerk, in de annalen voor het eerst vermeld in 1424, hier als achtergrond van de verzamelde 21 oldtimers, wil ik kort wezen. Er bevindt zich een eind-17e-eeuws hoofdaltaar, in kerkelijke barokstijl, naar verluidt ontworpen in de contrareformatie om de naburige afvallige Zwitserse protestanten te laten zien hoe het hoort. Voor mij is in het bijzonder boeiend dat zich links en rechts van dat altaar twee levensgrote beelden bevinden, eentje van St.Sebastiaan, de andere van St.Rochus, evident bedoeld om er zeker van te zijn dat de pestepidemie het dorp niet te zeer zoude treffen. Van deze dubbele dekking bestaan meer voorbeelden1 , maar ze zijn toch vrij zeldzaam.

Interessanter wordt het als we 50 meter verderop bij de Hubertuskapel belanden. Hubertus, voor de niet-katholieken onder ons, leefde van 656 tot 727, aanvankelijk in de (Belgische) Ardennen. Aan hem kleven, zoals aan veel heiligen, tal van legenden, halve en hele hagiografische waarheden. Hij was groot, sterk en lenig. Al op zijn twaalfde slaagde hij erin om zich, tijdens een jachtpartij met zijn vader, te ontpoppen als berentemmer: zijn vader werd onverhoeds door een beer aangevallen, Huubje snelde toe en bevrijdde zijn vader uit de klauwen van het beest. Legenden als deze waren tussen de 8e en 11e eeuw enorm populair in het kader van de kerstening van Europa, waarbij de beer als vanouds koningsdier moest worden gedood of minstens getemd, gedomensticeerd, gedegradeerd – hoe dan ook worden onttroond ten gunste van de leeuw. Daarover heb ik uitvoerig bericht in mijn artikel over het ursoleonine koningsdrama in de Reynaert dat HIER te lezen staat.

Verder was Hubertus een losbol die als hij niet op dieren aan het jagen was er een tamelijk olijk leven op nahield – uit het hart van de Ardennen komt meer dan zuiver bronwater. Tot hij op zekeren dag, bronnen beweren op Goede Vrijdag nota bene, weer aan het jagen was en hem een visioen ten deel viel: er verscheen een hert waarboven tussen het gewei een kruisbeeld oplichtte (jawel, dat van Jägermeister!) terwijl een stem van omhoog hem toeriep: “Gij zult vanaf heden geen dieren meer jagen, maar mensen om die te bekeren.” Lang verhaal kort: hij belandde in Maastricht waar hij bisschop werd van Maastricht-Luik-Tongeren en zich in die functie voorbeeldig gedroeg.

Uit zijn wereldlijke periode echter, wellicht in Aquitanië, had hij een ivoren hoorn overgehouden, een zogenaamde Oliphant (een totum pro parte dus2 ), statussymbool voor wereldlijke gezagsdragers. Op welke wijze dan ook bleef die hoorn bewaard. De latere bezitter Louis de Bourbon, prins-bisschop van Luik, schonk hem rond 1470 aan zijn oom Karel de Stoute.

Die was met het kleinood zo verguld, dat hij besloot aan een van zijn kastelen een aparte kapel te laten bouwen, gewijd aan Sint Hubertus. Dat kasteel nu, met die aangebouwde kapel, staat in Chauvirey-le-Châtel. Over de architectonische harmonie valt wellicht te twisten, maar de kapel staat er nog steeds, hier te zien toen de deelnemers van Les Pistons op het punt stonden er naar binnen te gaan.

Het interieur is niet bepaald bemoedigend: de achterkant van de kleine kapelruimte bestaat uit een donker gat met enkel kale, zwart beschimmelde muren. Daar hebben ooit schilderijen gehangen. Twee daarvan heb ik kunnen traceren: een 17e-eeuwse Ecce Homo (122×94 cm) en, jawel, Het visioen van Sint Hubert (170×95 cm), een olieverfschilderij van Prosper Baccuet uit 1836. Beide hangen nu in een kerk in Pisseloup (Haute-Marne). Diefstal zal het niet zijn geweest; eerder verkeerde de toenmalige kasteelheer, de Comte de Scey, in geldnood en heeft hij de doeken verkocht. Daarover straks meer.

Tegen het gewelfde plafond zijn met moeite nog enkele wapenschilden te zien, op een waarvan ik de staande, lange, rode leeuw meen te herkennen uit het wapen van Karel de Stoute. Dat zit dus wel goed.

Aan de voorkant van de kapel had het complete altaar moeten staan, maar dat is grotendeels weg. Tot overmaat van ramp is de uit steen gehouwen retabel, voorstellende het visioen van Sint Hubert in 1998 gestolen; in 2005 werd (een deel van) het middenstuk teruggevonden, waarvan nu een kopie in de kapel staan uitgestald. Een korte video-impressie hierover is HIER te vinden.

En dan dus die beroemde Oliphant. Die is ook weg. Aan een van de zijmuren hangt alleen nog de hier afgebeelde plaquette, die tevens alles verklaart: De Comte de Scey, in geldnood, heeft deze hoorn die van 1484 tot 1869 prominent aanwezig was, met alleen een korte onderbreking tijdens de 30-jarige oorlog, in 1879 verkocht aan Sir Richard Wallace voor 16.000 francs. In de Londense Wallace Collection is hij sindsdien alsnog te aanschouwen.

In 1836 kwam een of andere idioot op het Franse ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur op het bizarre plan de hele kapel te schenken aan het Metropolitan Museum in New York. Deze verhuizing werd uiteindelijk afgeblazen, voornamelijk op grond van grote bezwaren vanuit de lokale bevolking in de Franche-Comté, zo blijkt uit de voorpagina van Le Figaro van 30 juli 1936.
Op 29 november 1936 staat in het dagblad La Croix, eveneens op de voorpagina, beknopt uitgelegd hoe de Franse staat het voornemen had de kapel steen voor steen af te breken, in te pakken en te verschepen naar Amerika om het daar te schenken aan John Davison Rockefeller, wegens diens gulle weldadigheid jegens grote historische monumenten. Felle protesten vanuit de bevolking noopten de regering echter het hele plan te schrappen. Maar goed ook, want nog geen half jaar later, ruim voordat de onderste steen naar boven kon zijn gehaald om te worden ingepakt, was Rockefeller zelf dood.

Zo zitten we dus met een brokstuk van een retabel en slechts een plaatje van een Oliphant.

Maar toch weten we een heleboel wel, over het voorkomen en de verbreiding van die ivoren hoorn. Zo kennen we hem uit Het lied van Heer Halewyn (“Sij blaesde de horen als een man”) en de Fransen kennen hem uit het Chanson de Roland. En om het verhaal nog verder te verbreden en te verdiepen citeer ik hier, met zijn toestemming, een lang stuk uit het verhaal dat kinderboekenschrijver Gerard Sonnemans (www.gerardsonnemans.nl) nog niet zo lang geleden publiceerde in een liber amicorum.


Van Bagdad naar Roncesvalles

Gerard Sonnemans

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Ze leiden van Nijmegen naar Amsterdam, van de wetenschap naar prentenboeken, van Bagdad naar Roncesvalles. [...]
Werkend aan het hoofdstuk over het tijdvak van de monniken en ridders3 voor Het grote geschiedenisboek deed ik4 een interessante ontdekking: Karel de Grote en kalief Haroen al Rashid (ca. 766-809) uit Bagdad bleken diplomatieke betrekkingen te hebben onderhouden. Onder de vele geschenken die ze uitwisselden bevond zich een levensechte olifant. Diverse bronnen, waaronder de Vita Karoli Magni van Karels dienaar en biograaf Einhard,5 maken melding van dit opmerkelijke feit. De Annales regni Francorum melden zelfs de naam van het beest: Abul Abaz.6 Van 802 tot 810 reisde de olifant in het gevolg van Karel de Grote door Europa, tot hij plotseling overleed.
Paul M. Cobb, professor Islamic History in het Middle East Center van de universiteit van Pennsylvania, hield diverse lezingen over dit onderwerp.7 Hij beschrijft de traditie van het schenken van olifanten en de symboliek daarachter. Al in de Hellenistische en Klassieke tijden werden bij het uitwisselen van geschenken olifanten gebruikt. Die traditie vond voortzetting in de islamitische wereld. Steevast betrof dat een koninklijke gift; meestal geschonken dóór een koning, maar altijd vóór een koning. Met de overdracht van Abul Abaz aan Karel de Grote erkende Haroen al Rashid dus diens soevereiniteit.
Cobb signaleert echter ook een mogelijk diepere symboliek achter de gift van Haroen al Rashid – een symboliek die met name in de islamitische wereld welwillend gehoor gevonden zou hebben. Sura 105 uit de Koran verhaalt hoe de Yemenitische koning Abraha naar Mekka trok om de Ka’aba te vernietigen. In zijn leger bevond zich ook de oorlogsolifant MaÈmũd. Bij de bestorming van de stad weigerde MaÈmũd zijn meester te gehoorzamen. In plaats daarvan boog hij nederig voor de muren van de stad.
In een (weliswaar relatief jonge) versie van dit verhaal heeft de olifant naast zijn naam MaÈmũd ook het teknonym8 Abũ’l-‘Abbãs. Hoewel deze versie enkel in een bron uit 1144 is overgeleverd, acht Cobb het niet onmogelijk dat Haroen al Rashid bekend was met dit teknonym, horend bij een voor alle moslims overbekende Sura. In dat geval bevat de naamgeving van Karels olifant een impliciete boodschap: net als MaÈmũd buigt elke aardse soevereiniteit voor de suprematie van de Islam.

Een van de frustrerende aspecten van het schrijverschap is het adagium kill your darlings. Veel boeiende onderwerpen die ik tijdens mijn onderzoek voor Het grote geschiedenisboek vond, kwamen terecht in een restmap op mijn pc. Zo ook Abul Abaz.
Natuurlijk was er wel plaats voor Roelands heroïsche ondergang in de bergen bij Roncevalles. Dit fascinerende verhaal over heldenmoed, opofferingsgezindheid en vriendschap verdient het om ook aan de nieuwe generatie doorgegeven te worden.
Niet lang na het verschijnen van Het grote geschiedenisboek kreeg ik het verzoek om een prentenboek bij het tijdvak van de monniken en ridders te schrijven. De doelgroep bestond uit zes- tot achtjarigen; niet bepaald een publiek dat je al met de krijgshaftige geschiedenis van Clovis, Karel Martel, Karel de Grote of de Vikingen wil confronteren. Maar het verhaal van Abul Abaz paste des te beter – dieren doen het altijd goed in kinderboeken. Zo schreef ik Een olifant voor de keizer.9
Sindsdien maakt het verhaal van Karels olifant deel uit van de voorstellingen die ik op scholen en in bibliotheken over de middeleeuwen verzorg. Met de prenten uit mijn boeken, maar ook met zwaarden, schilden, helmen en een koeienhoorn als substituut voor Roelands hoorn probeer ik de geschiedenis voor de jeugd te evoceren.

Tijdens een van die lezingen klikten plotseling twee verhalen in elkaar. Daar stond ik, met mijn koeienhoorn in de hand, te vertellen hoe Roeland bij een actie om Karel te bevrijden het paard Veillantif, het zwaard Durendal en de hoorn Olifant veroverde op de heidense koningszoon Aumes. Wie thuis is in de middeleeuwse literatuur verbaast zich niet over het feit dat paarden, zwaarden en zelfs een hoorn eigennamen hebben. Dat is een gegeven waarbij maar zelden de vraag naar de herkomst van die namen gesteld wordt.
Op dat moment echter realiseerde ik me dat er een opmerkelijk verband tussen Roelands hoorn Olifant en Abul Abaz bestond. Olifanten waren indertijd geen alledaagse bezienswaardigheid in Noordwest-Europa. En toch draagt de hoorn van Roeland de naam Olifant.
In Einhards biografie van Karel de Grote wordt Roelands dood in de Pyreneeën al beschreven.10 Daar is echter nog geen sprake van Roncevalles of het waarschuwen van Karels hoofdmacht met een hoorn. Die elementen moeten ergens in de ontstaansgeschiedenis van het Chanson de Roland aan het epos zijn toegevoegd. Dit beroemde verhaal is tegen het einde van de elfde eeuw op schrift gesteld. Daarvoor maakte het echter al furore, getuige diverse oudere vermeldingen. Zo zong Taillefer de Normandische troepen voor de slag bij Hastings in 1066 moed in met het voordragen van de heldendaden van Roeland en Olivier, die bij Roncesvalles sneuvelden.11 
Roelands heldendood was dus al bekend voordat het Chanson de Roland op perkament gezet werd. Of ook zijn hoorn Olifant al in die versie een rol speelde, zal wel nooit meer achterhaald kunnen worden.

Vanuit een andere hoek wordt daar echter wel een aanvullend argument voor aangedragen. Van de 11de tot en met de 14de eeuw –de periode waarin ook het Chanson de Roland zijn opmars op perkament maakte– voegde praktisch elke zichzelf respecterende kerk en vorst een ivoren hoorn aan zijn schatkamer toe. De slagtanden van olifanten leenden zich uitstekend voor het bewerken tot een pronkhoorn. Jachttaferelen werden in het ivoor uitgesneden en de hoorns werden vaak met goud en edelstenen ingelegd. Uitgehold konden ze daadwerkelijk een machtig geluid voortbrengen.
De verschillende typen worden onderscheiden naar hun herkomst uit de Islamitische wereld, Byzantium en Europa (voornamelijk uit Zuid-Italië). In totaal zijn er nog 75 van deze hoorns overgeleverd, verspreid over musea, kerkschatten en privécollecties. Op basis van overgeleverde kerkinventarissen kan geconcludeerd worden dat dit soort artefacts in de loop van de tijd stevig gedecimeerd is, net als met onze middeleuwse literatuur het geval is. Daarbij moet worden aan aangetekend dat de hoorns in de luwte van kerkschatten en vorstelijke kabinetten een wat grotere overlevingskans lijken te hebben gehad dan menig andere kunstvorm.
In de kerkinventarissen worden deze hoorns cornea eburnea genoemd, maar in de ‘volksmond’ staan ze bekend onder de naam ‘Oliphant’.12 
Het Grove Dictionary of Art13 suggereert een direct verband tussen Roelands hoorn Olifant en de wijdverspreide populariteit van de Oliphants, maar laat in het midden of het Chanson de geste daar direct aan bijdroeg, dan wel die populariteit reflecteerde.

Het Chanson de Roland vertelt hoe de hoorn Olifant -gevuld met goud en geld- na Roelands dood op het altaar van de basiliek Saint-Seurin in Bordeaux wordt gelegd, goed zichtbaar voor de pelgrims die daar komen. Voor zover ik kan overzien, komt geen van de overgeleverde Oliphants uit Bordeaux.
Wel bevindt er zich nog een in de schatkamer van de Akense dom.

En dat brengt ons weer dicht bij Karel de Grote, die in Aken begraven ligt. De verleiding is groot om een verband te leggen tussen de Akense Oliphant, Roelands Olifant en Karels olifant Abul Abaz. De eerlijkheid gebiedt echter te zeggen dat er tussen de dood van Abul Abaz en de productie van de Oliphant14 meer dan twee eeuwen liggen. En sindsdien is er nog eens een compleet millennium verstreken.
Wat ons rest zijn de verhalen over Karel de Grote en zijn pairs. Hun roem heeft de tand des tijds doorstaan, maar een onophoudelijke stroom van vertellers heeft hun heldendaden opgesmukt en aangepast aan wisselende literaire trends of culturele sentimenten. Is het in dat licht bezien bezwaarlijk als ik daar mijn eigen sentiment aan toevoeg en mijn jeugdige publiek op de mouw speld dat Roelands hoorn uit de slagtand van Abul Abaz vervaardigd is, en dus van Bagdad via Aken in Roncesvalles terechtkwam?


Literatuur

  • Firchow, E.S. (ed.), Einhard,Vita Karoli Magni’. Das Leben Karls des Großen. Stuttgart, 2008.
  • Keller, H.E., Autour de Roland: Recherches sur la chanson de geste. Paris, 2003.
  • Kurze, F. (ed.), ‘Annales regni Francorum. Monumenta Germaniae Historicae: Scriptores rerum Germanicum in usum scholarum. Hannover/Leipzig, 1895.
  • Shalem, A., The Oliphant: Islamic Objects in Historical Context. Leiden, 2004.
  • Sonnemans, G. e.a., Het grote geschiedenisboek. Groningen, 2005.
  • Sonnemans, G., Een olifant voor de keizer. Drunen, 2008.
  • Turner, J. (ed.), The Grove Dictionary of Art. Oxford, 1996.

 

=============================================
  1. Een daarvan, in het Luxemburgse Rumelange, heb ik vermeld in mijn bericht over iconografie; andere voorbeelden volgen in een later bericht
  2. Bij een totum pro parte noem je het geheel, terwijl je maar een deel ervan bedoelt. Het omgekeerde is een pars pro toto: je noemt een deel terwijl je het geheel bedoelt: “de bemanning telt 35 koppen”
  3. Het geschiedenisonderwijs is sinds 1999 gebaseerd op de indeling van de geschiedenis in tien tijdvakken, zoals opgesteld door de Commissie De Rooij. Het tijdvak van de monniken en ridders loopt van 500 tot 1000. In 2009 werd naast deze indeling de canon van Nederland (opgesteld door de Commissie Van Oostrom) mede leidend voor het geschiedenisonderwijs.
  4. Sonnemans e.a. 2005
  5. Zie Furchow 2008, p. 34-35. Einhard schreef zijn Vita Karoli Magni tussen 817 en 830 in opdracht van Karels zoon Lodewijk de Vrome.
  6. Kurze 1895, 801, 802 en 810.
  7. Onder andere op de vierde Vagantes Conference aan de University of Notre Dame in 2005.
  8. Teknonymy is de gewoonte in onder andere meerdere culturen, waaronder de Islamitische, om mensen én dieren naast hun gewone naam een bijnaam te geven, gebaseerd op de naam van het oudste kind.
  9. Sonnemans 2008
  10. Zie Furchow 2008, p. 22-23. Bij Einhard heet Roeland ‘Hruodlandus Brittannici limitis praefectus’, markgraaf van Bretagne
  11. Zie Keller 2003.
  12. Zie Shalem 2004 voor een uitgebreide studie van de Oliphants.
  13. Turner 1996
  14. De Oliphant in Aken wordt gedateerd op de 11de eeuw.
=============================================

Zwarte Piet, Ras en Bomans

Ik dacht dat ik met mijn vorige Zwarte-Pietenbericht aan de vlugge kant was, maar ik sloeg de plank 50 jaar mis, net als die protesterende Amsterdammers die godweet niet eens weten waar Wanroij ligt, daar in de buurt van Boxmeer.
Godfried Bomans, nooit te beroerd om met zijn humor zijn wetenschappelijke inferieuriteit te maskeren, trok fel van leer.

Ik ga steeds anders aankijken tegen Kuifje in Afrika. De blote nikkertjes op bovenstaand plaatje hebben een R.K.-Schaamlapje voor; van die Hergé-strip hier links bestaat een natuurlijke make-over.
Op Geschiedenis24 verscheen eind oktober het volgende bericht, dat ik hier integraal en zonder verder commentaar weergeef, behoudens het weergaloze commentaar van Wanroij’s burgemeester in 1963, dat: ‘noch St. Nicolaas, noch zijn knechten aan tijd gebonden zijn. Daarom behoeven zij ook nimmer aan de tijd te worden aangepast.’
Denk daar maar eens over na.

 

 

Wanroij 1963: hoofdonderwijzer eist witte knecht voor Sint
Gevolg: dorpsbewoners stoppen witte knechten in de zak

23 oktober 2013
JURRYT VAN DE VOOREN

Het Brabantse Wanroij was in 1963 het centrum van een nationale rel rond Zwarte Piet nadat hoofdonderwijzer Arnold Ras had voorgesteld deze te vervangen door witte knechten. ‘Kleurlingen ergeren zich eraan, omdat ze het als rassendiscriminatie beschouwen.’ Godfried Bomans reageerde furieus: ‘Het spijt mij dat het lager onderwijs te Wanroij in handen ligt van een man, die zulke streken bedenkt, want lager kan het niet.’ Tijdens de Sinterklaasintocht in Wanroij werden de witte knechten in zakken afgevoerd als een soort van volksgericht. Geschiedenis24 heeft hiervan unieke filmbeelden gevonden.

‘Kleurlingen ergeren zich eraan’
De R.K. Lagere School in het Noord-Brabantse Wanroij stond in 1963 onder leiding van Arnold Ras. Dat jaar trok hij nationale aandacht, omdat hij weigerde Zwarte Pieten toe te laten op het Sinterklaasfeest op zijn instelling. Op de website van het Brabants Historisch Informatie Centrum BHIC staat een terugblik op deze affaire.

Ras was in diezelfde tijd hoofdredacteur van het Wanroijs Nieuws voor Iedereen. Hierin werden voor de eerste keer zijn problemen met Zwarte Piet weergegeven: ´Hij heeft vooral opvoedkundige argumenten voor zijn stelling,’ aldus het BHIC. ‘Op het moment dat de kinderen erachter komen dat de Sint niet bestaat, zou het hele Sinterklaasfeest alleen maar een gezagscrisis veroorzaken. En hij vindt dat het feest van het schrikelement van Zwarte Piet moet worden ontdaan. Zwarte Piet zou beter kunnen worden vervangen door een blanke diaken en er zou eerlijk tegen de kinderen moeten worden gezegd dat het om een verkleed persoon gaat.’
De jute zak moest worden vervangen door een plastic tas, voegde Het Vrije Volkdat de kwestie oppiktedaaraan toe: ‘Zodat de kinderen direct zien dat hij bestemd is voor het vervoer van snoep en niet voor deportatie naar Spanje.’ Met andere woorden: Zwarte Piet werd teveel als boeman gebruikt en dat was pedagogisch onverantwoord.
Dagblad De Tijd had Ras zelf gesproken over Zwarte Piet, waarbij de hoofddocent nog een andere bezwaar formuleerde: ‘Kleurlingen ergeren zich eraan, omdat ze het als rassendiscriminatie beschouwen, dat de zwarte als knecht fungeert.’ Daarom mocht Zwarte Piet niet meedoen aan het Sinterklaasfeest op zijn school.
Het feest zelf ging overigens gewoon door, benadrukte Ras, want met Sinterklaas was niets mis.

Godfried Bomans: ‘Ras moet in de zak’
De reacties op het voorstel van Ras waren net als nu uiterst fel en haalden de nationale kranten. Godfried Bomans schoot uit zijn slof in zijn column in De Volkskrant.

Van hoofddocent Ras deugde helemaal niets, aldus Bomans: ‘Het spijt mij dat het lager onderwijs te Wanroij in handen ligt van een man, die zulke streken bedenkt, want lager kan het niet. En hoewel volwassenen in het algemeen zelden in de zak gaan, meen ik toch dat we hier geen keus meer hebben. Ras moet in de zak. Dat zal in Wanroij wel even een gezagscrisis geven, maar dat vind ik beter dan dat alle ouders over heel Nederland hun naaste familie gaan verraden. Het Sinterklaasgeheim is een van de best bewaarde geheimen in ons koninkrijk en wanneer we ergens een lek zien, dan moeten we dat stoppen. Ras is zo’n lek. Daarom stoppen we hem, en wel in de zak.’
Het verwijt van racisme wierp Bomans verre van zich: ‘Ach heer, ook dat nog. De Afrikaanse bevolking vindt het niet prettig, zo meent hij, om in Nederland voor boeman te spelen. Ik geloof dat Ras de kennis in Oeganda en Tanganjika van Nederlandse gebruiken te hoog aanslaat. Zeker, ze houden ons daar nauwlettend in het oog, daar kun je donder op zeggen, maar dat ze van Zwarte Piet weten en daar ernstig onder gebukt gaan lijkt mij een overschatting van een algemene ontwikkeling.’

Zwarte Pieten illegaal geronseld
Al snel bleek dat Ras niet namens alle inwoners van Wanroij sprak. Sterker: in het geheim spanden ze zich samen tegen de komst van de witte knechten. Achter de rug van Ras werden tientallen Zwarte Pieten geregeld voor de intocht van Sinterklaas in Wanroij. Aan de aanwezige kinderen werd daarop gevraagd wat ze liever hadden: een Zwarte Piet of een witte knecht. Nadat de plaatselijke jeugd zich tegen de witte knechten had gekeerd, werden deze afgevoerd alsof het misdadigers waren. (zie filmbeelden)

Bert Lodewijks is van Stichting Wanroijs Actie Comité, waarvan Ras zelf lid is geweest. Hij heeft de filmbeelden bewaard van deze rumoerige intocht uit 1963 – weliswaar zonder geluid, maar duidelijk genoeg en in kleur. Hierop zien we inderdaad – na negen minuten – hoe de witte knechten onder de ogen van Sinterklaas en alle aanwezigen in plastic zakken worden gestopt (zaten daar wel luchtgaten in ???), de trap afgedragen en verwijderd.
Burgemeester Smulders maakte uiteindelijk een definitief einde aan de Pieten-strijd in zijn dorp. In een toespraak tot de Sint, de overgebleven Zwarte Pieten en de bevolking van Wanroij kwam hij voor de laatste keer terug op de oproep van Ras: ‘Overigens is de pennestrijd ontstaan door een vergissing in het Wanroijs Nieuwsblad voor Iedereen. Daar weet men niet, dat noch St. Nicolaas, noch zijn knechten aan tijd gebonden zijn. Daarom behoeven zij ook nimmer aan de tijd te worden aangepast.’
Om toch nog als een goed burgervader zijn hoofddocent enigszins in bescherming te nemen: ‘De man, die de vergissing gemaakt heeft, hoeft daarom nog niet zwart gemaakt naar Spanje gestuurd te worden.’

Daarmee werd een einde gemaakt aan het idee van Ras om de Zwarte Pieten te vervangen door witte knechten. Maar dat was in 1963. Vijftig jaar later blijken de sentimenten inmiddels toch een tikje anders te liggen.