Automobielshow (1/2)

Wat ik van thuis uit heb overgenomen is de voorliefde voor een vreemdsoortige collectie auto’s. Ik zal eerst een overzicht geven van waarmee mijn ouders zich voortbewogen; daarna loop ik mijn eigen nummerborden even langs.
Van 12-cilinder Dodge tot Londense taxi, van Wartburg tot Dauphine. Het heeft allemaal vier wielen. En vaak nog een reservewiel ook.

Mijn onderzoek gaat terug tot 1939. Ik weet niet of mijn vader (in 1928 naar Indië vertrokken voor een koloniale onderwijscarrière) eerder ook al auto’s heeft gehad, maar vanaf 1939 is mij de reeks wel duidelijk.

Allereerst de 12-cilinder Dodge, kenteken D-8135 (D voor Bandung), waarmee hij in Bandung rondreed. Een convertible, waarvan het verhaal ging dat je hem in zijn eerste versnelling kon zetten, dan uitstappen, en er in gewone tred naast gaan lopen. Opmerkelijk: stuur rechts, want men reed en rijdt daar links, en dat zowel de voor- als achterportieren “veilig” openen, dwz. scharnierend aan de voorzijde. Bij de internering in 1942 is de auto roemloos en spoorloos verdwenen. Bijgaand filmpje (2½ Mb) is echter wonderwel bewaard gebleven. Mocht iemand van jullie binnenkort nog in Tokyo komen, laat dan deze beelden even zien. Misschien helpt het de autoriteiten van het Wiedergutmachungsministerium der Rijzende Zon bij hun opsporingen naar de rechtmatige eigenaar.
Na de oorlog, weer terug in Nederland, deden mijn ouders het een tijdje zonder auto. Maar op een gegeven moment moest het er toch weer van komen. Vlak voor de eerste en enige keer dat ik met mijn ouders op vakantie ben geweest, in 1957 naar Schin op Geul, hakte mijn vader de knoop door. Hij moest wel eerst opnieuw rijexamen afleggen, want zijn vorige rijbewijs was ofwel zoek geraakt, ofwel verlopen, of beide, maar toen kwam hij op de proppen met een heuse Panhard Dyna-Z, de XK-63-95. 

Of hij nieuw of tweedehands was, weet ik niet meer; het model bestond al vanaf 1954. De auto kenmerkt zich van buiten door die eigenwijze derde mistlamp middenvoor, van binnen doordat het een luchtgekoelde motor was van slechts 851 cc, hetzelfde dus als een Dauphientje of een Fiatje 850. Toch was het een heuse zeszitter (zowel voor als achter een bank i.p.v. stoelen) met een enorme kofferruimte en een verbruik van 1:16 ongeveer met een topsnelheid van 145 km/u. Maar wel een rotauto, kwalitatief gezien. Niettemin hield hij het zes jaar uit voor hij aan vervanging toe was.

Maar wat nu? De liefde voor Franse auto’s was helemaal passée. Engelse en Italiaanse auto’s waren volstrekt onbetrouwbaar. Japanse auto’s, voor zover al op de markt, kwamen überhaupt nicht im Frage. Dus restte niets anders dan vertrouwen op de Duitse degelijkheid. Ik weet nog dat ik mee mocht langs diverse dealers. Mijn vader zette in op een DKW 3=6, de zgn. F93. Een driecilinder tweetaktmotor, zodat de fabrikant in zijn verkooppraatje stelde dat hij te vergelijken was met een zescilinder motor. Maar de dealer gaf te weinig terug voor de Panhard, en zo kwam hij uit op een dealer van de Oost-Duitse DKW-variant: een EMW Wartburg 312, die wel gunstig inruilde.
Ook een driecilinder tweetaktmotor (bij het tanken mengen met olie 1:33 en dan weer voortpruttelen), 1000 cc, ruim van binnen, zowel voor de passagiers als de bagage, oerdegelijk 0,7 mm plaatstaal, semi-automaat, waarmee je ook nog eens kon schakelen zonder de koppeling in te trappen, mits je het gaspedaal maar losliet. Meer dan 115 km/u zat er niet in, maar, zoals mijn moeder vaak zei, bang als ze was in auto’s, “tachtig is prachtig”. Met een verbruik van 1:10 zou je hem nu niet meer willen hebben.
Het is deze auto waarin ik mijn eerste rijlessen van mijn vader kreeg op het parkeerterrein tegenover het Olympisch Stadion. Dat scheelde dan weer in het aantal officiële rijlessen.
De auto was state-of-the-art in twee kleuren uitgevoerd: grijs en wit. Er reden nog wel ongelukkiger kleurencombinaties rond.
Ik kan me niet herinneren dat we veel ellende aan die auto hebben beleefd.

Pas na mijn eindexamen, toen ik min of meer niet meer thuis woonde, is ook die ingeruild. Er kwamen achterenvolgens vier Duitsers van onverdachte snit: in 1966 een Ford Taunus 12M (de 66-97-BU), daarna een nederige Golf en een wat ruimer bemeten eerste generatie Audi 80 en een Passat, ook van het type B1. En toen kwam het moment dat het verstandiger was dat mijn vader niet langer auto reed, waarmee dat hoofdstuk definitief werd afgesloten.

Hier trek ik even een streep. Wat ik aan auto’s zelf heb gefinancierd, bezeten, bereden en versleten, komt dra in deel 2 van deze show terecht.

 

Dauphine 6277 NK 52 (2/2)

Het was niet alleen de tomaatrode kleur die mij zo trok in het autootje. Ook niet de gave, haast wellustige rondingen die zo kenmerkend zijn voor een Renault Dauphine. Wat mij als kind het meeste aansprak, waren de groen-fosfor koplampjes die de Dinky Toy overdag blij deden kijken, en die ’s nachts, samen onder de dekens, hun toverachtig licht uitstraalden. In een echte Dauphine had ik nooit gezeten, en mede daardoor kon dit speeltje zijn bijna mystieke, eigen wereld blijven vormen waardoor ik geheel werd geobsedeerd. Deel 4: bij de club.

Voor Dauphine-onderdelen kun je al met al beter in Nederland terecht dan in Frankrijk. Misschien omdat in Nederland de liefde voor oldtimers breder gecultiveerd is dan in Frankrijk, waar ze oude auto’s bij voorkeur in het weiland laten staan weg te roesten, of er zonder beslommeringen meer doorrijden tot ze erbij neervallen (zoals met veel Eenden en Renaults 4L). Daarom ben ik al jaren lid van de CAR, de Club d’Anciennes Renaults des Pays-Bas, die een groot magazijn heeft in Bergschenhoek waar zowat alles voor de Dauphine verkrijgbaar is. Daarnaast heb ik nog enkele andere adressen in Nederland waar ik zo nu en dan onderdelen bestel.
Heel soms slechts kan ik voor een specifiek onderdeel in Frankrijk terecht, meestal op beurzen, brocantes of oldtimer-exposities, maar dat is dan bij toeval en levert onderdelen op die ik eigenlijk nog helemaal niet nodig heb, maar waarvan een exta exemplaar nooit verkeerd is.

Naast deze onderhoudgerichte adressen bestaan er in Frankrijk, net zoals in Nederland, clubs voor oldtimerbezitters. Soms zijn die beperkt tot één bepaald merk of zelfs type. Toen er bij ons in de buurt eentje werd opgericht (eigenlijk heropgericht na een aantal jaren een slapend bestaan te hebben geleid), werd ik daar meteen lid van. Les Belles Années telde zo rond de 20 leden/oldtimers van allerhande slag. Het bleek een club te zijn waar gezelligheid in feite het hoofdbestanddeel vormde, hetgeen zich, naast een jaarvergadering, uitte in het deelnemen aan toertochtjes. Dat houdt in dat iemand van de club een leuke bezienswaardigheid in de regio weet te melden en dat de stoet oude auto’s daar dan heen tuft, liefst met een picknick ergens onderweg, zodat 80% van de autobezitters toeterzat de tocht vervolgt.

Oprichtingsvergadering Les Belles Années,
Tableau de la Troupe, Gyonvelle 2009

Hoewel deze club wel iets had, zaten er toch heel wat nadelen aan vast. Het eerste was dat ik er eigenlijk niet op zat te wachten de Dauphine met regelmaat aan een slijtageslag te onderwerpen, maar juist ernaar op zoek was een plek te vinden waar ik die auto kon onderhouden en verbeteren. Dat bleek bij Les Belles Années niet mogelijk. Het tweede nadeel was nog iets stuitender: na één jaar was er in totaal één tripje gemaakt naar twee musea en een glasblazerij. Daarna ontbrak het aan het nodige organisatie- en communicatievermogen om tot meer te komen. Het betekende dat je wel je € 20 jaarcontributie mocht betalen, met een cheque die dan na dik drie maanden eens een keertje werd geïncasseerd, maar dat je daarvoor helemaal niks meer terugkreeg. Dan ben je er gauw klaar mee.

In de regio vond ik snel een andere club, Les Pistons du Bassigny, veel groter, met een goed draaiende organisatie en met steevast elke maand (feb-okt) een evenement. Dat kan een uitstapje zijn (de alcoholconsumptie daartijdens is bepaald niet geringer dan bij Les Belles Années) of een manifestatie, zoals de grote rassemblement in Montigny-le-Roi op 30 september 2012, waarbij ik, eenmaal gebombardeerd tot clubfotograaf, een groot aantal foto’s heb gemaakt die via deze link nog te zien zijn, net zoals mijn fotoproductie van de jaren erna. Er stonden die dag alles bij elkaar meer dan 100 oude voertuigen opgesteld, en naar het schijnt kwamen er meer dan 800 mensen op af om te kijken.

Damblain (88), 22 juli 2012;
uitstapje met Les Pistons du Bassigny

Daarnaast levert deze club mij enkele contacten op die nuttig zijn voor het onderhoud van de Dauphine en voor het verkrijgen van nuttige informatie, nieuwe of gebruikte onderdelen en een aantal faciliteiten voor reparaties. Kortom, de nu bijna 53 jaar oude Dauphine zal het op deze manier nog heel lang uithouden, mede tot genoegen van de vele mensen die onderweg  ernaar zwaaien, of er op een parkeerplaats een praatje over komen maken (“Het was de eerste auto die mijn ouders destijds kochten” en zo).
Het blijft genieten. 

Voor vorig bericht: klik HIER.

 

 

Een wisse noodzaak

Vandaag een uur of wat door de bossen achter Hortes gelopen. Blauwe lucht, windstil, graad of zes en sneeuw op de bosgrond. Recreatie? Verveling? Manier om van het roken af te komen? Niets van dat al. Ik ging op zoek naar lot nummers 47 tot en met 51 die ons bij de jaarlijkse houtkap ten deel waren gevallen en die we tussen nu en half juni moeten vellen/kappen/zagen en daarna mogen gaan afvoeren voor weer een paar jaartjes stookplezier.

Zoals gebruikelijk dunnen houtvesters in Frankrijk elk jaar de communale bossen uit voor een betere conditie van de houtopstand. Ik weet niet of het voor heel Frankrijk geldt, maar bij ons is het in ieder geval zo dat je, als je minstens drie jaren in de gemeente staat ingeschreven, recht hebt op een lot gekapt hout van doorgaans 6 à 10 stères. Een stère staat gelijk met wat wij nu een kuub noemen. Al zeker sinds de 15e eeuw hebben we daarvoor in het Nederlands ook nog het woord wisse; dat is een stapel wishout of brandhout van 3 voet lang, 3 voet breed en 4 voet hoog, ook ongeveer een kuub dus, maar wel een mooier woord.

Aanvankelijk betaalde je voor zo’n lot € 10 administratiekosten en was het hout gratis. Maar omdat niet alle lots even groot zijn, kreeg je toch te veel zure gezichten en daarom zijn de administratiekosten vervallen, moet je je hout netjes in wissen opstapelen en komt er een gérant, handelend volgens het Règlement National d’Exploitation Forestière, opmeten hoeveel je hebt gestapeld. Dan krijg je een factuur (volgens bronnen ± € 3,50/stère, wat een schijntje is; in de handel betaal je vlot het tienvoudige) en na voldoening van de penningen is het hout van ouw. Maar daar staat wel een en ander tegenover.

Op de eerste plaats krijg je een allegaartje van hout: kromme takken en rechte stammetjes, in mijn geval bof ik dit jaar: heel wat dunne, kaarsrechte stammen van wel 20 meter lang. Verder heb je de houtsoorten niet zelf voor het uitzoeken, maar ook daarmee bof ik: eik, beuk en linde zullen mijn lot zijn; dat wil wel branden.
Het allerergste is echter dat je niet thuis kunt gaan zitten wachten tot de dienstdoende houtvester het netjes gezaagd en gekloofd bij je aflevert; je zult zelf het bos in moeten, zelf gaan vellen, zagen, kappen, kloven, stapelen en afvoeren. Goed kijken welke nummers van jou zijn; alle bomen met dat nummer en een ingekerfd kruis mag/moet je vellen, wat op de grond ligt, moet je op lengtes van 1 meter afzagen, en wat er aan kreupelhout rondom verspreid ligt, moet je kleinhakken (voor aanmaakhout of de barbecue). Jouw “gebiedje” moet je schoon opleveren.

En dat is allemaal aan een onbeschrijfelijke hoeveelheid regels gebonden. Staat allemaal in de pas gereviseerde Code Forestier uit 2012, een herziene versie van een boswet die in Frankrijk al rond 1350 voor het eerst verscheen. En die is aanmerkelijk uitgebreider dan de Nederlandse Boswet uit 1961 (revisie van de Boschwet van rond 1920 – ik weet niet of Nederland er eerder al eentje had, al was het maar in het Fransch).

Ik noem maar wat: je mag de stammen niet schuin afzagen, maar alleen parallel aan de bodem, om te voorkomen dat banden of carters van bosvoertuigen en tractoren beschadigd raken; je mag het hout alleen op stevige ondergrond opstapelen, om spoorvorming en samenpersing van de grond te vermijden die het ondergrondse wortelstelsel zou kunnen doen verstikken; je mag geen stapels laten leunen tegen jonge aanplant of reeds bestaande bomen; je mag jonge aanplant niet verbuigen of knakken; er mogen geen takken of twijgen over gebaande paden, greppels of perceelgrenzen heen uitsteken; als de grond te modderig is, mag je met de tractor niet het bos in om het hout weg te halen; … en dat alles op straffe van een forfaitaire boete van € 200, nog los van de verplichting de aangerichte schade te herstellen of op jouw kosten te laten herstellen. Verder moet de affouagiste (daar bestaat geen Nederlands woord voor; het is meer dan een sprokkelaar en minder dan een houthakker, het is degene die zijn wishout zaagt, ordent, afvoert en zich toe-eigent) zich houden aan de kledingvoorschriften: bos- of bouwhelm met vizier, lederen handschoenen, zaagvaste pantalon, veiligheidsschoenen, kniebeschermers, wettelijk goedgekeurde motorzaag en ander gereedschap, nooit alleen aan het werk maar altijd en équipe, je voertuig parkeren met de neus in de vluchtrichting voor het geval er brand uitbreekt, zelf tevoren een vluchtweg bepalen als je een boom gaat vellen, …

Bij dit alles besef ik maar eens te meer hoezeer het plattelandsleven hier in Frankrijk wordt gedicteerd door de seizoenen. Brandhout is hier essentieel; niet alleen foyers en cuisinières, maar zelfs in heel wat cv-ketels wordt hout gestookt. Kijk maar, als je door het Franse platteland rijdt, hoeveel onafzienbaar lange houtstapels er op de erven liggen te wachten op de komende winter. En bedenk dat elk stammetje op die stapel er handmatig is opgelegd (nadat het dus al die vele bewerkingen hierboven heeft ondergaan). De seizoenen, geen domme traditie, maar economische noodzaak: tussen maart en mei: vellen, kappen, zagen, kloven in het bos. Tussen juni en september: afvoeren en thuis opstapelen. Twee jaar laten drogen. Tussen oktober en maart: opstoken.


Je kunt ook tien keer zoveel betalen en het kant-en-klaar thuis laten bezorgen, maar dan mis je het genoegen dat je er ook gratis bij krijgt: het urenlang aan het werk zijn in de bossen op de heuvels net achter Hortes.
Sterk aanbevolen.

 

 

Dauphine 6277 NK 52 (1/2)

Het was niet alleen de tomaatrode kleur die mij zo trok in het autootje. Ook niet de gave, haast wellustige rondingen die zo kenmerkend zijn voor een Renault Dauphine. Wat mij als kind het meeste aansprak, waren de groen-fosfor koplampjes die de Dinky Toy overdag blij deden kijken, en die ’s nachts, samen onder de dekens, hun toverachtig licht uitstraalden. In een echte Dauphine had ik nooit gezeten, en mede daardoor kon dit speeltje zijn bijna mystieke, eigen wereld blijven vormen waardoor ik geheel werd geobsedeerd. Deel 3: eindelijk thuis.

Het vorige bericht eindigde met de vraag hoe lang je door kunt rijden met een nummerbord van een ander departement dan dat waar de eigenaar staat ingeschreven. Welnu, dan mocht dus niet. In de periode dat Frankrijk nog departement-gebonden nummerborden voerde (tot 15 april 2009) stond er een fikse boete op het rijden met een “vals” kenteken, zelfs twee maanden gevangenisstraf, werd mij verteld.
Hoewel ik me afvroeg of dit wel zo’n vaart zou lopen bij een oldtimer die alleen voor plezierritjes wordt gebruikt, leek het me toch maar raadzaam tegelijk met het omzetten van het Nederlands kenteken van mijn Peugeot 406 ook meteen maar de Dauphine op zijn goede departementsnummer te zetten, dus 52 in plaats van 12. Ik deed dat in september 2006, iets waarvoor je naar de Préfecture in Chaumont moet, zo’n 55 km van hier af. Maar dan is het ook in een kwartiertje gepiept.
Het verkrijgen van een Frans kenteken voor de Nederlandse 406 kostte me € 175,00; dat gaat per fiscale CV van de auto. De adreswijziging van de Dauphine was daarentegen geheel gratis. Ik had gehoopt twee opeenvolgende nummers te krijgen, maar dat lukte net niet, want terwijl de eerste al wel was afgewikkeld en de loketbeambte met de volgende bezig was, glipte er net een vervelende mevrouw aan het loket ernaast tussendoor die met het tussenliggende nummer aan de haal ging. Zo kreeg de Dauphine 6277 NK 52 en de 406 moest het stellen met 6279 NK 52.

Maar goed, de 406 is inmiddels al een jaartje de deur uit en haar opvolger, de 407, heeft een nationaal nummerbord van het nieuwe type.

De Dauphine intussen overleeft de ene na de andere APK (Contrôle Technique, tweejaarlijks hier) met glans. Bijna nooit hoeft er een nacontrole na een of andere reparatie plaats te vinden. Kwestie van goed onderhoud, dat moet gezegd. Het is meer dan een rubbertje hier en een stripje daar: carburateur vervangen, startmotor laten reviseren, remcilinders demonteren en schoonmaken, brandstofpomp vervangen, elektronische ontsteking ingebouwd (jawel, in een 6-Volts auto!), nieuwe uitlaat monteren, dat zijn toch meer ingrijpende werkzaamheden. Maar als het je hobby is, heb je er dat graag voor over. En bovenal: nooit met deze auto gaan rijden als het nat is, want dan gaat ze van onderen roesten waar je bij staat.

Voor volgend bericht: klik HIER 

 

 

 

De Grote Oorlog

Nederlanders hebben er niet zo veel mee, maar voor Belgen en Fransen is de Eerste Wereldoorlog immer nog De Grote Oorlog. De geschiedschrijving daarvan kan aanmerkelijk worden verlevendigd door persoonlijke documenten van mensen die de periode 1914-1918 aan den lijve hebben ondervonden. Ik geef een aanzet voor een dergelijk beschrijvingsproject.

De vader van Solange en André Parisot, de vorige bewoners van ons huidige huis in Rosoy, werd op 4 augustus 1914 gemobiliseerd. Zijn lijdensweg liep langs de hele Noord-Franse grensstreek, grofweg van Belfort in het oosten tot Le Havre in het westen. Hoe hij heeft weten te overleven, is een raadsel.

Twee bronnen kunnen daarop wel een merkwaardig licht laten schijnen:

1. Met zo groot mogelijke regelmaat stuurde Eugène Parisot (1874-1962) brieven naar zijn vrouw Louise Millot (1875-1947) en de twee kinderen Solange (1900-1997) en André (1909-1981). Louise heeft tientallen van deze brieven steeds met naald en draad gebonden tot er uiteindelijk een 4 centimeter dik pakket “berichten van het front” ontstond. Dat pak brieven is in ons bezit.

2. Zelf had Eugène een zakboekje van 15×9 cm in zijn borstzak zitten, waarin hij in zo klein mogelijke lettertjes zo veel mogelijk dagboeknotities maakte. Ook die bron hebben wij hier liggen.

Daarnaast hebben we nog wat “ondersteunend materiaal”, zoals zijn militair paspoort en enkele kleine, bijna geheel vervaagde foto’s van het front.

Zonder op dit moment op al te veel details in te gaan, wil ik één opvallend aspect van beide bronnen niet onvermeld laten: waar zijn brieven over het algemeen een geruststellende toon voor het thuisfront ademen (goed weer, lekker eten, kanonvuur ver weg, …), komt in het zakboekje de werkelijke toestand aan het oorlogsfront boven tafel (angst, ellende, modder, gesneuvelde kameraden, …). Achterin het boekje schrijft hij op 1 juni 1915 te Vicq, die beruchte frontplaats, in keurige letters en in twee kleuren zijn testament.

Het zal een hele klus worden, maar het lijkt mij de moeite waard van deze twee bronnen naast elkaar een uitgave te maken met een schat aan inside information en wijze van communiceren. Die klus omvat minstens:

  • Het ordenen van het beschikbare materiaal (dat is al zo goed als klaar).
  • Het ontcijferen van de geschreven pagina’s, vaak heel priegelig, vaak ook slecht leesbaar vanwege een dun potlood, in enkele gevallen ook deels onleesbaar door aangevreten of gescheurd papier.
  • Van de Franse transcriptie zou dan eventueel een Nederlandse vertaling moeten worden gemaakt (of de hele uitgave moet uitsluitend in het Frans blijven).
  • De bronteksten moeten vervolgens van historisch-wetenschappelijk gedegen commentaar worden voorzien, waarbij een beslissing moet vallen over de vraag of het tot deze persoonlijke familie-ervaring moet blijven, of dat die moet worden ingebed in het grotere geheel van de geschiedschrijving over WO-I.
  • Er moet een uitgever worden gevonden die bereid is het zo ontstane materiaal uit te geven. Misschien moet er trouwens wel eerst een uitgever worden gevonden voordat de andere stappen kunnen worden gezet.


Mijn vraag op dit moment is of iemand suggesties heeft voor een geïnteresseerde uitgever en/of voor de verwerking van het bronnenmateriaal.

 

De cave

Zoals onder Nederlandse huizen wel eens een kelder wil zitten, zo bevat een Franse boerderij een cave, vanouds de koelkast voordat er koelkasten bestonden, half ondergronds, inpandig, met een ’s zomers en ’s winters zo constant mogelijke temperatuur tussen de 5 en 10 graden. De ideale bewaarplaats voor wijn en al dan niet geconserveerde voedselvoorraden – ook een pretpark voor muizen en ratten.

Wij troffen er in Rosoy ook eentje aan, al was de vreugde daarom aanvankelijk niet echt heel groot.
Een ruimte van 4×4 meter ongeveer met een lemen vloer waarop veel vuil en stro lag, vier muren van de bekende natuursteen: de harde blauwe en de zachte gele (Rosoy ligt op een breukvlak van twee steensoorten: de bazaltachtige harde blauwe steen en de gelige kalkzandsteen; het wordt at random door elkaar opgestapeld); de buitenmuur ligt half ondergronds, want het terrein rond het huis loopt schuin en het huis is min of meer recht gebouwd, een klein raampje op maaiveldhoogte voor de nodige ventilatie en boven het geheel het plafond. Dat was kunstig ontworpen: zware, eiken balken op 25 cm van elkaar steunden op de muren links en rechts. Ze waren een beetje taps gezaagd met de grootste opening bovenaan, waarin zo lang mogelijke zware stenen klem in waren gelegd. Daar bovenop een 15 tot 20 centimeter dikke laag van mest, stro, kapotte dakpannen en wat al niet, alles voor de broodnodige isolatie.

De werking van een cave is vrij simpel: geen direct zonlicht, maar wel ventilatie. Het vocht van onder uit de vloer en van de natuurstenen muren verdampt waardoor er warmte aan de circulerende lucht wordt onttrokken. Als het goed is, kan daarmee een zeker evenwicht en dus een min of meer constante binnentemperatuur worden gegarandeerd.

In de cave bevond zich, naast een (helaas lekke) weckketel, een grote hoeveelheid flessen en weckpotten.
In de flessen zaten sperzieboontjes. Afgedicht met een kurk met een waslaag eroverheen waren ze ondersteboven in gaten van een eiken plank gehangen. Getuige enkele etiketten dateerde die inmaak uit de jaren-’60 en -’70. Later besefte ik de onvergankelijkheid van de traditie: in een van de schriftjes uit de schooltas van André trof ik een verslagje van hem aan dat hij op school moest schrijven over hoe hij de grote vakantie had doorgebracht, begin jaren-’20. Vanwege een verstuikte voet kon hij helaas niet met zijn vriendjes gaan voetballen. Daarom was hij aan het werk gezet en moest hij de hele dag geblancheerde sperzieboontjes in flessen stoppen…
De weckpotten waren, ook rond 1970, gevuld met perziken, witte boontjes, pruimen, kersen, alles op sap. Ze stonden ook op hun kop op planken om zodoende optimaal luchtdicht te blijven. Mijn verlangen om ervan te proeven was niet echt groot, maar Claud, toch wat roeklozer of plattelanderiger dan ik, zei dat het heus wel kon, zolang die vruchten maar onder het sap stonden. Ten bewijze opende hij een pot en at wat pruimen ervan op. Hij leeft nog steeds en ik merk niets vreemds aan hem.

Ook, en dat vond ik gunstiger, lagen en behoorlijk wat flessen gevuld met zelfgemaakte wijn, likeur en iets daar tussenin. Meestal met een laag alcoholpercentage (notenwijn, kersenwijn), soms ook duidelijk destillaten (pseudo-Marc en Arquebuse van zeker 40%). Vroeger kwam er in alle dorpen met enige regelmaat de destilleerkar langs van de boer die daarvoor een vergunning had. Tegen inlevering van een paar kilo fruit kreeg je van hem dan een of meer flessen zelf gestookte alcohol. Toen ik eens aan de voor-vorige burgemeester vroeg of die kar nog wel eens langskwam, antwoordde hij ontkennend. Het vergunningenstelsel is erg strikt tegenwoordig. Toen ik daarop vroeg of ik dan niet toch stiekem bij iemand aan 90% alcohol kon komen om mijn Cointreau te maken, zei hij doodleuk: “Ja, bij mij”.

Van die wijnen bleek overigens de helft helemaal om te zijn; de andere helft smaakte prima. En nu drogisten ook al geen alcohol 90% meer mogen verkopen aan particulieren, haal ik die voortaan maar gewoon in Luxemburg bij het tankstation.

Terug de cave in. Door ouderdom en achterstallig onderhoud waren de eiken balken vervaarlijk doorgezakt en bovendien uitgedroogd en gaan wijken, waardoor her en der de lange, zware stenen erdoorheen begonnen te zakken. Die moest je niet op je hoofd krijgen. Je kon ook niet meer rechtop in de cave lopen. Niet alleen zijn Fransen kleiner dan Nederlanders, maar ook de uitgezakte balken verhinderden een onbelemmerde doorgang. Tijd dus voor een allesomvattende renovatie.

Eerst alle geconserveerde etenswaren veilig elders opgeborgen. Toen met een kettingzaag de eiken balken doorgezaagd en alles maar op de vloer laten vallen, inclusief de eindeloze hoeveelheid troep die er als isolatie bovenop lag, en met stofmaskers voor de hele vloer leeggeruimd.

Ik doe graag zo veel mogelijk zelf, maar af en toe moet er toch even een aannemer aan te pas komen. Ik vroeg het in juli aan hem om de vloer wat te verlagen, een nieuw, goed geïsoleerd en strak plafond aan te brengen en rondom een betonnen stoepje te maken waarop we kasten konden zetten. De lemen vloer bleef leem, maar zou dan wel met een grindlaag worden bedekt om stoffigheid te vermijden en toch de ventilerende werking van de bodem in tact te houden.

De bouwvakkers kwamen het tussen kerst en nieuwjaar doen. Probeer in Frankrijk maar eens een datum af te spreken waaraan men zich ook houdt. Het vroor in de cave-ruimte 4°, buiten ietsje meer. Als ze water nodig hadden om cement aan te maken, moesten ze in de waterton eerst de ijslaag kapotslaan. Maar je schijnt ook onder nul te kunnen metselen. Nooit geweten. Uiteindelijk hadden ze in vier dagen de zaak voor elkaar zoals ook was gepland en afgesproken en konden we onze nieuwe cave gaan inruimen.

Het is een rijkdom om een dergelijke ruimte in  huis te hebben met het vliegenkastje (de garde-manger) en het eiermandje-waar-de-ratten-niet-bij-kunnen, al moet ik wel toegeven dat haar klimatologische constantheid te wensen overlaat: in 2003, bij wekenlange temperaturen van 35-40°werd het in de cave tegen de 24°, altijd nog de meest koele plek om je even in terug te trekken. In januari 2012, langer dan een week rond de min 20°, vroor het vier graden in de cave. De wijnvoorraad, zeker de rode, dus voor alle zekerheid toch maar in de keuken opgeslagen. Maar veruit het grootste deel van het jaar doet die cave wat hij moet doen: een heel grote koelkast zijn.

En wat die muizen en ratten betreft: eerst met korreltjes rattengif hun looproute gedetecteerd en toen maar het hele voorraadrek van de muur gehaald om met pur en cement de betreffende muurdelen en voegen te gaan dichten (zoals een Eindhovense aannemer hier uit de buurt het formuleert: “Wilde daddet zit, dan vatte kit, kiekde d’r dur, dan vatte pur” – hij heeft gelijk). Sindsien is er geen rat meer die mijn aardappelvoorraad aanvreet. Je kunt toch ook niet de kat een nacht in de cave opsluiten om het ongedierte te verjagen.

 

 

 

 

Lu et approuvé

Als een neerlandicus trouwt met een historica, is een van de dingen waarmee het wel goed zit de hang naar en liefde voor het boekwezen. Die gaan ook verder dan alleen studiemateriaal zijn of nodig bij de beroepsuitoefening. Aan boeken ga je ook een culturele, typografische of intellectuele waarde toekennen die soms zelfs autonoom is, dat wil zeggen, niet strikt afhankelijk is van de inhoud of de praktische bruikbaarheid. Door een misschien wat toevallige samenloop van gebeurtenissen hebben wij inmiddels enkele jaren het internetantiquariaat Lu et approuvé. Een kort overzicht van ontstaan en voortgang.

In de jaren-’80 was Mieke actief betrokken bij de Boxmeerse vrouwenbeweging die de beschikking had weten te krijgen over een eigen onderkomen nabij het winkelcentrum. Dat onderkomen werd, met een aardige dubbelzinnigheid, Ruimte voor Vrouwen gedoopt, waarbinnen zich allerhande zinvolle activiteiten konden ontplooien. Een daarvan (en hou nou eens op  met die nutteloze streepjes op die één – van spraakverwarring is er immers totaal geen sprake) was dat zij met een vriendin aldaar een tweedehands-boekwinkel opzette die naar de al even spitsvondige naam Déjà Lu luisterde.

Na enige jaren besloot die vriendin onder dezelfde naam voor zichzelf te beginnen in een Nijmeegs pand. Dat antiquariaat bestaat nu nog steeds – of niet meer; dat weet ik niet. In ieder geval werd de Boxmeerse boekenvoorraad keurig in tweeën gedeeld en zat Mieke met enige honderden boeken bovenop de door ons al bijeenvergaarde collectie. Lange tijd bleef alles maar in dozen en op planken liggen, tot wij in 2004 besloten de activiteit nieuw leven in te blazen, ditmaal niet als fysieke boekwinkel, maar als internetantiquariaat Lu et approuvé v.o.f. Die naam viel ons in omdat wij, inmiddels in bezit van het huis in Rosoy, op tal van momenten in Frankrijk handtekeningen moesten zetten op documenten en contracten onder de vermelding “Lu et approuvé”, een overigens niet rechtsgeldige aanwijzing dat je zegt te weten waarvoor je tekent.

In 2006 volgde inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Daaraan zat ook een voor ons volstrekt nutteloze verplichte inschrijving bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel vast, een bureaucratische ambtenareninstelling die ons klauwen met geld kostte en niks opleverde. Toen bovendien na enige jaren de Belastingdienst constateerde dan onze activiteiten meer het karakter droegen van een “uit de hand gelopen hobby” dan van een “bedrijfsmatig handelen”, besloten wij de v.o.f. als zodanig te ontbinden, ons daarmee verlossende van nare administratieve verplichtingen en ons te concentreren op de hoofdzaak: het bezig zijn met boeken, inkopen en verkrijgen, beschrijven, aanbieden en verhandelen via internet.

Van de circa 10.000 titels is inmiddels ruim de helft ingevoerd. Dat beschrijven en invoeren van boeken, alsmede het afhandelen en verzenden van bestellingen kost veel tijd, zonder dat het een complete dagtaak kan worden genoemd. Het moet leuk blijven, en dat blijft het ook wel, zeker omdat de wereld van het boek een prettige ambiance biedt en de mensen die erbij betrokken zijn doorgaans sympathiek zijn in hun verbondenheid met de liefde voor het boekwezen.

Onze eigen domeinnaam www.luetapprouve.nl zit om praktische redenen gekoppeld aan het domein dat we al hadden: www.rosoy.nl. Daar is niks mis mee. Ongeveer de helft van de boeken staat opgeslagen in Boxmeer, de andere helft in Rosoy. Van ruimtegebrek is geen sprake, maar nog belangrijker daarbij is een verkoopargument dat velen onbekend schijnt te zijn.

Ik vermoed dat het nog een uitvloeisel is van de Franse revolutie van 1789 en al dan niet door Napoleon is gesanctioneerd, dat de Franse PTT, La Poste, immer nog een speciale tariefstelling hanteert onder de noemer “Livres et brochures”, zoals onze Nederlandse PTT vroeger nog een speciaal tarief had voor het verzenden van kranten. Achtergrondgedachte daarbij was dat het “wereldwijd verspreiden van de Franse cultuur” gestimuleerd diende te worden, in ieder geval niet gehinderd mocht worden door exorbitante portokosten. Het resultaat is dat het versturen van boeken vanuit Frankrijk naar ongeveerde hele wereld buiten Frankrijk voor zeer lage tarieven mogelijk is, ook voor boeken die dikker zijn dan 3,2 cm en daarmee in Nederland niet meer als briefpost, maar als veel duurdere pakketpost verzonden moeten worden. Daarmee komen de portokosten vanuit Frankrijk naar Nederland of België op een kwart of een derde van de tariefstelling van wat je er binnen Nederland of België voor zou moeten betalen. En als dan ook nog eens keer op keer blijkt dat al die goedkoop verzonden boeken ook echt aankomen, zulks zelfs doorgaans binnen 2 à 3 dagen, dan is iedereen gelukkig met deze revolutionaire verworvenheid.

Het is en blijft boeiend werk, bezig zijn met boeken. Niet alleen omdat het ons van de straat houdt, maar ook omdat het veel blije gezichten oplevert naast een (bescheiden) aanvulling op een al even bescheiden pensioen.

Redenen te over om maar eens een kijkje te nemen op luetapprouve.nl om je te laven aan het gevarieerde aanbod.

Cookies

Vandaag verstuurd aan onze publieke en mede door mij gefinancierde vrienden van de NOS:

Ik vind het volstrekt absurd dat ik een medium dat tot de publieke omroep behoort niet kan raadplegen zonder allerhande ontfutsel-, oneigenlijk gebruik en ongewenste spookbestandjes te moeten accepteren die door mij als verdacht en abject beschouwde derden, zoals asocial media, informeert over wat ik bij jullie zoek.
Ik protesteer hiertegen en verlang van de NOS dat zij haar diensten onbesmet en zonder bijbedoelingen aanbiedt.
Ik heb begrepen dat ook het verzet van anderen hiertegen al behoorlijk breed is.

Eerste stap: deel dit protest tegen de NOS en eventuele andere aanbieders. Dan liever maar weer kijk- en luistergeld betalen, net als in Frankrijk, in plaats van ongemerkt misbruikt te worden.

Tweede stap: een actie op touw zetten om wereldwijd het gebruik van cookies te verbieden. Ik zie geen principieel verschil tussen bacteriologische en elektronische wapens; beide dienen om mij van binnenuit leeg te zuigen. De Firma Cookie&Co is een criminele organisatie, of daarmee te vergelijken.

 

 

Frozen Final in Luik

Voor de spanning had ik het hele eind naar Luik niet hoeven te rijden, afgelopen zaterdag voor de Belgische bekerfinale (de Frozen Final) tussen Herentals en Leuven. Zoals iedereen wel had zien aankomen, werd het een overlopertje voor Herentals dat na afloop met een klinkende 10-2 overwinning op zak de beker in ontvangst mocht nemen. Dat zo’n rit op en neer naar Luik desondanks wel de moeite is, heeft meer te maken met de stad zelf, zie mijn verslag elders op deze weblog, en met het feit dat je weer een hoop nuttige contacten hebt met bestuursleden, spelers, journalisten, … En goede contacten zijn er om warm te houden.

En ik ging natuurlijk om eindelijk eens die ijshal van binnen en in vol bedrijf te zien. Dat op zich was al zeker de moeite waard, zoals ik in mijn andere Luikse artikel al liet doorschemeren. Het enige waarin ik danig werd teleurgesteld, was de kwaliteit van de geluidsomroep. Door de vele gladde oppervlakken galmde het geluid enorm en de speaker kwam bepaald niet verstaanbaar over boven het geluid van de toeschouwers en hun toeters uit. Gelukkig ging alles, het blijft België, in twee talen, zodat je in ieder geval steeds een herkansing kreeg.

Het enorme krachtsverschil tussen beide teams is een goed voorbeeld van de problematiek binnen het Belgische ijshockey: er zijn een paar veel te goede teams en een paar veel te slechte om een normaal en beetje spannend competitieverloop te kunnen waarborgen. Ter illustratie: momenteel is de stand boven- en onderaan de hoogste divisie, de Elite League, waaraan ook het tweede team van Herentals deelneemt:

  • 1 Leuven: 16 gespeeld, 45 punten, doelcijfers 179-34
  • 2 Turnhout: 15 gespeeld, 39 punten, doelcijfers 158-44
  • 9 Charleroi: 14 gespeeld, 9 punten, doelcijfers 62-183
  • 10 Gullegem: 14 gespeeld, 0 punten, doelcijfers 32-145

Thijs van Laere (links) en Jens Engelen kraaien na afloop victorie

De kleine van Matt Crowell kan alvast wennen aan gouden medailles

Herentals steekt daar met zijn eerste team dan nog eens met kop en schouders bovenuit. Dat noopte de Belgische bond tot een aantal kunstgrepen. Een daarvan was dat het team niet deelneemt aan de Belgische, maar aan de veel hoger aangeslagen Nederlandse competitie, waar het goed meedraait in de middenmoot met de aantekening dat op de huidige topscorerslijst twee Herentalsspelers bovenin te vinden zijn: Matt Crowell op plek 1 (36 goals+29 assists=65) en Tyler Melancon op plek 3 (met 17 goals+43 assists=60). Daarmee heb ik ook meteen de twee importspelers van Herentals genoemd die ook in de finale optraden, want beiden zijn Canadezen.

Pascal Nuchelmans, voorzitter van de Belgische Bond, overhandigt de Beker van België aan Herentals-aanvoerder Vincent Morgan


Een tweede kunstgreep van de Belgische bond was dat Herentals van de vier importspelers die het in de selectie heeft er maar twee in de finale mocht opstellen, om het krachtsverschil enigszins te verkleinen. De twee andere Canadezen moesten dus op de tribune plaatsnemen tussen de dik 1200 andere toeschouwers. Leuven mocht al zijn vier imports wel allemaal opstellen.

 

De Leuven-verdedigers (links) lijken vooral elkaar te dekken, waardoor de gebroeders Morgan zowat een leeg doel vinden voor de 6-0

Als je verder bedenkt dat Herentals in de selectie dan ook nog eens 15 Belgische spelers heeft die voor het nationale team uitkomen, en de club een over een gedegen jeugdopleiding beschikt, dan is het we duidelijk dat daar binnen de Elite League geen maat op staat.

 

 

Meegereisde fans van IHC Leuven Chiefs zien de bui al rap hangen…

 

De Leuvense coach, Danny Geysbrechts, zei het me na afloop van de finale ook met een verontschuldigende blik: “Wij hebben maar 3 internationals in onze selectie en wij kunnen niet, zoals Herentals dat in Nederland kan, zoveel wedstrijden in een jaar op een hoog niveau spelen, omdat de tegenstand in België ten ene male te gering is. Wij hadden vooraf niet zo veel illusies over deze finale. Ik zei tegen de jongens dat ze moesten proberen zo veel mogelijk hun eigen systeem te blijven spelen. Dat lukte ook wel, alleen maar 10 minuten lang, en toen was de concentratie weg. Vooral tegen de veel hogere spelsnelheid van Herentals waren wij niet opgewassen.”

 


Wie meegaat in de beeldvorming dat het in het Belgische ijshockey meer gaat om de pinten en de fritten na afloop, dan om de stick en de puck, doet de zuiderburen oneer aan. Zelfs tijdens deze eenzijdige finale werd er gedreven en geconcentreerd gespeeld. Leuven, eenmaal op een 0-6 achterstand gezet, bleef toch energiek volhouden en werd ervoor beloond met 2 treffers op rij.

De obligate groepsfoto na afloop

Wat natuurlijk wel waar is: je proeft aan alles dat ijshockey in België voor een groot deel gewoon fun is. Lachende gezichten alom, bij officials, winnaars en evenzeer bij de verliezers. Zoiets heet spelvreugde. En dat dan ook nog eens in zo’n geweldige ijshal.

___________________________________________

alle foto’s: © 2013 Leonard Loonen

 

 

Toen ijspret in de walvis zat…


Ik vrees dat ik mijn (voor)oordeel over Luik moet gaan herzien. De indruk van een deprimerende, troosteloze, grauwe stad vol vergane glorie, decadentie en bouwputten begint zoetjes aan plaats te maken voor bewondering en zelfs een soort aantrekkelijkheid. Een kwestie van er wat langer rondlopen en er een liefde voor ijshockey op na houden. The Frozen Final op 2 februari als spil van een wat langere bespiegeling-met-plaatjes. Van architectuur tot economie; van economie tot serieuze sport. Ik heb mij laten opslokken door een walvis.

Sinds wij in 1998 ons huis in Rosoy kochten, ben ik al honderden malen op en neer dwars door Luik gereden. En iedere keer overviel mij die ene indruk: Luik schommelt in hoofdzaak tussen tristesse en melancholie.  Half gesloopte of ingestorte fabrieksgebouwen, straten met losliggende klinkers en gaten in het asfalt, in wezen fraaie huizen met vieze gevels waarin afgebladderde vensters zitten waarachter groezelige gordijnen hangen, voor zover nog zichtbaar achter de borden met “à vendre” of “à louer” erop. Altijd is er wel ergens een straat of brug opgebroken omdat het zo langer echt niet meer ging. Je rijdt er maar doorheen, omdat omrijden over de rondweg zo veel om is en die ook maar in hoofdzaak druk en slecht onderhouden is. Het enige wat goed functioneert, zijn de flitscamera’s.

Maar de afgelopen jaren is er merkbaar iets veranderd. Alleen, daarvoor moet je niet met oogkleppen op er snel doorheen rijden, maar even de Maaskade verlaten om iets meer te gaan ontdekken. Dat overkwam mij om te beginnen met het nieuwe winkelcentrum Médiacité, aan de oostelijke Maasoever opgetrokken. Als je al die Peugeots ervoor even wegdenkt: een complex met allure, van een architectonische schoonheid om jaloers op te worden vanwege zijn boogvormen en ruimtelijke en efficiënte indeling.

Een tweede frappante constructie is het spiksplinternieuwe TGV-station Liège-Guillemins. Ontworpen door de Spaanse architect Santiago Calatrava, werd het in september 2009 opgeleverd. Niet voor niets plaatste ik aan het begin die destructieve CAT-foto. Het verwijderde huis moest namelijk plaats maken voor de werkzaamheden rond dat station die immer nog niet zijn voltooid.
Aanvankelijk was Liège-Guillemins, vernoemd naar de wijk waarin het staat, die weer is vernoemd naar het Wilhelmietenklooster dat er ooit stond, een toonbeeld van vervallen architectuur en onderhoud, in volstrekte harmonie met zijn eigenaar, het kwijnende staatsbedrijf der Belgische Spoorwegen. Zoals in Nederland Rotterdam en Arnhem een complete facelift krijgen, is men daar in Luik ook in geslaagd. En hoe. En met als bijkomend voordeel dat hier wèl hogesnelheidstreinen in en uit rijden.
Al van grote afstand maakt het station een verpletterend mooie indruk. Ik heb het dan even niet over de gele tuinslang waarmee de parkeervakken zijn gemarkeerd, noch over de hekwerken voor de werkzaamheden rechts (“Verboden op het werk te komen”, maar dat zie je alleen in Vlaanderen), waarachter zich een hele rits stamineetjes en andere verbruikzalen met een hoog halalgehalte bevinden. Ooit zal ook dit allemaal wel klaar zijn en keert de oude gezelligheid er weer terug.

De indruk-van-afstand wordt bij nadering alleen maar bevestigd. De gigantische boogconstructie werkt uitnodigend, niet beklemmend. De brede trappen bieden een monumentaal entrée; dat is iets anders dan de zware, vuile deuren en tourniquetjes die vele stations zo onaantrekkelijk maken. Hier ben je welkom, al moet je daarvoor wel een hele klim verrichten. Ook geen perronkaartjes of kil-afstandelijke bordjes met “Geen toegang zonder geldig vervoerbewijs”.
En Kuifjes Raket naar de Maan is in deze futuristische ambiance ook maar geïntegreerd, zij het dan tijdelijk.
Winderig is het er met al die transparantie natuurlijk wel. Niet tochtig, zoals op de stations in Nijmegen en Den Bosch bijvoorbeeld, maar inregenen doet het er stellig niet.

De opzet van de hele constructie ademt de sfeer van een uitnodigende ruimtelijkheid, iets wat in mindere mate ook het geval is in het winkelcentrum Médiacité. Misschien is het wel onterecht te spreken van een futuritisch kunstwerk; het is gewoon het heden. Je kunt gewoon een kaartje kopen naar Luik-Guillemins en je staat midden die hedendaagse toekomst. Alleen, je kunt in Nederland geen kaartjes meer kopen, heeft men mij verteld.
Even klagen dus over het openbaar vervoer in Nederland, over de voordelen van de Europese Eenwording in het algemeen en die van de Benelux in het bijzonder. Voor zover je nog wel een kaartje kunt kopen: op de spoorkaart van Nederland, behorende bij het spoorboekje 1933, zijn 32 railverbindingen te zien tussen Nederland en België. Vandaag de dag zijn dat er nog precies 2: eentje tussen Maastricht en Luik, en eentje tussen Roosendaal en Antwerpen. Voor die eerste moet je in Maastricht overstappen op een vooroorlogs boemeltje en dan in Luik weer overstappen als je nog verder wilt. Vroeger, ja vroeger, toen alles nog beter was, toen was er tot begin jaren-’90 elke zaterdag in de zomer die boeiende Valkenburg Expres van Zandvoort of Zwolle via Boxmeer naar Valkenburg die sporadisch met ICR-rijtuigen nog doorrreed naar Luxemburg. Maar toen was de NS nog een staatsbedrijf en was je in Boxmeer nog niet overgeleverd aan de grillen en nukken van Veolia. Toen kon je nog gewoon kartonnen kaartjes kopen voor de 1e, 2e of 3e klasse zonder frauduleuze OV-chip erin en vervoerde de trein je redelijk volgens dienstregeling van A naar B. Maar goed, toen waren er ook nog geen vastgevroren wissels en vierkanten wielen en ging, op Harmelen na, alles perfect.

Kan iemand mij helpen aan de dienstregeling van een treinverbinding Boxmeer-Rosoy (=Culmont-Chalindrey) vv. die sneller en goedkoper is dan gewoon met de auto (d.w.z. 5½ à 6 uur) ?


Aan die tweede overgang, Roosendaal-Antwerpen, zou ik maar helemaal niet beginnen. Thalys? Beneluxtrein? Stoptreintje? Fyra? Simpelweg gratis gaan gaan liften?

Maar een mooi station is het, daar in Luik.

Genoeg gekermd. Tijd voor ijspret. Want daarom was het me eigenlijk te doen in dit artikel.
In 2007 begon men met een uitbouw van Médiacité die een ijsbaan moest gaan opleveren. Een “Olympische IJsbaan”, wat niet meer of minder betekent dan dat de ijsvloer minimaal 60×30 meter meet. Niet dat Luik aspiraties heeft Olympische Winterspelen te gaan organiseren. Maar Luik heeft visie, ambities en plannen, en voert ze nog uit ook. Tot die visie behoort het actief stimuleren van sportbeoefening, met name, maar niet uitsluitend gericht op de jeugd. Voor ijspret was in Luik de spoeling dun. De vorige ijsbaan, La patinoire de Coronmeuse, was uit de tijd, voldeed niet meer aan de faciliteitseisen en werd te kostbaar in het onderhoud.

Het Brusselse architectenbureau Escaut ontwierp op een vloeroppervlak van 4.500 m2 een veelzijdig ijspaleis. Kosten: dik € 11.000.000, voor tweederde betaald door de gemeente Luik, voor eenderde door de Waalse overheid. De constructeur verwoordt op de eigen site het complex veel bloemrijker dan ik het ooit zou kunnen bedenken:
“Aan de basis van het project: een ronde vorm, fluïde en genereus als een metafoor van het universum van ijs. Naarmate zijn constructie vorderde: een zeemonster, een walvis bedekt met 200.000 aluminium schubben.”
Het idee om de bek van de walvis te laten fungeren als in- en uitrit van de parkeergarage is overigens afgekeken van eerdere soortgelijke ontwerpen in Luik en New York, maar niettemin verrassend. De Baleine houdt de muil wijd open om iedereen met de auto toegang te verschaffen tot een parkeergarage met drie niveaus. Al rijdend merk je nauwelijks hoogteverschil, maar het is er wel degelijk. De garage is bovendien opmerkelijk ruim van opzet, zodat je niet voortdurend het risico loopt tegen een stoeprand of muur te botsen. Ook zitten er geen scherpe bochten in en ontbreekt het deerlijke gepiep van banden bij elke stuurbeweging.
Waarom heeft dit gebouw niet “La Baleine” (“De Walvis”) als troetelnaam gekregen, en moeten we het doen met het kille “La Patinoire de Liège”? Ik vroeg het de persvertegenwoordiger van het complex, maar hij wist het niet. Misschien kan de volksmond er nog wat van maken.

Binnen is het qua opzet al even ruim ogend, goed toegankelijk en voldoende belicht voor tv-opnamen. Voor het publiek zijn er, zegt de Belgische IJshockeybond, “1276 zitjes” beschikbaar. Links op de foto een gebied om even bij te komen, of zoals Escaut het wervend uitdrukt: “Het ‘salon de bois’ naast de piste is een ontspanningszone met een eikenhouten parket. Men kan er Luikse wafels proeven en misschien zelfs Lacquemants*) in oktober? Als bezoeker lopen we langsheen de metalen wand en bereiken we achteraan de eerste verdieping en zijn cafeteria. Onderweg wordt doorheen de metalen wand de dynamica van de opslag, het drogen en het slijpen van de schaatsen getoond”.

*) Lacquemants of Lackmans zijn een soort stroopwafels die worden gebakken tijdens de Luikse kermis in oktober, en ook in Antwerpen zeer populair zijn. Support your local dentist!

Wat kunnen we zoal doen in de buik van de walvis, die op 8 december 2012 feestelijk werd geopend ?

  • Voor gans de familie (en voor de allerkleinsten): een “jardin des glaces” beleven
  • Stages en andere educatieprogramma’s voor kinderen volgen
  • Themadagen en -avonden houden
  • Vrij ijshockeyen
  • IJsdansen of gewoon rondjes draaien
  • Bijeenkomsten, vergaderingen, feestavonden houden

Dat is nog niet alles: het is de enige ijsbaan in België die compleet is geëquipeerd om sledge hockey (handisport, noemt de eigen folder het) te spelen: ijshockey op sleetjes voor  gehandicapten. Het materiaal is beschikbaar en de toegangen zijn erop aangepast.
Maar natuurlijk wordt er ook gewoon geijshockeyd. Niet alleen is het de thuisbasis van de Liège Bulldogs IHC en de vrouwelijke pendant Grizzlys (voorheen de Super Nana’s), het was op 2 februari 2013 ook het toneel voor de finale van de Beker van België, het als Frozen Final aangekondigde sluitstuk van de bekercompetitie tussen Leuven en Herentals. Dat was voor mij de reden mij op die dag ook te laten opslokken door de walvis; ik doe daarvan in een volgend artikel verslag.

____________________________________

Alle foto’s: © 2013 Leonard Loonen