La Carte Vitale – ziekmakend

Op twee weken na heeft het vijf jaar geduurd, maar afgelopen zaterdag heb ik mijn Carte Vitale ontvangen, het plastic kaartje dat je bij alle artsen, specialisten, apotheken enz. moet tonen om voor vergoeding van zorgverleningskosten in Frankrijk in aanmerking te komen. Er wordt misschien wel eens geklaagd over bureaucratie in Nederland, maar Fransen kunnen er ook wat van. Even goed doorlezen dus, als je binnenkort naar Frankrijk wilt gaan emigreren.

Globaal is de zorgverzekering in beide landen overeenkomend: er is een wettelijk verplichte basisverzekering (noem het Ziekenfonds, Sécurité Sociale, Régime Obligatoire) waarbovenop je vrijwillig een aanvullende verzekering kunt afsluiten bij een geprivatiseerde zorgverlener. De Franse Sécurité Sociale, laat ik die maar niet de SS noemen, hanteert een tabel van basistarieven voor allerhande medische handelingen en voor medicijnen, en van die tabeltarieven krijg je 70% vergoed, mits je een vaste huisarts opgeeft, minus € 1,00 eigen bijdrage voor elk consult en € 0,50 voor elk recept. Een algehele eigen bijdrage, zoals in Nederland, is er hier niet. Bij de diverse aanvullende verzekeringen (complémentaire of mutuelle genoemd) heb je, net als in Nederland, keus uit diverse formules naar omvang en graad van de extra dekking met bijbehorende premies. Als je je ziektes een beetje economisch plant en over de jaren spreidt, spring je er zo redelijk budgettair neutraal uit.

Tot zover weinigs schokkends. Maar dan begint de ellende.

Op de eerste plaats is de Sécurité Sociale gratis voor buitenlanders. Maar dat lokkertje blijkt na jaren een enorme valkuil te zijn. De medische kosten die ik in Frankrijk maak, worden krachtens een bilateraal verdrag uit 1973 verhaald op de Nederlandse AWBZ. Eenmaal uitgeschreven uit de Nederlandse Zorgverzekeringswet kan ik feitelijk van de AWBZ geen gebruik meer maken, maar voor de eventueel gemaakte ziektekosten legt het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) te Diemen een aanslag op. Die wordt doorgaans ingehouden op loon/pensioen/AOW, maar soms gaat dat wel eens mis. Zo kreeg ik mijn eerste voorlopige CVZ-aanslag over 2008 zomaar opeens in februari 2011 in de bus, terwijl het CVZ volgens zijn eigen reglement de definitieve aanslag binnen 6 maanden na de definitieve aanslag inkomstenbelasting moet worden opgelegd. Maar, zo stelde het CVZ in zijn antwoord op mijn bezwaarschrift, die regel bestaat weliswaar, maar daaraan is geen enkele sanctie verbonden, zoals bv. nietigheid van de aanslag, zodat ik gewoon moest betalen en bij wijze van coulance over de drie verlopen jaren geen rente hoefde te betalen. In 2012 volgde de aanslagen voor 2009-2011 plus de maandelijkse inhoudingen over 2012, met als gevolg dat ik in dat kalenderjaar zo ongeveer een half jaarsalaris moest ophoesten voor mijn gratis verzekering in Frankrijk. Daar staan wel twee voordeeltjes tegenover: de “inhoudingen” die het ABP in zijn oneindige goedheid al die jaren aan de Belastingdienst had overgemaakt in plaats van aan het CVZ, kreeg ik na elf maanden getouwtrek en getelefoneer van de fiscus teruggestort, en de aan het CVZ betaalde premies zijn aftrekbaar voor de Franse inkomstenbelasting.

Op de tweede plaats: aan de Sécurité Sociale zit een persoonlijk nummer gekoppeld, zoiets als in Nederland het SoFi-nummer of BSN-nummer. Wie dat leuk vindt, kan er op http://fr.wikipedia.org/wiki/Num%C3%A9ro_de_s%C3%A9curit%C3%A9_sociale_en_France van alles over lezen. Ik vind het niet leuk. Bij mijn inschrijving in 2008 kreeg ik, liever: werd ik een nummer dat begon met een 5. Onduidelijk is waar dat op slaat. De begincijfers 1 en 2 zijn gereserveerd voor een normale man en een normale vrouw, 3 is voor transgenders, 7 en 8 voor tijdelijke gevallen. De begincijfers 4, 5, 6 en 9 blijven dan over voor hopeloze wezens, waarvan ofwel het geslacht met geen mogelijkheid meer valt vast te stellen, of die hoe dan ook als een soort personæ non gratæ de Franse bureaucratie proberen te tarten. Maar als je geen 1 of 2 hebt, kun je ook geen Carte Vitale krijgen en je ook niet inschrijven op de geweldige site www.ameli.fr, waar je o.a. alle declaraties kunt indienen en je de hele afhandeling ervan kunt inzien. Werkt perfect, en je krijgt je vergoeding ook binnen 5 dagen uitbetaald, maar je moet dan wel staan ingeschreven als een echte man (1) of echte vrouw (2). Ik was een 5, en moest dus elk consult en elke medicijn zelf voorschieten, dan met een formulier (feuille de soins) naar Langres om dat in te leveren bij de CPAM (Caisse Primaire d’Assurance Maladie) die met de uitvoering van de Sécurité Sociale is belast. Vervolgens duurde het (werkelijk waar) tussen de 15 en 252 dagen vooraleer ik een deel van de kosten vergoed kreeg.

Tot overmaat van ramp kreeg ik in begin 2012 opeens een berichtje van de CPAM dat ik met terugwerkende kracht een ander nummer was geworden: niet meer beginnend met 5, maar met 7. Na lang aandringen werd mij ingefluisterd dat dat stond voor een “résident occasionnel“. Mijn gesputter dat ik niks occasionnel was, maar sinds 2007 permanent in Frankrijk woonde en in Nederland was uitgeschreven, maakte geen indruk. Wel indruk maakte, dat ik, eveneens met terugwerkende kracht, geen vergoedingen meer kreeg voor medische verrichtingen, of nog maar voor 30%, omdat ik geen huisarts had opgegeven. Mij braken beide klompen: ik had dat bij mijn CPAM-inschrijving in 2008 wel degelijk gedaan, maar ik had over het hoofd gezien dat ik een nummer was, geen mens. Als dus mijn nummer verandert, moet dat andere nummer opnieuw een huisarts zoeken en doorgeven. Ik blij dat de CPAM dat 5-nummer niet in mijn arm had getatoueerd destijds.

Het werd mij allemaal te gortig. Ik verzamelde alle paperassen, een met 34 bewijsstukken al redelijk gevuld dossier inmiddels, en raadpleegde een advocaat, die mij verwees naar het TASS.

Dat is nou eens iets wat we in Nederland niet hebben: een Tribunal des Affaires de Sécurité Sociale, een aparte rechtbank voor ellende die je met de zorgverzekering ondervindt en die onderdeel uitmaakt van de departementale arrondissementsrechtbank. Het zegt op zich natuurlijk al genoeg over de praktijken en het feitelijke falen en handelen van de CPAM. Die TASS zorgde voor een enorme verrassing, waar ze in Nederland nog een puntje aan kunnen zuigen: op 4 september diende ik per aangetekend schrijven een aanklacht in, die dus op de 5e september daar aankwam. Diezelfde dag openden ze die brief-met-bijlagen, stelden een antwoord op en verzonden het, zodat ik op 6 september per aangetekend schrijven te horen kreeg dat de zitting was bepaald op 17 oktober. Hoe vlug wil je het hebben? Kom daar maar eens om in Nederland.

Ik sla een hoop details maar even over. Ik kreeg op alle punten gelijk; binnen een week had de CPAM alle achterstallige vergoedingen op mijn bankrekening gestort en kreeg ik te horen waarom ik nog steeds een 7 was en niet gewoon een 1: men had ernstig twijfel over het feit of ik wel geboren was. Weliswaar was mijn mannelijkheid komen vast te staan, maar mijn geboorte niet. Of ik dus maar een geboorteakte wilde overleggen (+ kopie paspoort, + nog van alles en nog wat). Gelukkig had ik een kopie van het geboorteregister uit Oss 1946; ik voegde daar te hunnen gerieve een Franse vertaling bij (11 October werd dus le 11 Octobre, en Loonen werd Loonen), reed maar weer eens naar Langres en deponeerde dat stuk daar tegen ontvangstbevestiging, want inmiddels was ook al gebleken dat nogal wat door mij ingeleverde of toegestuurde stukken bij de CPAM in het ronde archief waren beland, zodat je weer van voren af aan kon beginnen met je queeste of declaraties. Antwoord van de CPAM, na weken stilte: akte is ongeldig, want die moet door een beëdigd vertaler zijn vertaald, niet door een amateur-taalkundige. Snel een in Maastricht geassermenteerde vertaler NE-FA/FA-NE gevonden die dit werk vaker zegde te hebben verricht. Hij stuurde mij binnen twee dagen een keurige vertaling plus een bewijs van zijn inschrijving bij de rechtbank Maastricht, alles met een koperen ringetje bijeengeniet. Ik deponeerde dat stuk in Langres bij de CPAM tegen een ontvangstbevestiging en hoorde vervolgens een tijdje niks.

In de titel meldde ik dat een en ander ziekmakend is, en wel hierom:

Allereerst worden de persoonsgebonden nummers niet door de CPAM toegekend, maar door de INSEE (L’Institut national de la statistique et des études économiques) te Nantes, vergelijkbaar met ons CBS. Daar wordt een nummer gebrouwen, het zgn. numéro d’inscription au répertoire des personnes physiques (NIRPP), vergelijkbaar met ons SoFi-nummer of BSN-nummer, met dat verschil, dat aan het NIRPP veel valt af te leiden over de persoon die erachter schuilgaat, zoals geslacht, geboortedatum, woonplaats. Geen wonder dus dat bij de invoering van dat systeem begin jaren-’70 een grootscheepse commotie ontstond, vergelijkbaar met de Nederlandse troebelen rond de volkstelling van 1971 en de invoering van het SoFi-nummer in 1988. In Nederland speelde de herinneringen aan de jodenvervolging daarbij een rol, en de geslaagde vernietiging van het Amsterdamse Bevolkingsregister in 1943; in Frankrijk noemde Le Monde de invoering van het NIRPP de “Safari ou la chasse aux Français” (zie http://www.delis.sgdg.org/menu/nir/PresseLeMonde19740321.pdf). Welnu, volgens de CPAM accepteert het INSEE alleen geboorteakten die vertaald zijn door een IN FRANKRIJK geassermenteerd vertaler, en Maastricht ligt niet in Frankrijk. Vive l’Europe. De fraaie akte uit Zuid-Limburg was dus helaas geen afdoende bewijs van het feit dat ik werkelijk was geboren.

Vervolgens, ik was al het getreuzel en bureaucratisch gedoe al lang meer dan zat, richtte ik mij met een aangetekend schrijven van vier A4-tjes tot de conciliateur van de CPAM in Chaumont, de aangewezen route om een klacht te melden. Ik kreeg van de zending een ontvangstbevestiging terug, maar hoorde verder maandenlang niks. Toen ik na de zitting bij het tribunaal aan het hoofd van de CPAM-Chaumont vroeg waarom ik nimmer enig antwoord op die brief had gekregen, lachte zij minzaam. Toen ik suggereerde of die wellicht in het ronde archief was beland, lachte zij nogmaals minzaam. Het was het zoveelste door mij bij de CPAM ingediende stuk dat het rechtstreeks tot de prullenbak had weten te schoppen.

Als het moet, ben ik heel vervelend. Als een terriër die beet heeft, laat ik niet los. Als een roofdier heb ik oeverloos geduld tot ik trefzeker toesla. Ik belde de gemeente Oss met de vraag of die mij verder kon helpen. Diezelfde week ontving ik een Internationaal Geboorteuittreksel, dat volgens allerhande conventies en regelingen tot in Nieuw-Zeeland aan toe geldig zou moeten zijn. Ik maakte daarvan eerst een scan en een paar duplicaten en leverde toen een kopie in bij de CPAM in Langres (tegen bewijs van ontvangst). Die kopie werd zowaar geaccepteerd en nog geen vier maanden later kreeg ik als antwoord dat ik nu voortaan een NIRPP heb dat met een 1 begint. Ik ben dus een werkelijk bestaand persoon en een echte man geworden. Weer een paar weken later viel mijn Carte Vitale in de bus.

Mijn dood, zo had ik meermalen betoogd tegenover de CPAM, is dichterbij dan mijn geboorte. Het is de CPAM niet gelukt de hele zaak te rekken tot die terminale datum, maar voor hun ziekmakende falen en talmen krijgt die ambtenarenclub van mij een dikke onvoldoende.

Frans: hoe chique

Wie goed op z’n qui vive is, kan met veel elan, egards en aplomb een hoop Franse woorden produceren die heel chique klinken, maar helemaal geen Frans blijken te zijn. Een residu uit de tijd van de Franse bezetting, die minder desastreus was dan de Duitse bezetting. Mede daardoor zijn er nog steeds heel wat mensen fanatieker tegen germanismen dan tegen gallicismen.

Ik wil een lijstje bouwen van woorden die Frans lijken, maar dat niet zijn. Voor de duidelijkheid:

Ik bedoel niet: Franse woorden die we in het Nederlands hebben met (ongeveer) dezelfde betekenis, zoals directeur, garage, bobine, chique, mode, marmelade, jeremiade, jus, pissoir.

Ik bedoel ook niet: Franse woorden die we in het Nederlands hebben met een nogal afwijkende betekenis, zoals:

  • batterij (NL: stroomstaafje; F: (auto-)accu)
  • bretel (NL: broekophouder; F: op-/afrit van snelweg)
  • gênant (NL: schaamteloos of schaamtevol; F: hinderlijk)
  • hangar (NL: vliegtuigstalling; F: bijgebouwschuur)
  • milieu (NL: leefklimaat; F: onderwereld)
  • ordinair(e) (NL: laagbijdegronds; F: normaal, gewoon)
  • remise (NL: tramstalling; F: bergplaats, pleisterplaats; ook NL: gelijkspel; F: match nul).

Twijfels heb ik bij kotelet en karbonade. Die woorden bestaan wel in het Frans, maar bij de slagers kom je hooguit soms côtelette tegen in de betekenis van onze varkensribstukken; meestel echter worden ze als côte de porc verkocht, maar dat kan regionaal verschillen, zoals kotelet ook meer Zuid-Nederlands is en karbonade meer Noord-Nederlands; vergelijk ook een zak friet in het Zuiden naast een zak patat boven de rivieren).

Ook sterke twijfel heb ik bij assuradeur en raffinadeur (Frans: assureur en raffineur). Weliswaar lijkt het erop dat assuradeur een verfranste contaminatie is van bijv. assureur en ambassadeur, maar (zie het WNT) we hebben beide woorden al vrij lang en zeker gelet op de nevenvorm assuradoor ligt eerder een afleiding niet uit het Frans, maar uit het Spaans (assurador) voor de hand. Voor stukadoor geldt dat niet, want dat komt van het Italiaanse stuccatore, zegt Van Dale. Afleidingen uit het Spaans, driemaal raden uit welke tijd die stammen, zijn zo zeldzaam, dat we er niet eens een woord voor hebben: naast germanisme, gallicisme en anglicisme, ken ik geen woord als ibericisme of zo.

Ten slotte bedoel ik ook niet: Franse woorden die uit het Nederlands komen en in een andere betekenis weer in het Nederlands zijn teruggekeerd:

  • bolwerk (“vesting”) werd in het Frans boulevard en kwam toen in het Nederlands terug als boulevard (“brede straat)
  • manneke (“kleine man) werd in het Frans mannequin en kwam toen in het Nederlands terug als mannequin (“modepop).

Wat ik dan wel bedoel: Frans klinkende woorden in het Nederlands die helemaal geen Frans zijn, meestal bestaande uit een Nederlands stammorfeem met daarachter een Franse uitgang -ade, -age, of -ette, zoals:

  • acclimatiseren (is in het Frans acclimaterAcclimatiseren is onovergankelijk, neemt dus geen lijdend voorwerp; acclimater kan dat wel doen: Acclimatez votre conduite, waarschuwen najaar 2014 de borden langs de Waalse snelwegen i.v.m. de naderende winter)
  • automatiek (waar je kroketten uit de muur kunt trekken. Febo bestaat niet in Frankrijk, net zomin als onze kroketten er bestaan. Het kan dus alleen worden omschreven als een “distributeur automatique d’un snack-bar”)
  • blamage (blåmer bestaat wel in het Frans, maar blamage is honte)
  • blokkade (het Frans kent wel blocquer ”blokkeren”, maar het ervan afgeleide zelfstandig naamwoord is blocage, niet blocade)
  • coulance (in het Frans: indulgence of caractère coulant)
  • faillissement (niet dat je in Frankrijk niet failliet kunt gaan, maar daar is een faillissement: une faillite; ons woord faillissement is afgeleid van het Italiaanse fallimento, net zoals meer woorden uit het bank- en geldwezen uit het Italiaans komen, en later in het Nederlands met een unieke invoeging van -sse verfranst in het woordenboek terechtgekomen)
  • idioterie (is in het Frans idiotie)
  • lekkage (lekken bestaat niet in het Frans; lekkage dus ook niet)
  • meubilair (in het Frans: mobilier of meubles)
  • modinette (in de reclamewereld na 1950 ontworpen als variant op het Franse midinette“ateliermeisje”)
  • pikanterie (van pikant in de 19e eeuw in het Nederlands verfranst met de uitgang -erie; in het Frans: grivoiserie of gaudriole)
  • pissoir (in het Frans pissotière; het woord pissoir is dialectisch wel in Frans gebruik. Urinoir bestaat in het standaard-Frans met dezelfde betekenis. Het Amsterdamse krul kent geen pendant in het Frans)
  • rollade (rollen bestaat niet in het Frans; rollade dus ook niet)
  • telefonade (bestaat niet in het Frans, wel téléphonage, maar dat is het doorsturen van telegrammen)
  • tuigage (tuig bestaat niet in het Frans; tuigage dus ook niet)
  • wasserette (wassen bestaat niet in het Frans; wasserette dus ook niet; zie HIER voor een actuele aanvulling)
  • Toppunt van misplaatste francofilie is en blijft voor mij de peuterette, terwijl daar toch een goed en evenzeer Frans woord voor bestaat: crèche.


Enfin, ik zou het zeer appreciëren nog een aantal van deze onfranse Franse woorden aan mijn lijst te kunnen toevoegen. Wie helpt?

 

Een wisse daad

Eindelijk is het wat beter weer geworden: boven de 10°, zonnig met soms wat regenbuien en ook is er ’s nachts geen vorst meer. Je ziet de natuur onmiddellijk reageren: alles spuit de grond uit en begint in het blad te schieten. Dat betekent wel dat er nu in ieder geval haast is geboden bij het vellen van de bomen, want de stammen zuigen zich vol met vocht, wat lastiger zaagt en trager droogt. Met wat burenhulp hebben we dat nu voor elkaar: alle door ons zelf te vellen bomen liggen plat op de grond en nu kunnen we meters gaan maken om op stapels van 1x1x1 op te tassen.

Bomen vellen is wel een vak apart. Omdat het in ons geval voornamelijk haagbeuken betreft van zeker 20 meter lang, bomen waarvan de kaarsrechte stam de eerste 15 meter geen takken heeft en daarboven een vrij brede kruin, heb je geen idee welke kant zo’n boom gaan omvallen. Bovendien zit elke kruin wel verstrengeld in een of meer kruinen van belendende bomen. Gevolg: ofwel de boom blijft bovenin hangen aan andere bomen; dan moet je van onder af aan telkens een meter stam afzagen tot alles met een hoop herrie naar beneden komt. Ofwel de boom valt precies die kant op die je niet had gepland en neemt in zijn val een of meer andere bomen mee waarvan de takken of zelfs de stammen ombuigen en afbreken. Dus weer wat extra hout, laten we maar zeggen.

Het hout van de haagbeuk is trouwens wel prima stookhout: heel zwaar en massief, kaarsrecht en doorgaans makkelijk te kloven. Dat laatste is de volgende stap na het vellen en op meterlengte zagen. Zowel voor het optillen en het transporteren, als voor het drogen is het beter de wat dikkere stammen in tweeën of vieren te kloven en dan netjes op te stapelen voordat we het tussen juni en september moeten gaan afvoeren; eerder mogen er geen voertuigen het bos in.

Na 2½ à 3 uur werken zijn we het meestal wel zat. Het is vermoeiend werken en met vallende bomen en takken en een motorkettingzaag is het niet geheel van gevaar ontbloot.
Maar in die tijd kun je heel wat hebben verstouwd en kom je met een tevreden gevoel weer terug thuis.