Salò in achten (2/8)

Als Pasolini gelijk heeft, is Salò de enige film ter wereld die over de werkelijkheid gaat. Anderen betitelen de film als de meest gruwelijke aller tijden. Sommigen raken er compleet door gefascineerd, anderen verlaten halverwege de vertoning de bioscoopzaal, al dan niet kokhalzend, want ze kunnen het niet langer aanzien. Niemand die de film kent, vind er niks van: steeds weer flitsen de opinies van superlatieven tot uitermate pervers. Salò is een unieke film.
Vanuit mijn decennialange verbondenheid met Pasolinifilms kan het dan ook niet anders dan dat ik uitvoerig ga stilstaan bij Salò. Het worden acht bijdragen, want dat is tweemaal vier en Salò is een vierkante film. Het wordt ook meer tekst dan beeld, want de bespreking is mij meer waard dan het vertoon van boeiende of schokkende plaatjes. Die kun je zelf in de film wel bekijken.
Hier deel 2/8: Verdoving. Over mijn aanvankelijke perceptie van Salò en de situering van de film in het actuele wereldgebeuren.

Het was in Parijs, zomer 1977, dat ik uit de krant vernam dat Salò in een der bioscopen daar werd vertoond. Ik herschikte mijn overige afspraken en maakte de weg vrij naar de bevrediging van mijn nieuwsgierigheid.

Van Pasolini had ik tot die tijd vele films gezien, zonder er goed raad mee te weten. Een onbestemd gevoel van aantrekkelijkheid drukte zijn oningevuld stempel op mijn cinefilie en ik hoopte de laatste kans te kunnen uitbaten. Salò was voor mij ook de eerste Pasolinifilm waar ik met zekere vooringenomenheid naartoe ging. Immers, Ik had De Sades Les 120 journées de Sodome gelezen en uitgelezen. Dat laatste verwonderde mij nog het meeste, want velen rondom mij verklaarden voortijdig te hebben afgehaakt. Wat mij trok in De 120 dagen is mij nog steeds niet duidelijk, maar ik vermoed te zijn gefascineerd door de wurgende spiraal waarin de gebeurtenissen rondtollen en waarin de personages als in drijfzand onomkeerbaar te gronde gaan. Toen ik daarna vernam dat Pasolini dit boek had verfilmd, was mijn eerste reactie nogal nuchter: hoe kan iemand deze verhalen, waarin menige wet en morele norm buitenspel wordt gezet, in hemelsnaam in beeld brengen, nog afgezien van de vele fysieke implicaties? En onder dekking van deze technische zakelijkheid ging ik midden voor het scherm zitten.

Toen ik weer buiten stond en mij naar mijn ervaring werd gevraagd, kwam ik niet veel verder dan de constatering: ik zal Salò nog veel vaker moeten zien om er iets van te begrijpen. De film werkte op mij in als een verdovende injectie. Je wordt, als toeschouwer, klem gezet in de benauwende entourage van het landhuis. Je ziet dat het ene slachtoffer na het andere de fuik in wordt geloodst. De neerwaartse spiraal wordt een draaikolk en duizelend zit je ernaar te kijken als toeschouwer, als voyeur, als onbedoelde gast.

Nu, nadat ik Salò vele tientallen malen heb gezien en er intussen elk shot en elk gesproken woord van uit mijn hoofd ken, besef ik dat ik Salò nodig had om alle andere Pasolinifilms te begrijpen. Al zijn denkbeelden over vrijheid en macht, tolerantie en corruptie, wellust en consumptie: van meet af aan, vanaf Accattone, zijn ze in zijn films aanwezig, maar Salò vertoont niet alleen de verschijnselen, maar ook de consequenties en die zitten nu ingebed in het heden. Daarmee is het de totale transformatie die van een naar betekenis gestructureerde, maar ongrijpbare dieptestructuur een unieke, concreet waarneembare oppervlaktestructuur weet te maken, om maar eens een beeld uit de taalkunde te hanteren. Ik legde Salò onder mijn hoofdkussen en bleef er nachten lang van dagdromen.

Toen Karel van Eerd in 1993, op dezelfde dag en plaats dat ik voor de eerste keer een werkelijke ontmoeting met Christus heb gehad, d.w.z. met Enrique Irazoqui uit Il Vangelo secondo Matteo, tijdens een interview met Laura Betti in Amsterdam aan haar vroeg wat vandaag de dag het belang is van het filmwerk van Pasolini, antwoordde zij met grote stelligheid dat het van uiterst grote waarde is de jeugd ervan te doordringen dat Paolini’s films de actualiteit weerspiegelen (Pasolini zelf in een ander interview: “De huidige jeugd begrijpt mijn films niet”). Ik denk dat het een goed idee zou zijn als BNN dat eens oppikte; met spuiten en slikken alleen kom je er niet. Het betoog van Betti werd, toevallig of juist niet toevallig, ondersteund door een gebeurtenis van wereldformaat: de couppoging in de Sovjet-Unie van augustus 1991. Daags na de machtsgreep van Janajev en Pavlov (what’s in a name!), op 20 augustus 1991, opende de Italiaanse communistische krant l’Unità paginabreed: “De grote droom is voorbij”, doelend op de politiek van glasnost en perestrojka, geleid door Gorbatsjov. Wij weten nu dat die couppoging het einde betekende van Gorbatsjovs politieke loopbaan (en dat hij nu nog slechts voor meer dan een ton per spreekbeurt beschikbaar is), het einde ook van de Sovjet-Unie, met Poetin als nieuwe tsaar, even erg als al die vorige. Wij weten dat deze coup het begin inluidde van het ontstaan van grote sociale onrust, prijsverhogingen, werkeloosheid; geen vermindering van de consumptie van zelfgestookte alcohol. In de Sovjet-Unie bestond homoseksualiteit gewoonweg niet; in het huidige Rusland wordt zij met harde hand neergeslagen. Er is, nu de kolchozen en sovchozen zijn verdwenen, de arbeiders en boeren niet meer het diamant van de socialistische samenleving vormen, een nieuw subproletariaat ontstaan, gecreëerd door zowel de staat als door geïnfiltreerde kapitalistische krachten, de georganiseerde misdaad en drugshandel, kortom de firma Coke & coke. Een groot deel der Russen wordt nu in de steek gelaten en uitgebuit, op straat bij wijze van spreken omvergereden door zwarte, gepantserde  Mercedessen met geblindeerde ramen, en is gedoemd om voort te leven in verlaten fabriekshallen, langs de oevers van olievervuilde of drooggevallen meren en in de krochten van metrostations, hetgeen in de USA overigens evenzeer voorkomt; what a wonderful world. Als Pasolini nog leefde…

Hij gaf als motto aan Il fiore delle mille e una notte mee: “Niet in één droom ligt de waarheid, maar in vele tegelijk”. In Salò wordt duidelijk dat alle dromen voorbij zijn, dat de realiteit is aangebroken, en wat voor een. Een autoritaire perestrojka? Pasolini wist zoiets al in 1975, als hij de Hertog in Salò laat zeggen: “Noi fascisti siamo i soli veri anarchici” (“Wij fascisten zijn de enige echte anarchisten”), want volgens mij komt dat op hetzelfde neer.
Dromen van iets wat hoopvol is, blijkt irreëel als het heden zich erop stort. Wanhoop is het resultaat. “Hoop is een zoethoudertje van de politieke partijen”, zei Pasolini ook ooit eens in een interview. In dezelfde editie van l’Unità (p.13) wordt die wanhoop treffend verbeeld op een Moskou’s affiche. De drie letters S van CCCP zijn veranderd in vraagtekens en het bovenschrift luidt: “Wie zijn wij, waar gaan wij heen ???”

Toevallig, of niet toevallig, is het zowel in Il fiore als in Salò steeds weer die vraag: “Hoe heet je? Wie ben je?” om grip op de ander te krijgen. En als in het begin van Salò de eerste jonge soldaat wordt geworven (geworven? Door een auto klem gereden!) is de enige en afdoende vraag: “Dove vai? Waar ga je naartoe?” Hij die de vraag stelt, weet als enige het antwoord. Machtig.

Daarom zijn deze acht Salò-berichten ook een analyse van de ongedroomde actualiteit.

De hele reeks van deze 8 Salò-artikelen:

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>