De wisse maat genomen

Fase 1 van de megaklus zit erop. Op de twee dikke stukken 51 na die we nog moeten kloven zijn alle bomen geveld, gezaagd en gekloofd, en ligt alles langs de rand van het bospad op transport naar huis te wachten. Niet dat dat een fluitje van een cent is, dat transport, maar met hulp van de buren gaat dat wel lukken. En dan nog alle opgestapelde meters in drieën zagen zodat ze, eenmaal gedroogd, na één of twee jaar in de cuisinière kunnen verdwijnen.

Vandaag hadden we de noodzakelijke afspraak met de houtvester die de stapels kwam monsteren en opmeten. Hij had een serieuze maatstok bij zich, een lat van dik een meter lang met twee ijzeren punten op een meter van elkaar, waarmee hij, in een mengeling van conscientieus en nonchalant handelen hoogte, breedte en diepte van alle stapels afpaste en dat op een officieel CERFA-formulier noteerde. Daarbij liet hij stapels van takken en dunnere stammetjes van minder dan 8 cm dikte buiten beschouwing. Bovendien was hij aardig genoeg om alle volumes naar beneden af te ronden.
Van de stapel 51 hier op de foto telde het middenstuk dus niet mee en schatte hij de rest van dit geheel op 2½ kuub. Zo kwam hij uiteindelijk in totaal uit op 9 kuub te factureren hout. Overigens, op die factuur (die pas begin 2014 zal komen, zo stelde hij ons gerust) zal niet € 3,50 worden berekend, maar € 4,50 per stère, waarmee wij voor vier tientjes, vele uren werk en liters zweet, hout voor enkele jaren ter beschikking hebben. Want in plaats van de negen berekende stères houd ik het op zeker 14 kuub aan linde-, haagbeuk- en eikenhout die we per saldo kunnen stoken.
Alleen al de grote bulk van nummer 49, hier bij elkaar gelegd, beloopt volgens mij 6 kuub; op het staatsformulier staat er 3 stères genoteerd.

Mollen verjagen? Wolfsmelk!

Wie last heeft van mollen in de tuin, kan in principe kiezen uit twee opties: ze zien te doden of te verjagen. Voor het eerste zijn er mollenklemmen in de handel, maar met stukjes gebroken glas kun je ook een eind komen en er zijn honden en katten die met oeverloos geduld wachten tot er een mol boven de grond komt en dan gretig toeslaan. Vind je dat allemaal echter een onaantrekkelijk idee, hetzij vanuit het oogpunt van diervriendelijkheid, hetzij omdat je dan bijvoorbeeld zelf die dode mollen uit de klem moet halen, dan zijn er minder hardvochtige oplossingen denkbaar.

Allereerst even kort een bestaande discussie memoreren: waarom mollen niet gewoon hun gang laten gaan/maken? Natuur is natuur, ze zijn vast wel ergens goed voor, al is het maar dat de fijne aarde die zij tot molshopen aan de oppervlakte brengen ideaal is voor het vullen van bloembakken. De tegenstanders van dat idee vinden molshopen lelijk in hun gazon, of, erger nog, zij merken dat mollen hun jonge aanplant van planten, groenten, fruit verpesten. Dat laatste standpunt deel ik, reden waarom ik verjagen geen slechte oplossing vind.

Voor het verjagen van mollen zijn er zogenaamd ingenieuze ultrasone sondes in de handel die je in de grond stopt en die een geluid produceren waarvoor mollen op de loop gaan alsof ze bij een optreden van Lee Towers zijn beland. Ik heb die dingen nooit geprobeerd; mijn geringe geloof in de werking weegt niet op tegen de kosten van de aanschaf.

Bovendien is er een goedkopere en natuurlijker mogelijkheid: wolfsmelk.

Men neme een aantal bladeren, takken, vruchtdozen van een wolfsmelkplant (euforbia of euphorbia), stopt die in een vat of ton met water en laat dat een dag of wat, of weken of maanden staan. Er ontstaat een zeer onwelriekend mengsel. Dat moet je dan maar even voor lief nemen, in de wetenschap dat mollen er echt een vreselijk hekel aan hebben: giet je wat van de oplossing in een opengewerkte molshoop, dan zal daar dagenlang geen mol meer verschijnen.

Maar natuurlijk wel vijf meter verderop, dus daar heb je nog steeds niet zoveel aan. Enig beleid is vereist. Zie bijgaande schematische weergave. Je begint zoveel mogelijk in een hoek of langs de rand van je tuin. In de molshopen daar giet je wat van de oplossing en/of je pulveriseert/sproeit het spul rond die molshopen op het gras. Dan 1 of 2 dagen kijken wat er gebeurt; dikke kans dat er buiten cirkel I nieuwe hopen ontstaan. Probeer en passent ook te ontdekken hoe de mollengangen lopen; dat vergemakkelijkt je operatie. Zijn er dan in cirkel II wederom molshopen bijgekomen, dan begiet en/of bespuit je wederom een cirkelsegment rond het eerder besproeide gedeelte en zo ga je verder met segment III enzovoort, tot je aan de andere kant van je tuin bent gekomen. Let er wel op dat je ze niet verjaagt in de richting van een (ingegraven) muur of een verharde straat, want dan kunnen de beesten geen kant op. Naar de buren dus ermee. Zo doende verricht je ook nog sociaal werk, door hen deelgenoot te maken en te laten meegenieten van jouw probleem. Eventueel bied je hun korte tijd daarna genereus een stekje wolfsmelk aan.

Dat laatste is ook een kwestie van eigenbelang, want een waarschuwing is hier wel op zijn plaats. Ik kreeg van mensen in het dorp twee jaar geleden ook zo’n stekje, dat wonderwel aansloeg. Aan die plant zitten zaadbolletjes die in augustus-september met een knal openbarsten en oeverloos veel zaadjes in de rondte laten vliegen. Een echte man is er niks bij.

Datzelfde najaar nog, en anders wel in het voorjaar, zie je opeens overal in je tuin van die vriendelijke kleine palmboomachtige plantjes opkomen, eerst met vier spitse kruiselings geplaatste blaadjes, later met tientallen blaadjes en voor je het weet, staat je hele tuin vol met wolfsmelk, zoals hier op de foto tussen de klaprozen. Gebruiken dus voor nog meer mol-expulsieve oplossing, of gewoon uitrukken en weggooien. Zo mooi zijn die planten nou ook weer niet, als ze eenmaal volgroeid zijn.

En steeds na afloop je handen wassen. Het witte melkachtige sap in de stengels is wat plakkerig, riekt onfris en is wellicht giftig; de bloemen en vruchten zijn dat zeer zeker.

 

 

Ellen Beljaars

Ellen Beljaars (Rijsbergen 1951) woont en verblijft afwisselend in Goirle en in Plesnoy (Haute-Marne), op welke beide plekken zij beschikt over een atelier en een expositieruimte voor haar sculpturen. In Plesnoy organiseert zij jaarlijks een zomerexpositie samen met een of meer andere kunstenaars, dit jaar met Johan van Hoof (tableaus)en Patrice Lambert (sculpturen). Daarnaast exposeert zij regelmatig ook elders, zoals dit voorjaar in Nederwetten en in september van dit jaar in De Smederij in Son.
Omdat Plesnoy maar krap 10 km van mij vandaan is, ligt het voor de hand dat ik met regelmaat een bezoek breng aan Ellen en haar werk kan bewonderen.

Als zesde van zeven kinderen groeide zij op in een vrij traditioneel R.K.-gezin in Rijsbergen. Na de Lagere School bezocht zij de MMS, waar kunstgeschiedenis haar grote aandacht trok. Haar vader, directeur van de plaatselijke Campina-vestiging, was echter van mening dat de kunstenaarswereld maar weinig carrièremogelijkheden bood. Daarom startte Ellen na haar schoolperiode de HBO-opleiding verpleegkunde in Nijmegen, waarmee zij na één jaar stopte.
Er volgde een vierjarige opleiding N20 in Eindhoven die haar een derdegraads lesbevoegdheid bezorgde in handenarbeid, kinderverzorging en opvoedkunde.
Zij vond werk in de thuiszorg als leerlingbegeleidster, waarbij zij geboeid raakte door het werken met mensen en ook leerde goed en sterk anderen te observeren. Haar sluimerende voorliefde voor het kunstenaarschap, eigenlijk al vanaf haar MMS-tijd, bleef haar evenwel intrigeren en won het uiteindelijk ook van haar bestaande werkkringen. Zij ging zich toeleggen op het vervaardigen van sculpturen.

Aanvankelijk maakte Ellen abstracte, torenachtige vormen in keramiek, uitvloeisel van de potten die zij begin jaren-’70 tijdens een pottenbakkerscursus had leren maken. Toen zij later in Tilburg een nascholingscursus in modelboetseren had gevolgd, werden haar werken ook meer en meer figuratieve beelden, soms hele menselijke lichamen, meestal echter alleen hoofden. Daarin immers, vindt zij, schuilt de menselijke emotie en dynamiek die zij probeert uit te beelden. De ontwikkeling bracht met zich mee dat zij ook van die hoofden delen ging weglaten om zo gestalte te kunnen geven aan schoonheid door imperfectie.

Ze laat zich daarbij niet zozeer beïnvloeden door bestaande kunststromingen – eerder beschouwt ze zichzelf als autodidacte met alle vrijheden van dien. De “academische” strijd tussen figuratieve en abstracte kust heeft haar ook nooit geraakt. Evenmin vormt religie voor haar een inspiratiebron. Weliswaar gelooft zij in “iets hogers”, maar dat beïnvloedt niet haar zoeken naar de expressie van emoties. Ook het teruggrijpen op mythologische figuren is voor haar niet aan de orde, althans niet bewust. Zij bepaalt zich tot gewone mensen van nu. Wel is er sprake van enige antiek-Hellenistische invloed, maar dan op een wat oneigenlijke manier: het zijn de gekwetste, gebarsten, gemankeerde antieke beelden die bij opgravingen aan het licht komen die haar in het bijzonder boeien, de schoonheid van de imperfectie. Maar bovenal laat ze zich meeslepen door wat zich aan haar voordoet en geeft zij vorm aan de expressie die zij ziet in mensen, mannen soms, meestal vrouwen, een enkele maal een indifferente hermafrodiet: een niet naar sekse te definiëren hoofd, zoals hierboven afgebeeld. Frequent heeft ze daarbij gebruik gemaakt van modellen van de Tilburgse dansacademie. In die beelden weet zij een treffende balans te vinden tussen trots, schoonheid en nederigheid – kenmerkende elementen voor haar geheel eigen, herkenbare stijl.

Soms werkt Ellen met wassen beelden die zij in Nederland laat afgieten in brons. Vaker vormt zij haar beelden uit chamotteklei, uit Nederland afkomstig, die zij op 950° bakt. Eventueel glazuurt zij het beeld en verhit dat op 1100° om tot een mat of glanzend product te komen. De dikte van de glazuurlaag bepaalt ook de uiteindelijke tint: hetzij doorzichtig, hetzij verlopend van groen naar rood. Een bijkomend effect is een stralende, goudkleurige schittering op diverse plekken, alsof die zijn verguld.

 

Een iets andere werkwijze, die sterk haar voorkeur heeft, vormt de zogenaamde raku-techniek, een van oorsprong Japanse techniek die een craquelé veroorzaakt. Het gebakken product wordt snel in de buitenlucht afgekoeld en daarna in een hermetisch afsluitbare bak met houtsnippers gelegd. Door de hitte ontbrandt het zaagsel, wat in een soort tweede oxidatie de laatste resten zuurstof uit de klei trekt, hetgeen tot craquelévormige barsten leidt, donker door de rook van de verbrande snippers hout.

Naast de allerindividueelste expressie van de kunstenaar is kunst ook communicatie tussen mensen. Ellen vertelt te hebben meegemaakt dat bezoekers letterlijk in tranen zijn op het zien van een van haar werken, door de emotie die het beeld oproept. Dat feit motiveert haar meer dan de artistieke roem van het genoemd worden in hogere kunstkringen. Ze wil, ook in haar toekomstvisie, gewoon zo doorgaan en daarvoor heeft ze nu ook eindelijk alle tijd en gelegenheid. Niet voor het geld; weliswaar worden er wel beelden van haar verkocht, maar te weinig om ervan te kunnen leven.
Ze gaat uit van wat haar beweegt en wat ze dus zelf graag maakt – liever dan werken in opdracht. Het is dan ook enigszins uitzonderlijk dat er in het gemeentehuis van Plesnoy sinds 2000 een Franse Marianne valt te bewonderen die Ellen destijds naar een van haar Tilburgse danseressen als model heeft vervaardigd.


Alle foto’s in dit bericht © 2012-2013 – Leonard Loonen

Verdere informatie is te vinden op:

http://www.ellenbeljaars.nl/
http://www.art-mml.eu/