Een doorsnee dag

Wat doet hij nou eigenlijk de hele dag daar in Rosoy, en waarmee heeft hij het steeds zo druk?
Nu lijk ik wel een dominee die een nooit gestelde vraag als start voor zijn preek verzint, omdat die vraag zo goed aansluit bij het verhaal dat hij ergens heeft opgeduikeld.

Niets is echter minder waar. De vraag wordt me opvallend vaak gesteld, uit belangstelling, nieuwsgierigheid of verwondering. Hopelijk niet uit medelijden of afgunst.
Daarom licht ik voor één maal een tipje van de sluier op – wat zeg ik? Nagenoeg het hele boven- en onderkleed van een doorsnee dag ga ik hier reveleren door een verslag te geven van afgelopen dinsdag. Een dag zonder afspraken tenminste, want anders had ik de helft van het onderstaande niet eens kunnen doen.

08:30  Opstaan; een beetje normale tijd. Beneden de luiken openmaken, koffie zetten en de eerste sigaret opsteken. Over die volgende 25 ga ik het nu verder niet hebben. Louki voederen, want als ik beneden kom, is ze er binnen de minuut en heeft ze vreselijk honger. Buiten is het mistig, vochtig en fris, een graad of tien, maar het belooft een zonnige en warme dag te worden.

08:45  De pc aanzetten en de online Volkskrant lezen, mails checken en betalingen bekijken. Even een kwartiertje de Zibrokachel aanzetten en ± 27 vliegen doodmeppen.

09:30  Aankleden en de achtertuin in om appels te gaan plukken. Ze zien er niet best uit, dit jaar. Een kleine 100 op een fruitplateau te drogen leggen, maar aan de bomen te zien lijkt het of ze er nog allemaal in hangen. Een kennis uit het dorp komt langs en brengt een zak met 4 kilo perziken uit haar tuin. Ook dat nog. Moeten stuk voor stuk worden geschild en ontpit, en dan maar coulis of compote ervan gaan maken.

10:15  Met de auto naar Chalindrey, naar de bank om geld over te hevelen van de ene op de andere rekening en naar de Colruyt voor een aantal kleine boodschappen.

10:45  Boodschappen uitladen en even door de voortuin lopen om te kijken hoe alles er bij staat en of er weer veel nieuwe molshopen zijn. Valt mee vandaag. Twee eieren koken, eentje voor nu, de andere alvast voor morgen. Spaart weer tijd en elektra uit. Louki eten geven, want ze heeft vreselijk honger.

11:15  Ontbijt. Sommigen zullen dat wat laat vinden, maar wie niet werkt, zal niet eten, dus zo rond de middag is er wel wat brood verdiend.

11:30  Weer mail checken, kijken of er boekbestellingen zijn geplaatst en/of betaald. Diverse bestanden op de pc bijwerken.

11:45  Met de auto naar het landje om aardappelen te rooien. Er zal zo’n kleine 100 kilo uit de grond komen; ik ben nu net op een kwart. Het blijft deze week droog, dus ik kan wel goed opschieten, zeker omdat de kleigrond niet zo keihard is. Maar wel moet je eerst de overwoekerde aanplant ontdoen van de vele, hardnekkige queu de renard, heermoes in het Nederlands, geloof ik, en de nog veel ergere slierten slingerende liseron, wat in het Nederlands akkerwinde heet.

13:45  Terug thuis de aardappelen wegen; blijkt vandaag 7½ kilo te zijn, wat minder dan gisteren. In dit tempo krijg ik het deze week niet af, maar het is zwaar werk en om de kans op het Mauthausensyndroom te verkleinen, stop ik er na anderhalf uur mee. De oogst van de dag in het grind leggen om te drogen en te sorteren in (gave) bewaaraardappelen en aangetaste/per ongeluk met de spa doorgesneden exemplaren die zo gauw mogelijk gegeten moeten worden.

14:15  Een bakje geconcentreerde, ingevroren runderbouillon laten ontdooien. De laatste kervel uit de achtertuin plukken, steeltjes eraf, wassen en fijnhakken.

 

 

 

14:30  De nu wel droge aardappelen ontdoen van aangekoekte klei, en in kistjes in de cave leggen, onder het plateau met de appels en de perziken.

15:00  Te vroeg om er mee op te houden; te laat om nog ergens aan te beginnen. Iemand schreef dat ooit eens, maar ik ben vergeten wie dat was. Hij had wel gelijk. Toch nog maar even een volle krat met rot fruit in aanhanger geleegd die in de hangar staat en nog wat frambozen plukken. Een onsje vandaag; gisteren was het nog een half pond. Even afspoelen en dan toevoegen aan de weckpot met 40% alcool pour fruits die in de cave staat. Komt altijd wel een keer van pas. Morgen met die aanhanger misschien naar de dechetterie rijden, als ik er tijd voor heb, want hij begint al aardig vol te raken. Louki heeft intussen weer vreselijk honger, aan haar typische mauwtje te horen.

15:20  Maar weer eens mail en bankzaken checken. De firma Gonomad gebeld omdat de tablet die ik ooit van Bakker Zaden (Hillegom/Lille) gratis had verworven het eigenlijk na een maand al niet meer deed. Na 2½ minuut in de wacht te hebben gestaan wordt de verbinding verbroken. Morgen nog maar eens proberen.

16:00  Vast onderdeel van het dagelijks ritueel: naar het terras met een pot bier. Meestal een van de soorten Amsterdam bier (van Grolsch), of Gulpener Gladiator (ook van Grolsch), ook vaak beugelflesjes Fischer bier (net als die van Grolsch, maar dan uit de Elzas). Daartijdens de reclamepost doornemen en oeverloos veel nutteloze dingen tegenkomen die met korting worden aangeboden: onderzetters voor plantenbakken op wieltjes, elektraslurpende bijzetkacheltjes, handige uiensnijders (ook voor wortelen en komkommer; “Zwiebeln schneiden ohne tränen”, maar het schoonmaken van zo’n ding is om te janken), biezen mandjes voor haardhout, waarin ongeveer net genoeg past voor 1 uur stookplezier. Nog wat kleine klusjes doen, zoals de plantenbakken water geven. Verder bijna steeds Louki op schoot, want die wil van dit dagelijkse terrasje geen minuut missen.

17:00  De pelletkachel schoonmaken, in ieder geval de vuurkorf en de ruit. Hij is wel nog maar nauwelijks aangeweest, maar iedere keer moet je die twee onderdelen schoonhouden. Eindelijk de dorpelstrip vastgeschroefd aan het afstapje van de keuken naar de garage. Lag al dagen los en het kwam er maar steeds niet van – zoals zo veel van die huis-tuin-en-keukenkarweitjes. Een fles wijn koel gezet voor vanavond; Sylvaner, ook al uit de Elzas.

17:30  Dan maar beginnen met koken. Eerst de kervelsoep voor morgen: de ontdooide, geconcentreerde runderbouillon aanlengen met een halve liter water, een ons gehaktballetjes toevoegen, met zoute roomboter en bloem een roux maken en daar de bouillon langzaam aan toevoegen, kervel erbij en dan niet meer laten koken. Morgen nog een ons gekookte rijst toevoegen en de maaltijd is gereed. Dan een stuk varkenshaas voor 3 dagen klaarmaken. Hier in Frankrijk kennen ze dat niet: een mooie, magere varkenshaas. Alleen bij de Aldi kun je die krijgen. Dus maar eerst al dat vet wegsnijden (“dénerver et dégraisser”). In dikke plakken snijden en in de boter bruin braden. Ui erbij (heel scherpe rode uien uit eigen tuin dit jaar), peper en mosterd. Aan het eind een grote scheut kookroom toevoegen en binden met aardappelmeel. Twee porties in bakjes om in te vriezen, de derde portie voor directe consumptie. Inmiddels ook al een kleine kilo van de eigen (beschadigde) aardappelen schillen en koken. Uit de tuin rucola plukken en die met citroensap in een bakje doen, naast een bakje met perzikcompote. Intussen stapelt zich al aardig veel afwas op. Nog maar weer eens mail &c. checken.

18:30  Eten. Heerlijk.

19:00  Zoals gebruikelijk even dutje doen op de bank. Dat wil zeggen: koffie inzetten, een sigaret rollen en dan wel of niet even inslapen.

19:30  DWDD kijken. Vaste prik.

20:00  Achtuurjournaal kijken. Vaste prik. Louki natuurlijk weer op schoot meekijken, want die wil ook wel bijhouden wat er gebeurt in Kenya en Syrië. Hoe duffer het nieuws, des te harder ze spint. Daarna tv gauw uit, behalve als, sporadisch, Feijenoord live te zien is.

20:20  Een controlerondje maken; alle ramen, luiken, poorten, hekken, deuren dichtdoen/afsluiten.

20:30  Ook een dagelijks gebeuren: na het nieuws Mieke bellen als die in Nederland zit en van alles uitwisselen en doorspreken.

21:00  Dan begint het laatste grote blok van de werkdag. Vanavond is dat: boeken invoeren. We hebben onlangs weer honderden boeken verkregen die online geplaatst moeten worden; soms gaat dat vrij snel, als het bijvoorbeeld om Simenons gaat, of romans van Hugo Raes (!), maar ik ben nu bezig met dikke pillen, platenboeken, studieboeken, de wat zwaardere en duurdere boeken die vaak lastig zijn te beschrijven en waarvan ik ook eerst een scan maak om erbij te kunnen plaatsen. Drie boeken in het uur is dan een “normaal” gemiddelde eer ze met foto en al in ons hoofdbestand staan, op onze eigen site en bij boekwinkeltjes.nl. Kijk ook maar eens naar mijn eerder apart bericht over die bezigheid. En daarna uiteindelijk ook een eerste aanzet van dit bericht schrijven.

01:00  Ter afsluiting van de werkdag: afwassen. Daar wordt een mens rustig van. Een half uur lang vier elektroden van mijn TENS-apparaat op de rug geplakt houden en mezelf zowat elektrocuteren om de rugpijn te verminderen. Zo niet, dan kom ik morgen mijn bed niet meer uit na al dat gespit en zo op het land, daags ervoor. Onderwijl genieten van een bulk kaasblokjes – Emental, de echte van Marcoux uit Andilly, hier vlakbij. Een soort laatste avondmaal. Dan nog even tanden poetsen en als slaapmutsje een ferme slok cointreau nemen – de echte “fabrication maison” van citroen, niet van sinaasappel deze keer; zie het aparte bericht daarover. Niet vergeten Louki eten te geven, anders komt ze de nacht niet door.

02:20  Naar bed. Buiten is het 12 graden; binnen 19. Alles is onder controle. Inslapen is nooit een probleem.

Heel vaag herinner ik me dat ik me vroeger thuis, in of vlak voor mijn puberteit, wel eens verveelde…

 

 

Met recht bezongen

=Boekbespreking=
Ze zijn er bij dozijnen: boeken van Nederlanders over Frankrijk en hun verblijf aldaar. En zelfs als je alle schrijfsels daarvan aftrekt die het infantiele niveau van de tv-serie Vive la Frans niet overstijgen, blijven er nog tientallen over die om welke reden dan ook de moeite van het lezen waard zijn. Meer dan alleen al de voortreffelijke werken van Martin Brill, Leo Prick, H.L. Wesseling en Ischa Meijer, bijvoorbeeld.
In 2012 publiceerde Rosemarijn Milo een verzameling brieven onder de titel Brieven uit La Dominance.
Een impressie en aanbeveling.

 

Begin 2006 vestigde Rosemarijn Milo (Amsterdam 1945) zich in Frankrijk. Samen met Yves Nicolay betrok zij een modern appartement in de “inbreiwijk” Queuleu in Metz, “calme et verdoyant”, zegt de immobilier, in een gebouw dat naar de naam La Dominance luistert. Vanuit die woonst leerde zij Metz kennen, zijn Frans-Duitse geschiedenis, de omgeving en, onvermijdelijk, de Franse gebruiken en gewoonten, woorden en letters der wetten en regelingen. Op mij, nog geen 200 km zuidelijker wonend, kwam een en ander bepaald niet onbekend over. Omdat zij bovendien een vakantiehuis bezaten in Marcilly-en-Bassigny, hier tien kilometer vandaan, leerde ik Rosemarijn en Yves kennen van bijeenkomsten en evenementen.

In 42 brieven, gedateerd tussen mei 2007 en juli 2009, beschrijft zij de periode dat zij in La Dominance woonden, inclusief de bouwplannen en -werkzaamheden van hun huidige ecologisch verantwoorde huis in Mey, ietsje oostnoordoost van Metz.

In de brieven komt een rijke hoeveelheid onderwerpen ter sprake, variërend van gezins-/familieleven tot gebouwen in Metz; van de frequent gebezigde inkortingen in het Frans (in het boek abusievelijk “afkortingen” genoemd) als véto, récré, impec; aan Franse afkortingen (SCICAE, INSEE, NIRPP), waarin Frankrijk Nederland naar de loef steekt, zou ook best eens een tenenkrommend berichtje kunnen worden besteed; van politiek (haar brieven vallen samen met de verkiezing van Sarkozy, met alle ellende van dien) tot de plaatselijke warme bakker, van rechtszittingen tot de perikelen rond de bouw van hun nieuwe woning in Mey. In dien zin lijken ze een pinacotheek te vormen. Maar de verbindende factor in het boek is de chronologie, de chrono, in  haar termen, die de logische volgorde der dingen bepaalt: de brieven lopen keurig netjes van 27 mei 2007 tot en met 23 juli 2009, met dien verstande dat op 8 oktober 2008 opeens 23 september 2008 volgt, hetgeen in ieder geval layouttechnisch onnodig was.

Ze zijn geschreven in helder, vlot te lezen Nederlands in een toon die eerder luchtig en losjes is dan stroef en formeel, eerder scherp en relativerend dan veroordelend, eerder humoristisch dan academisch. Ze laat de lezer alle ruimte zelf te oordelen, nodigt ook uit om dat te doen. Daarbij valt ze iets uit de toon als ze de PS, zeg maar de Franse PvdA, nogal neersabelt zonder dat dat ten faveure gaat van welke andere partij dan ook. Maar omdat ze tegen de PS ongeveer dezelfde bezwaren heeft als die ik heb tegen de PvdA en de Duitse SPD, zie ik dat door de vingers.


Haar werkwijze impliceert ook dat de diepgang van sommige onderwerpen wat oppervlakkig blijft, als ik die beeldspraak mag hanteren.
Zo is het bijvoorbeeld heel interessant te lezen dat er rond Metz zo veel plaatsnamen eindigen op -y (Pouilly, Nouilly, Marsilly, Mey, …), maar ontbreekt het gegeven dat die uitgang “water” betekent, hetgeen zij als rechtgeaarde Amsterdamse toch mocht weten: zowel de A- van Amsterdam als de IJ van het IJ en IJmuiden, zelfs -ij- in het boeiende Rijsel < Ter IJsala (= Lille, l’isle, waaraan door de volksetymologie onterecht de betekenis “lelie” werd toegekend, hetgeen nog in het stadswapen is terug te vinden ), beide dus in feite misspellingen, herbergen die toponymische herkomst. Het Frans is op dat punt nog veel rijker en onoverzichtelijker dan het Nederlands. Als het gaat om de veelheid aan mogelijkheden om een bepaalde fonetische weergave in letters neer te schrijven hoef ik maar te verwijzen naar de beruchte duo’s: “Au lion d’Or” vs. het oorspronkelijke “au lit on dort” en het nog complexere “Galle, amant de la Reine, alla -tour magnanime- gallament de l’arène à la Tour Magne à Nîmes”.

Rosemarijn is gelukkig te prijzen dat zij al na twee jaar haar Carte vitale mocht ontvangen (brief dd. 21 juni 2008); mij kostte het op een oor na vijf jaren. Lees die bureaucratische frustratie maar na op http://nardloonen.nl/2013/04/22/la-carte-vitale-ziekmakend/. Het neemt niet weg dat zij in die brief de spijker op de kop slaat.

Met Brieven uit La Dominance heeft Rosemarijn Milo een uiterst lezens- en aanbevelenswaardig boekje gepubliceerd, waarbij zij haar nauwelijks verhulde liefde voor Frankrijk en het Franse leven met recht bezingt, zonder daarbij haar muzikale en juridische opleiding al te zeer te laten domineren.

En we moeten dan maar voor lief nemen dat de prijs nogal hoog is (€ 17,95 voor 175 blzz. met foto’s in kleur en zwart-wit) alsmede dat zowel schrijfster als koper worden geconfronteerd met allerhande incompetenties, gebrek aan invoelen met (de couleur locale van) het onderwerp, een enkele niet-gecorrigeerde taal-/stijlfout, een irritant krommende kaft, en het gebruikmaken van 3 à 4 verschillende lettertypen op voorplat en titelpagina die op het conto moeten komen van POD-uitgeverij Boekscout. Het is een ergerniswekkende ervaring die Rosemarijn Milo in minstens even grote mate heeft ervaren als ik met diezelfde uitgeverij bij mijn publicatie over Hortes 1636.

______________________________________

Rosemarijn Milo, Brieven uit La Dominance. Soest 2012. Uitgeverij Boekscout.nl. ISBN 9789462064010. Prijs € 17,95. Te bestellen via www.boekscout.nl of rechtstreeks bij de schrijfster (niramory@gmail.com).

 

 

 

Een WISSE ?

Alles hangt met alles samen.
Onze bezigheden met de houtkap in het bos brachten mij op het woord wisse, synoniem met stère en kuub. Maar dat woord past perfect in het rijtje woorden dat ik eerder al publiceerde onder de titel contenu en contenant: een wisse is namelijk tegelijk datgene wat wordt omsloten (stapel brandhout van een kubieke meter) als ook datgene wat omsluit (het touw waarmee de bussel hout wordt bijeengebonden).

En in die laatste betekenis komt het dan ook nog eens voor in de door mij zo geliefde Reinaert. In het Comburgse handschrift komt de hierboven afgebeelde passage voor. Letterlijk staat er:

Doe Reynaert heesschede zijn deele
Andwoerdi hem in scerne :
‘Hu deel willic hu gheven gherne,
Reynaert, scone jonghelinc!
Die wisse daer die bake an hinc,
Becnause, so es so vet.’

Oftewel, in de hertaling door Walter Verniers uit 2002 (zie de site van het Reynaertgenootschap):

… Toen hij wilde weten
waar zijn aandeel in de buit
was, lachte jij hem vierkant uit:
‘Reynaert, mooie jongeling,
het touwtje waar het spek aan hing
is lekker vet! Hier! Zuig eraan!’

Reinaert de vos en Isegrim de wolf waren samen op strooptocht geweest om in een kelder een vette ham te verschalken. Isegrim ging ermee aan de haal, en toen Reinaert zijn deel opeiste, snauwde Isegrim hem toe dat hij maar aan de wisse moest knabbelen, die toch ook zo lekker vet was…  Een wisse was toen dus een van takken of stro gevlochten stuk touw waaraan je spekken en hammen in de kelder kon ophangen; nog steeds tref je wel bij rookworsten aan dat de uiteinden met een touwtje met elkaar zijn verbonden. Om op te hangen bij het roken? Alleen maar voor de Bühne, voor de show, voor de pura-pura?

Ik wil niet zo ver gaan dat ik ook kasteel Wissekerke, voorheen gem. Bazel, nu gem. Kruibeke, Oost-Vlaanderen, en gelegen aan de literair-toeristische Tibeertroute, in dit verhaal betrek, simpelweg omdat ik geen aanknopingspunt (sic!) heb om die naam met het touw in verband te brengen. Maar kasteel Wissekerke was wel de romantische plek waar ik op Pinkstermaandag 2001 een hofdag bijwoonde van de Orde van de Vossenstaart.

Zo heb ik dan toch maar weer van alles uit mijn activiteitenarsenaal bij elkaar weten te binden.

 

 

Niet langer in ‘t ongewisse

Fase 2 van de megaklus zit er inmiddels ook op: al ons hout uit het bos ligt nu bij ons in de tuin. Eén à twee jaar laten drogen en dan stoken maar.
Dat de hele transportonderneming vrij vlot is verlopen en voltooid, maakt ons een stuk rustiger.

We hadden bij dat transport gelukkig het voordeel van de hier zeer gebruikelijke burenhulp: onze buurman reed een aantal malen met zijn 4×4-japanner al dan niet met een soort aanhangwagen er achter; daarmee kon hij in het bos op plekken komen waar wij ons met onze luxe limousine niet heen waagden, zeker niet met onze aanhanger aangekoppeld. Dat zijn transportmiddel en -wijze niet geheel RDW-proof was, bleef gelukkig buiten onze verantwoordelijkheid. De Franse slag is hier af en toe nog zeer populair.

Onder de auvent konden wij, economisch stapelend, in totaal 14 stères te drogen leggen; de rest moet het doen met een buitenverblijf, tussen de toch al vrij zieke perzikbomen, en met een dekzeil om de regen tegen te houden, terwijl toch de wind en de zon het drogen kunnen bespoedigen. Louki was er als de kippen bij om, zonder iets te vragen, de grootste stapel tot haar troon te maken van waaruit zij een strategisch gunstig zicht op de wijde omgeving heeft.

De stapels die buiten liggen meten wij op vier wissen, zodat het nu wel duidelijk is dat wij in totaal 18 kuub hout te verstoken zullen hebben (genoeg voor 3 tot 4 jaar; hangt een beetje van het weer af), waarvan ons de helft in rekening zal worden gebracht. Omtrent de hoeveelheid verkeren wij nu dus meer niet in ’t ongewisse.

Alles optellend lijkt dat spotgoedkoop, € 2,25 voor een kuub haardhout. Wij weten echter ook wel dat als je alles meerekent (aanschaf kettingzaag + reserveketting, benzine en olie; aanschaf kloofbijlen; diesel voor tientallen malen naar het bos rijden en terug; een paar flessen van ’t een of ’t ander voor de behulpzame buurman; 7 maanden zwoegen en zweten; en zo meer) het veel goedkoper zou zijn geweest om hier in de buurt ergens bij iemand 18 kuub droog hout te kopen, gekloofd en gezaagd, thuis afgeleverd.
Het is net als met uien en doperwtjes uit eigen tuin: in de winkel kopen is goedkoper dan zelf verbouwen. Maar dan mis je het psychologisch genot van eigen arbeid.

______________________________________

Vorige berichten over dit onderwerp:

 

 

De UI-ziekte

Tot de vooroordelen over Nederlandse tweeklanken als au, ou, ei, ij en ui behoort de opvatting dat de ui-klank “typisch Nederlands” is, en dus in andere (Europese) talen niet zou voorkomen. Een beetje waar is dat wel, dat wil zeggen: nergens in Europa zijn er zo veel uien te vinden als in het Nederlands. Maar ze zijn er wel, over de grens.

Dat het met Europa toch nooit wat wordt, blijkt al uit het simpele feit dat er voor dat werelddeel zo veel verschillende uitspraken zijn: beginnend met de eu van neus, of met de ui van huis, of met de oi van ahoi, of in Oost-Evropa met ew.

De gedenkwaardige Olympische volleybalfinale Italië-Nederland, Atlanta 1996, volgde ik op onze Italiaanse camping. De tv-commentator sprak de naam van een van Neêrlands topspelers, Richard Schuil, bij voortduring uit als “Schwiel”. Dik twintig jaar eerder was mij gevraagd om in een studio van de Karel-universiteit in Praag geluidsopnamen in te spreken van Nederlandse woorden met een ui erin ten behoeve van de opleding Nederlands aldaar. Tsjechen kennen geen ui. Ik geef het je te doen: een uur lang ui, huis, trui, zuid, fluiten, guitig, muil, kruit, snuit &c. op z’n ABN’s duidelijk uitspreken; je wordt er doodziek van. De tranen schoten mij in de ogen, zodat ik geen ui meer kon zien.

In het Frans zijn er niet zoveel ui-woorden. We kennen bijvoorbeeld feuille (als in portefeuille) en het merkwaardige oeil (“oog”); merkwaardig vanwege het afwijkende meervoud yeux.
Minder bekend is de straat in Fayl-Billot, niet ver van ons vandaan, waar de dierenarts woont die Louki’s staart heeft geamputeerd: de Rue du Breuil. Zie hierboven.
En omdat ik een paar jaar geleden een keer had gegeten in Restaurant du Breuil in Vesoul (nog iets verder hier vandaan), begon dat woord mij te intrigeren. Een familienaam van groot aanzien? Een tot een ver verleden behorend beroep? Niets van dat al. Het blijkt een afleiding te zijn van het Gallische brogilos of brogila, dat grofweg gezegd betekent: “een omheind stukje bos”, een met heggen omzoomde bomengroep waarin dieren zich kunnen terugtrekken. Het woord komt voor in het Frans en aanverwante talen als Occitaans (bruèlh of bruòlh; “bouquet d’arbres”). Overal in Frankrijk komt het voor, in steeds wisselende vormvarianten. Op http://projetbabel.org/forum/viewtopic.php?t=10746 en http://www.ville-lebreuil-bourgogne.com/L-ORIGINE-DU-NOM.html is daarover veel meer te vinden. Er zijn ook afleidingen naar een familienaam (Broglie, “Brogli” uitgesproken) en een gemeentenaam (Broglie, “brui” uitgesproken). Zie daarvoor http://fr.wiktionary.org/wiki/breuil en aanverwante artikelen. Maar misschien nog interessanter is de link met het Duitse Brühl (“moerasland, broekland”) en het Nederlandse broek, uit zo veel plaatsnamen bekend en al in het Middelnederlandsch Woordenboek voorkomend. Idem met het Engelse brook en zelfs het Amerikaanse Brooklyn, immers afgeleid van Breukelen, in de 12e eeuw bekend als Broclede.

Enige continuïteit en diversiteit kun je Uiropa niet ontzeggen.

 

 

 

Een driewerf gemankeerde Sebastiaan (1/3)

Als een ander het niet doet, doe ik het maar. Ik pretendeer niet alle Sebastiaanafbeeldingen te kennen die er bestaan; meer dan 10.000 zijn er nog bekend. Toch was ik weer eens prettig verrast toen ik begin april min of meer bij toeval tegen een gipsen Sebastiaan aanliep, figuurlijk dan, die de toen 24-jarige Pierre Travaux in 1846 had vervaardigd en die nu een plaats heeft in het plaatselijke museum van Semur-en-Auxois (21 Côte-d’Or).

De verrassing maakte al gauw plaats voor een kritische kijk op het beeld, dat een aantal voortreffelijke eigenschappen heeft, maar ook nogal wat storende tekortkomingen. De conservatrice van het museum gaf mij een maand later toestemming tijdens museumsluiting uitgebreid foto’s te komen maken en met haar van gedachten te wisselen over genoemde sculptuur. Dat zal gaan leiden tot een lang en diepgaand tijdschriftartikel, neem ik me voor, maar hier licht ik alvast enige tipjes van de sluier op. Wellicht helpt me dat nog aan bruikbare reacties, want over dit beeld is bij mijn weten nog in het geheel niets geschreven.

De auteur
Pierre Travaux werd geboren op 10 mei 1822 in Corsaint, niet ver van Semur-en-Auxois, en overleed, 49 jaar oud, op 19 maart 1869 in Parijs. In Semur volgde hij aanvankelijk een studie aan de plaatselijke tekenschool, liet hij zich daarna in het beeldhouwvak bekwamen door Pierre-Paul Darbois in Dijon, waar hij vanaf 1842 aan de Ecole des Beaux-Arts onder leiding van François Jouffroy zijn studie vervolgde. Met zijn werk verwierf hij een aantal prijzen en eervolle vermeldingen en, belangrijker nog voor hem, hij kreeg een aantal lucratieve opdrachten: voor het Louvre mocht hij zes beelden maken, hij kreeg van drie Parijse kerken, waaronder de Notre Dame, een opdracht en hij verzorgde een deel van de gevel van het Paleis van Justitie in Marseille, in welke plaats hij nog meer opdrachten kreeg aangeboden. Kortom, in zijn korte arbeidzame leven was hij zo niet een zeer gerenommeerd, dan toch in ieder geval een zeer gewaardeerd beeldhouwer, voornamelijk van menselijke figuren. Dat wij zo weinig van hem afweten, als hij buiten Frankrijk al wordt gekend, komt deels doordat er midden 19e eeuw zo veel goede beeldhouwers in Frankrijk en de buurlanden actief waren, deels ook doordat hij helemaal niet buiten Frankrijk heeft gewerkt. Maar ook binnen Frankrijk is de spoeling dun. Probeer het maar eens met Google. Helaas levert dat te veel schijntreffers op die gaan over werkzaamheden (“travaux”) met steen (“pierre”) en maar heel weinig over Pierre Travaux. Ook in de vakliteratuur blijft hij veelal onbesproken; de enige biografie die ik heb kunnen vinden is een 75 pagina’s lang artikel over zijn leven en werken in een wetenschappelijk bulletin uit Semur-en-Auxois uit 1909 1). Op Wikiphidias is er een summier en niet geheel correct biografisch overzicht van hem te vinden.

1) Bulletin de la Société des Sciences historiques et naturelles de Semur-en-Auxois. Tome XXXVI, Années 1908-1909. Semur-en-Auxois 1910. De bladzijden 147-220 van dit bulletin zijn aan Pierre Travaux gewijd.

De zekere feiten
Van het bedoelde Sebastiaanbeeld weten we een paar dingen zeker – heel veel dingen zeker niet. Het gaat in ieder geval om een gipsen ronde-bosse van 115x32x40 cm (HxBxL), vrijstaand en op een sokkel geplaatst, vervaardigd in 1846 te Semur-en-Auxois. In datzelfde jaar verwierf Pierre Travaux er een Médaille d’honneur mee, wat ik beschouw als een aanmoedigingsprijs voor een beginnend beeldhouwer. Na 1854 heeft hij het aan het museum in Semur geschonken; kennelijk had hij het beeld niet in opdracht vervaardigd, hooguit als studieopdracht tijdens zijn opleiding aan de tekenschool in Semur.
Het beeld toont een staande Sebastiaanfiguur, ruggelings met de polsen aan een boom gebonden, één arm omhoog, één arm omlaag, de voeten niet gebonden. Deze uitbeelding van de marteling van Sebastiaan is veel voorkomend, zie ook mijn artikel over die houding.

Tussen 1989 en 1992 is het beeld, samen met 35 andere uit het museum, gereinigd en enigszins gerestaureerd.

 

 

De onzekere feiten
Zoals gezegd lijkt het erop dat Travaux dit beeld niet heeft gemaakt om het tegen betaling te leveren aan een opdrachtgever, zoals met veel van zijn latere sculpturen wel het geval was. Zowel zijn leeftijd tijdens de vervaardiging (24 jaar) als de afwerking van het beeld, alsmede het feit dat hij het aan “zijn” tekenschool, het latere museum in Semur heeft geschonken, geven grond aan die veronderstelling. Er werden destijds zeer veel kunstobjecten en zelfs een heel uitgebreide zoölogische collectie een de tekenschool geschonken als studiemateriaal voor leerlingen, zo veel zelfs dat men in 1885 besloot er een heus museum van te maken, dat nu nog steeds in functie is en gratis toegankelijk voor het publiek.

Onbekend is waarom Travaux dit werk maakte. Ik veronderstel dat hij het tijdens zijn opleiding ter plekke heeft gemaakt om blijk te geven van zijn vakmanschap. Immers, als iemand thuis op zijn zolderkamer in vrije tijd een beeld in elkaar gipst, zal het toch wel niet worden voorgedragen voor een eervolle vermelding van een artistiek instituut in Dijon.

Wat we ook niet weten, is of Travaux voor dit werk een levend model heeft gebruikt, of dat hij zich heeft bediend van voorhanden zijnde studiemateriaal. Enerzijds moet ik bekennen dat ik geen ander Sebastiaanbeeld ken dat in precies diezelfde houding geposteerd staat (maar nogmaals: ik pretendeer niet ze alle 10.000 te kennen, laat staan de vele duizenden die nog nooit zijn gedocumenteerd en in een verzameling zijn opgenomen); anderzijds doet het hoofd van deze Sebastiaan mij wel heel erg denken aan veel voorkomende hoofden uit de antieke Griekse en Romeinse beeldhouwkunst, waarvan op de tekenschool stellig voorbeelden aanwezig waren, en dat dat hoofd opvallende gelijkenissen vertoont met ander werk van Travaux, zoals zijn Méléagre uit 1866 in een van de nissen van de Aile Flore in het Louvre en de hoofden van Le serment d’Annibal, een hoog-reliëf dat ik in het museum van Semur heb aangetroffen. Met dit laatste werk verwierf Travaux overigens in 1846 de prix de sculpture in Dijon. Het is niet waarschijnlijk dat je 20 jaar lang met hetzelfde levende model werkt. Alexandra Bouillot, conservatrice van het museum in Semur, schreef mij dat het waarschijnlijk te achten is, dat hij voor dit werk een van zijn medestudenten heeft laten poseren.

Ten slotte weet ik niet waarom de jonge Pierre Travaux dit Sebastiaanbeeld niet netjes heeft  afgewerkt. Tijdsdruk? Onkunde? Was de aard van de opdracht een andere dan het vervaardigen van een gaaf beeld, bijvoorbeeld slechts het uitdrukken van een bepaalde houding of expressie waarbij overige details en afwerking niet van belang waren? Het blijft allemaal gissen.

Driewerf gemankeerd
Aan deze sculptuur ontbreken drie aspecten: hij draagt geen enkele kleding, er ontbreken enkele uitstekende lichaamsdelen en er zitten geen pijlen in zijn lichaam gespiest. Dit alles is minder flauw dan je misschien zou denken, en ik zal uitleggen waarom ik dat zeg en wat daarvan de consequenties zijn. In ieder geval maken deze drie manco’s het beeld tot een volstrekt unieke representatie van de heilige Sebastiaan. Dat is voor mij ook de reden om er een speciaal artikel aan te hebben willen wijden.

1. Kleding
Aan de kledij waarin Sebastiaan wordt gerepresenteerd heb ik een apart bericht gewijd. Daaruit moge in ieder geval duidelijk worden dat een geheel ongeklede Sebastiaan tot ±1950 tamelijk uitzonderlijk was. Natuurlijk heeft dat de maken met het feit dat in kerken, waar wij zo vele van de Sebastiaanafbeeldingen aantreffen, naaktheid uit den boze was en is, als ook met het feit dat hij pas na de Tweede Wereldoorlog naar voren is gekomen als prominent icoon of idool van de homobeweging.
Dat Travaux desalniettemin in 1846 een naakte Sebastiaan vervaardigt, kan ik alleen maar verklaren uit de studieopdracht die hij moet hebben gekregen, bijvoorbeeld het tonen dat hij de anatomie en de proporties correct wist uit te beelden in gips, in een voor medio 19eeuw nogal gangbare pose. Attitude un peu théâtrale par le mouvement du corps et la gestuelle accentuée, vermeldt de officiële analytische beschrijving van inventarisstuk 885.S.80 in het museum van Semur-en-Auxois. Let bijvoorbeeld op de houding van het hoofd met de geprononceerde kin en de sterk benadrukte bovenbenen en heupen, en op de bogen die er in de houding waarneembaar zijn.

2. Penofobie

Leed Pierre Travaux aan penofobie? Als je goed kijkt, zie je dat het stellig niet zo is dat hij de geslachtsdelen wel degelijk had gebeeldhouwd, maar dat die later, om welke reden dan ook, zijn afgebroken. Integendeel, hij is op dit punt niet verder gegaan dan wij nu kunnen zien – van een breukvlak is totaal geen sprake. In die zin is er dus van anatomische correctheid geen sprake, maar alweer: het kan de studieopdracht zijn geweest die dat ook niet vereiste, en/of de haast waarmee hij heeft moeten werken.

3. Pijlen
Nagenoeg alle afbeeldingen waarop het martelaarschap van Sebastiaan wordt weergegeven, vertonen een of meer pijlen die, naar de overlevering luidt, op hem waren afgeschoten. In het geval van het beeld van Travaux ontbreekt daarvan elk spoor: geen enkele pijl, evenmin gaten in zijn lijf waar ooit pijlen zijn ingestoken geweest, iets wat we in veel kerkbeelden van Sebastiaan nog wel tegenkomen. Travaux heeft dus niet zozeer dat martelaarschap willen uitbeelden, als wel de figuur die daaraan werd onderworpen. Dat kan naar mijn mening maar matig worden afgedekt door aan het beeldhouwwerk de omschrijving mee te geven: “Saint Sébastien, prêt à être martyrisé” (“Sint Sebastiaan, klaar om te worden gemarteld”). Ik vind dat nogal goedkoop overkomen.

En verder
Er zijn nog wel wat meer tekortkomingen aan het beeld waar te nemen.

Van zijn rechter hand ontbreekt de pink. Ooit afgebroken, zo te zien. Vreemd genoeg weet het museum daarover niets te melden. Volgens eigen opgave verkeerde het beeld in 1970 “en bon état”, zonder verdere specificatie, en tijdens de grote schoonmaak van beelden in het museum van 1989-1992 is er alleen maar schoongemaakt, niet gerestaureerd, hoewel ik zelf de indruk heb dat vingers van zijn linker, naar beneden hangende hand, wel degelijk zijn gerestaureerd.

 

 

Verder is het beeld, wellicht wegens tijdgebrek, niet echt goed afgewerkt. De oppervlakte is onregelmatig ruw, de naden tussen boven- en onderlichaam, ter hoogte van de heupen, evenals die tussen hoofd en bovenlichaam, zijn overduidelijk zichtbaar. De touwen rond zijn polsen zijn alleen aan de voorzijde mooi gevlochten uitgewerkt; aan de achterkant is daarvan nauwelijks nog iets waar te nemen.

Voorts bestaat bij mij het vermoeden dat Travaux op dat beginmoment van zijn carrière nog niet beschikte over de vaardigheid om een gipsen beeld te maken dat evenwichtig op zichzelf staand was: de figuur van Sebastiaan is opgebouwd uit drie delen: onderlichaam, bovenlichaam en hoofd. Die drie delen zijn geplaatst tegen een nogal dikke boomstronk. Zo dik zelfs, dat er bij de officiële prijstoekenning in 1846 sprake was van een “ronde bosse”, wat duidt op een reliëf waar je omheen kunt lopen.

Behalve dat Travaux op deze wijze de mogelijkheid had het onderlijf, met name de bilpartij, zeer stevig aan de stronk te bevestigen, wat de esthetiek van de figuur bepaald geen goed doet, zien we ook dat op nog vier plaatsen het lichaam steun vindt bij de achtergrond: beide polsen aan een tak, één voet tegen de stam en de andere voet op de grond. Per saldo is alleen het hoofd een vrijstaand onderdeel van het beeld, d.w.z. niet tegen de boomstronk leunend.

Van het beeld zijn (nog) geen röntgenfoto’s gemaakt, zodat we niet weten hoe het ijzeren staketsel eruit ziet waarop hij het beeld heeft gemodelleerd. Toch was men in die tijd wel degelijk in staat een menselijke figuur, op ongeveer tweederde van de ware grootte, in gips af te beelden en daarbij met één enkel steunpunt te volstaan. Het moet Travaux om iets anders te doen zijn geweest dan een toonbeeld van uitgebalanceerd evenwicht te fabriceren.

Waardering
Omdat het beeld nergens staat beschreven, is er ook niets bekend over enige positieve of negatieve waardering ervan in kunstkringen. Een artistiek topstuk is het stellig niet; daarvoor mankeert er, letterlijk en figuurlijk, te veel aan dit werk. In feite is het juist daarom een uniek werk te noemen, omdat er van alles aan ontbreekt, zoals hierboven toegelicht. Misschien zijn het namelijk wel al die onvolkomenheden, in combinatie met de grote onbekendheid van het werk, die het tot een specialiteit maken die ik, als het gaat om Sebastiaanafbeeldingen, nog niet eerder heb ontmoet.

Deel 2 over deze beeltenis is inmiddels hier gepubliceerd, nu ik meer informatie heb gekregen uit de departementale archieven in Dijon; deel 3 volgt later, als ik iets wijzer ben geworden in het Musée d”Orsay in Parijs.