Scheef perspectief

Zo rond de eeuwwisseling verzorgde ik een college “Logica en taal” aan de eerstegraads opleiding in Nijmegen. Omdat veel van de inhoud van die bijeenkomsten nog steeds zinvolle informatie bevat, en de actualiteit dat nog eens onderstreept, licht ik er een tweetal onderdelen uit: het correct gebruik van oorzaak-gevolgrelaties (argumentatieleer) en het egocentrisch perspectief (communicatieleer). Wie het leest, zal het wel herkennen, of op z’n minst snappen.

Geldige conclusies trekken uit waarnemingen of aannames is geen sine cure, al is het maar omdat de spreker/schrijver wellicht bijbedoelingen heeft (zoals in de reclame of De Telegraaf) en zo tot ongeldige of betwistbare conclusies kan komen. Of gewoon slordig is. Of het niet kan opbrengen de schuld bij zichzelf te zoeken – het “extern attribueren”, waarover verderop meer.

Een geweldig mooi, klassiek voorbeeld van moeizaam, maar gedegen analyseren en argumenteren staat in Hempel, Filosofie van de natuurwetenschappen. Aula 453. Het is het verhaal van dokter Semmelweis die rond 1850 werkte in een Weens ziekenhuis en werd geconfronteerd met het verschijnsel dat er op de ene kraamafdeling vier keer zo veel vrouwen aan kraamvrouwenkoorts overleden als op de andere afdeling. Zijn eerste vijf conclusies op grond van waarnemingen, vooronderstellingen en aannames bleken onjuist te zijn; pas bij zijn zesde poging kwam de ware oorzaak aan het licht (hygiëne) en kon de juiste conclusie worden getrokken (handen wassen). Lees het hele verhaal er maar op na; het is uiterst illustratief.

Een voorbeeld uit de meer recente tijd is de volgende situatie: je auto heeft net in de garage een grote beurt gehad. Je rijdt ermee weg, maar na een tijdje constateer je dat bij rechtuit rijden het stuur toch een tikkie scheef staat. Foutje van de garage dus, is de eerste gedachte, extern attribueren. Maar misschien zit je zelf wel te bellen onder het rijden en heb je niet in de gaten dat je aan het slingeren bent.
Natuurlijk kan het zo zijn, dat ze in de garage het stuur eraf hebben gehad en niet recht op de stuurkolom hebben teruggezet. Of dat ze de voorwielen niet correct hebben uitgelijnd. Informeer daar rustig naar. Maar niet voordat je eerst even analyseert/controleert of:

  • er een verschil in bandenspanning is tussen linker en rechter voorwiel;
  • er een straffe zijwind staat;
  • de weg niet een flauwe bocht maakt;
  • het wegdek een beetje schuin afloopt;
  • er een of ander defect in de stuurinrichting is.

Ik bedoel maar: niet te gauw denken dat je weet op wie je de schuld kunt schuiven.

Een en ander staat niet los van het begrip “perspectief”; noem het “gezichtspunt” of “point of view”. Heel simpel: als de heilige Sebastiaan met pijlen wordt beschoten, staat hij voor de boom, de schutters staan voor hem en Sebastiaan staat voor het schutterspeloton. Maar de pijlenvangman die alle misgeschoten pijlen moet gaan oprapen zal met even veel recht beweren dat Sebastiaan achter de boom staat en het vuurpeloton achter Sebastiaan.

Ander voorbeeld: je doet bij pech de motorkap van de auto open en moet dan, volgens het boekje, van het linker tankje de dop afschroeven om vloeistof bij te vullen. Waar zit dat tankje? Links vanuit de ontredderde bestuurder gezien die voor de auto gebukt staat, of links vanuit de angstige bijrijdster gezien die in de auto is blijven zitten omdat het regent? In de Dauphine is het nog veel leuker: daar zit de motor achterin, en laatst las ik in een instructieblad van een stroboscoop dat ik van de voorste bougie de kabel moest aftrekken. Ik had geen flauw idee om welke van de vier bougies het ging.
Dit perspectiefprobleem lost zich vaak spontaan op: van veel voorwerpen is het evident dat er een soort intrinsieke voorkant is: menselijk lichaam, auto, huis, waarmee begrippen als voor-, achter en zijkant eenduidig zijn aan te geven. Maar een aansteker heeft geen voorkant, en een boom al helemaal niet.

Dan nog ben je er niet, en iedereen die zich met schilderkunst, beeldhouwkunst of fotografie bezighoudt, herkent dat probleem: als je recht voor de meneer op bijgaande foto gaat staan, kijkt hij je stoïcijns aan; sta je wat van opzij, zoals op de foto, dan kijkt hij je niet meer aan.

 

 

 

Maar mijn grootvader, hier op bijgaande foto en schilderij, kijkt je niet aan, of je er nou recht voor gaat staan, of van opzij, noch op de foto, noch op het schilderij.

 

 

 

En een tv-komiek die recht in de lens kijkt (of net iets daarboven, heeft men mij ooit eens verteld) blijft je aankijken, ook al ga je een eind opzij staan; daar is geen ontkomen aan. Dat is het verschil tussen twee- en driedimensionale weergaven; laat ik het daar maar op houden.

 

De ervaring leert, en weest allen daarop bedacht, dat mensen nogal vlotjes geneigd en genegen zijn het zogenaamde “egocentrisch perspectief” te hanteren. Zoals ooit eens Jerusalem het middelpunt der toen nog platte aarde was, en later Rome -weer iets later liep het met Berlijn minder florissant af- gaan wij er quasi spontaan van uit dat wij zelf het middelpunt van de situatie zijn, en dat we alle daarbuiten gelegen waarnemingen en gebeurtenissen vanuit ons eigen perspectief mogen beschouwen. Zeker als het om iets slechts of gevaarlijks gaat: doet de pc niet wat je wilt, dan deugt het programma niet of is de pc gewoon kapot. Extern attribueren, heet dat. De schuld aan een ander geven, zonder je te realiseren dat je misschien wel zelf op een verkeerde knop hebt gedrukt.
Het mooiste voorbeeld van egocentrisch perspectief vind ik:

(Bijrijdster tegen chauffeur:) “Pas op! Daar komt een bocht aan!”
Het is de bekende probleemstelling of je in een rijdende trein nu stilzit of je voortbeweegt.

Ook wel aardig: toen ik eens op het dak van ons schuurtje in Boxmeer de dakgoot aan het schoonmaken was, riep het buurjongetje, dat mij bezig zag: “Buurman, waar is jouw buurvrouw?” Kinderen hanteren bij uitstek het egocentrisch perspectief, omdat zij nog zo in hun belevingswereld zitten gevangen dat ze zich niet in die van een ander kunnen verplaatsen. En dus gaan zij er met het grootste gemak van uit dat ieder die bij hen over de vloer komt ook weet wie Tante Joke en Ome Klaas zijn.

Ik kwam op dit bericht door die Jamaicaanse VN-mevrouw die gisteren doodleuk beweerde dat wij sinterklaas maar moeten afschaffen. Als een volleerd kind zat ze zo in haar culturele Santa-Clauswereld opgesloten dat ze zich warempel serieus afvroeg waarom die idiote Hollanders twee Santa Clauses moeten hebben. En om de VOC-mentaliteit nog maar te onderstrepen, maakte het bijbehorende Engelstalige VN-advies gewag van “Swarte Piet”; zie de 2e alinea van bladzij 1.

Laat haar met Prem een glaasje arômatische Rhum gaan drinken, ergens op een onbewoond eiland.

 

Wie krijgt de Zwarte Piet?

Het behoort tot de folklore dat de folklore wordt onderworpen aan kritische blikken. Te dieronvriendelijk, milieubeschadigend, pedagogisch of medisch onverantwoord. Kortom alles wat je tegen vlees en cola kunt hebben, kun je ook inzetten tegen tal van folkloristische evenementen. Nu Sinterklaas weer eens uit Spanje, Turkije of de kast dreigt te gaan komen richten sommigen hun pijlen op Zwarte Piet, die zwartbesmeurde levende herinnering aan onze blanke, koloniale gevoelens van suprematie.

In DWDD van dinsdag 15 oktober fulmineerde Prem Radhakishun op de van hem bekende wijze tegen het feestelijk te koop lopen met nepnikkertjes alsof Suriname nog van ons is en er sinds Kuifje in Afrika niks is veranderd. Hij deed dat in het verlengde van de 21 Amsterdamse bezwaarden die vinden dat de intocht in de hoofdstad niet mag doorgaan, althans niet met een groot Zwarte-Pietengevolg. De hoofdstedelijke burgervader stelt zich vooralsnog terughoudend op en wil niemand voor het hoofd stoten, gezien het artikel van vandaag in De Volkskrant, p.4:

“Burgemeester Eberhard van der Laan, die over de vergunning voor de intocht gaat, blijft graag in gesprek met de tegenstanders van Zwarte Piet, zegt een ambtenaar. Hij wil zoeken naar een intocht die rekening houdt met elkaars gevoeligheden, zonder de traditie van het sinterklaasfeest geweld aan te doen.”

Wat mij het eerste opvalt, is dat Zwarte Piet met hoofdletters wordt geschreven, en sinterklaas niet, hetgeen overigens in de Van Dale ook zo wordt aangegeven.

Maar terug naar Prem, die volgens mij wel een punt heeft als hij zegt dat je negers niet door een beroete schoorsteen moet duwen als je huis over blokverwarming beschikt. Echter, hij ziet een viertal niet te veronachtzamen argumenten over het hete hoofd.

Ten eerste zijn Zwarte Pieten historisch gezien geen zielige Afrikaantjes, zo zwart als roet, laat staan dat hun verschijning een koloniale kwalijke geur ademt. Zie wat dat betreft ook het vergeet-me-nietartikel van Joost Pollmann uit 2012 (http://joostpollmann.nl/beeldcultuur/nieuwe-rel-om-kuifje-en-kolonalisme/). Nee, onze Zwarte Pieten zijn de zwarte raven Huginn (geheugen) en Munnin (gedachten) van Wodan die als boodschappers op aarde gingen luisteren wat er zich zoal in de huizen afspeelde. Bij de eeuwenlange kerstening van Europa poogde de Kerk bestaande feesten, bijgeloof en folklore in een christelijke jas te steken. Onze Zwarte Piet komt dus uit Scandinavië, niet uit Afrika of Suriname.

Ten tweede: Sinds de tachtigjarige oorlog, toen Prem nog niet hier was (ik ook niet trouwens), hebben wij in Nederland een samenleving opgebouwd die voor een groot deel is gebaseerd op het accepteren van verschillen, ongeacht of die van religieuze, sociale, culturele of taalkundige aard zijn. Soms gaat die acceptatie knarsetandend met tegenzin (jaren-’40, Janmaat, Wilders), soms achteloos schouderophalend (“ach, laat ze maar”), soms met moeite (lees het wegkijken in Belcampo’s Het grote gebeuren), soms met een vreugdevol gevoel van verrijking die anderen aan ons te bieden blijken te hebben (wat alleen al aan onze veranderde eetcultuur is te merken). Het is een pluriformiteit die wij mogen koesteren en voor Prem is er geen enkele reden zich zo erover op te winden dat anderen anders zijn.

Ten derde: Zelfs de traditionele Zwarte Piet is aan evolutie onderhevig. Was het vroeger zo dat wij ons hem voorstelde als een boeman met een roe die stoute kindertjes kwam afranselen en eventueel zelfs in zijn zak stopte om te deporteren naar Spanje, vandaag de dag is zijn optreden eerder een harlekinade van vrolijke volgelingen van de sint die uit hun zak snoepgoed halen en rondstrooien. Van kwaadaardigheid is allang geen sprake meer.

Het zal wel puur toeval zijn, dat in diezelfde Volkskrant van vandaag, op p.15, het volgende artikel staat te lezen:

“Vader geeft zoon pak slaag: 500 euro boete.
Een Franse vader is veroordeeld tot 500 euro boete, omdat hij zijn 9-jarige zoon een pak voor zijn broek had gegeven. De man was aangeklaagd door zijn ex. De 9-jarige Daniel weigerde consequent bonjour tegen zijn vader te zeggen. Daarop werd Lionel Lecante (44) zo boos dat hij hem een pak rammel verkocht, ‘zoals ik zelf ook heb gekregen toen ik kind was’. Hij werd veroordeeld omdat hij ‘geweld’ had gebruikt en de jongen ook had ‘vernederd’, omdat hij hem een pak voor zijn blote billen had gegeven.
Volgens Lecante is de relatie met zijn zoon flink opgeklaard sinds het incident. ‘Ik geloof dat hij meer te lijden heeft door het familieconflict met mijn ex-vriendin.’
Volgens een enquête uit 2007 heeft 87 procent van de Fransen zich ooit ‘schuldig’ gemaakt aan deze vorm van ‘geweld’ tegen hun kinderen. Het vonnis in Limoges past echter in een mondiale trend, waarin steeds strenger wordt geoordeeld over de ‘corrigerende tik’. In 32 landen, waaronder Nederland, is pedagogisch slaan wettelijk verboden.”

Deze gebeurtenis op 11 oktober wordt in tal van Franse media gememoreerd en besproken, met naam en toenaam en foto’s van papa erbij. Zo gaat dat in Frankrijk.

Tijden veranderen. Zwarte Piet is geen boeman meer en gaat niet tuchtigend en beangstigend rond. Dan is er ook weinig reden voor ons om hem als ‘slecht’ te kwalificeren of denigrerend over hem te denken.

Ten vierde: bij mijn weten is het pedagogisch volstrekt verantwoord kinderen op te voeden met de wetenschap dat zij in twee werelden tegelijk kunnen leven: naast de alledaagse werkelijkheid bestaat er ook een fictieve werkelijkheid, die van dromen, van sprookjes, van films en literatuur, van kerst- en sinterklaasliedjes. Hoe anders zou een kind adequaat kunnen gaan reageren op wat zich een leven lang voordoet aan werkelijkheden en ficties. “Sinterklaas bestaat niet”, riep Prem provocerend uit in DWDD. Nee. God wel, dan? Of onze koloniën in de West dan? En dus moeten we daarover maar zwijgen en er met geen enkel attribuut aan refereren?

Laat Prem zich voor de variatie eens gewoon wit schminken, baard, mijter en tabberd aanmeten, en dan met een staf in de hand en een grote pleister op de mond plaatsnemen op een uiteraard spierwitte schimmel. In die outfit kan hij dan onbeschroomd paraderen door kinder- en dromenland, als hij er maar voor zorgt dat hij zijn Zwarte Pieten steevast op twee passen links en rechts achter zich houdt.