Louki

Bij zo’n boerderij als de onze moet je niet vreemd opkijken als er zich een hele dierentuin in en omheen vormt: buitenshuis slangetjes, hagedissen, mollen, egels, vossen; binnenshuis spinnen natuurlijk, maar ook muizen en ratten van allerhande soort. Een kat is dan ook geen overbodige luxe.

Nadat wij een paar jaar Tibi hadden gehad, een temperamentvol, kittig ding van vuilnisbakkenras, dat zich gretig stortte op alles wat bewoog, maar dat op een kwade dag, uit logeren in Boxmeer, niet meer terugkwam en dus wel door een minder felinofiele buurtbewoner zal zijn geëlimineerd, kwamen we op Louki uit.

Ik zag Louki (*20.4.2010) voor het eerst toen ze een week of drie was. In een mand, een paar dorpen verderop tegenover onze bakker, lag een moeder met vier of vijf stuks grut in een onontwarbare kluwen langharige vacht waarin af en toe wat bewoog. Toen ze eenmaal zindelijk was, dus met een week of acht, mochten we haar gratis meenemen. Ze had alle kenmerken van een raskat, een Noorse boskat van overigens bedenkelijke herkomst, want zoals gebruikelijk: van de vader geen enkel spoor.
Het zag er niet uit, aanvankelijk. Van bovenaf leek het een marmot, snorharen als van een walrus, een sprietantennestaartje, maar met een uiterst sociaal, aanhankelijk karakter, vooral tegenover kinderen en bejaarden.
In afwijking van wat je van een normale kat verwacht, vertoonde ze geen enkele behoefte aan jagen (wel wat spelen) en bleek ze ook een soort van vegetarisch te zijn: vers vlees was niet aan haar besteed. Brokjes zou ze eten, eventueel wat zakjes natvoer. En abrikozenvlaai en yoghurt en oude kaas en ijs met slagroom. Alles groeide in een behoorlijk tempo; na een jaar zat ze al op meer dan 3½ kilo, met een halve meter lange, mooie dikke staart. Muizen vangen was er nog steeds niet bij, maar ik denk dat haar aanwezigheid alleen al voldoende was om dat soort ongedierte buitenshuis te houden.
Noorse boskatten heten intelligent te zijn, maar Mieke heeft Louki ooit eens raak getypeerd als een VMBO-katje. In mijn iets andere optiek is het zo dat haar oversociale karakter maar al te vaak leidt tot een gedrag dat eerder als infantiel en dom overkomt dan snugger en zelfstandig. Ze is begiftigd met een oeverloos geduld, maar in haar aanhankelijkheid is ze niet van je weg te slaan, met een kopieergedrag waar je u tegen zegt: sta je maar even op van je stoel, dan neemt ze er meteen bezit van; als je maar één pan uit het keukenkastje haalt, vindt ze dat het etenstijd is. Komt ze bij je op bed liggen, dan legt ze keurig haar kop op het hoofdkussen, net als gewone mensen. Ben je met een tas boeken bezig, dan heeft zij daar ook wat te zoeken.
Je kunt ook tegen haar praten, ik bedoel, ze wekt de indruk meer te verstaan dan alleen maar het timbre en volume, hoewel onze overbuurvrouw in Rosoy maar niet wil geloven dat ze ook Nederlands verstaat naast gewoon Frans. Haar naam kent ze in ieder geval perfect. Op gewone toon kun je haar roepen, en ze is meteen van de partij.

Maar een ongelukskat is het ook. Het begon al toen ze nog geen half jaar was. Naast ons huis waren ze de straat aan het asfalteren. De teerwagen reed langzaam over het wegdek, en twee mannen veegden met bezems het kokende asfalt glad. Dat was een geweldig feest: met vier poten tegelijk dook ze op die zwiepende bezems en belandde in de hete pek. Gevolg (behalve de pijn, maar katten zeuren niet): allemaal hard geworden teer tussen haar tenen. Als ze door de keuken tripte, was het net of ze op naaldhakken liep. Met Solipat en vaseline en wat antibiotica van de dierenarts is dat uiteindelijk wel weer op zijn pootjes terecht gekomen. Braaf en gedwee als ze is, liet ze die dagelijkse behandeling ook toe; vanaf een gegeven moment ging ze er al zelfs voor klaar liggen op haar rug met de poten omhoog.
Een maand later de onvermijdelijke sterilisatie. Sterk toch dat een kat op de avond van diezelfde dag, eenmaal uit de verdoving ontwaakt, weer gewoon op en af de vensterbank kan springen na een toch niet misselijke chirurgische ingreep.

Eén keer mocht ze mee naar Boxmeer. Tot aan Nancy overigens gekerm en gemauw, want ze was autorijden absoluut niet gewend (terwijl Tibi heel vaak zonder een enkel probleem 6 uur op de hoedenplank bleef liggen zonder protest). Precies op haar eerste verjaardag, ze was die nacht buiten, moet ze bij het oversteken door een auto zijn overreden. Tegen 7 uur ‘s ochtends lag ze voor Pampus tegen de tuindeur neergezegen. Ik zou die dag terugrijden naar Rosoy, dus dat gaf wat consternatie.
Naar de dierenarts ermee, die foto’s maakte ter verdere beoordeling en afhandeling door onze lokale, Ghanese dierenarts in Frankrijk (“la noire”, noemen de buren haar vol argwaan). Die besloot het nog even aan te zien of er eventueel herstel optrad; zo niet, dan was caudectomie de enige oplossing. Nu moet je van een engeltje niet de vleugels afknippen, en van een Noorse boskat niet de staart, maar er zat niks anders op: een paar weken nadien had ze nog slechts een stompje als een konijnenstaartje en moesten wij ons verder maar tevreden stellen met de laatste foto’s van die prachtige staart.
Veel last schijnt ze er zelf niet van te hebben (katten mauwen niet zoals veel mensen bij het eerste het beste kwaaltje), niet bij het balanceren op smalle randjes, wat ze prima kan; misschien wel in het sociale verkeer met haar soortgenoten in de buurt, want ze kan nu niet meer met haar staart communicatieve signalen afgeven. Zo gesteld als ze is op mensen, van andere katten moet ze helemaal niets hebben. Maar haar gewicht heeft er niet onder geleden: ze zit nu op 5.580 gram, vrij normaal voor dat ras tussen de twee en drie jaar oud. Gewogen op nieuwjaarsdag 2013. Je zet haar gewoon op een keukenweegschaal (wel een stevige!) en daar blijft ze dan op liggen tot je zegt dat ze er weer af mag.

Al met al zitten we nu met een gemankeerde kat, de liefste en meest menselijke die we ooit hebben gehad. Ik ben ervan overtuigd dat het helemaal geen kat is, maar een gereïncarneerde mens. ’s Winters met een dubbele jas aan waardoor het wel een beertje lijkt (maar ze kan nog steeds moeiteloos door het kattenluikje erin en eruit), alle kamers vol plukken haar, want ze is 12 maanden van het jaar in de rui. Borstelen hoort tot haar favoriete behandelingen. Of je nu een stoffer pakt, of een hondenborstel, of harde bezem: hoe langer en harder hoe beter, vooral op het koppie.

Ze heeft ook een horloge om, of zoiets. Elke avond is ze naar buiten en je kunt er de klok op zetten: tussen 12 en 1 uur ’s nachts komt ze naar binnen om wat bij te bunkeren. Hoe ze dat flikt, is me een raadsel; zelfs de kerkklok slaat na 22 uur niet meer, dus van wie ze het heeft ?

Verder in huis geen muis of rat te bekennen; alleen in de cave, maar daar komt Louki ook nooit. De enige schade: een stel aangevreten aardappelen van de wintervoorraad.

En mocht je haar ooit, verdwaald, tegenkomen en ze zegt dat ze de weg niet meer weet: ze is ook nog eens een keer gechipt tussen de schouderbladen:
 

 

 

 

Spijbelen in Nederlandse dialecten

Spijbelen kan heel spannend zijn, maar even spannend is het om na te gaan hoe het begrip spijbelen in het Nederlands door de eeuwen heen en in dialecten is genoemd en wat daarbij de verwantschap is met het Frans. Een beknopt overzicht.

De eerste en (geloof ik) enige keer dat ik heb gespijbeld was toen ik nota bene nog op de kleuterschool zat. Dat was ergens begin jaren-’50 en ik besloot toen met een klasgenootje in het Vondelpark te gaan dwalen in plaats van naar school te gaan. Ik kon toen niet beseffen dat ik een historisch zeer verantwoorde beslissing had genomen.

Vanaf de Middeleeuwen
Spijbelen kwam al in de Middeleeuwen voor. Een spibelaer was iemand die ongeoorloofd de school verzuimde, maar die betekenis was afgeleid van de eigenlijke betekenis: vagebond, landloper, dus iemand die zich in bossen en struiken min of meer heimelijk ophoudt. Het Middelnederlandsch Woordenboek legt dat allemaal uit. Het is een van de weinige oer-Nederlandse woorden.

Uit latere tijd vinden we in het Frans-Nederlandse woordenboek van Halma uit 1733 voor spijbelen ook nog de Nederlandse uitdrukkingen loopen schobben, lieren, stutten in de betekenis uit de school blijven om te speelen. Deze uitdrukkingen zijn inmiddels verloren geraakt, behalve dat we nog het woord schobbejak kennen waarvan de betekenis, een berooid persoon die zijn levensonderhoud bij elkaar moet grabbelen, dicht tegen die van een vagebond of landloper aanligt.
De woorden schobben en stutten komen nog wel voor in het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) dat woorden uit de periode van grofweg 1500-1920 behandelt en in dit geval ook naar Halma verwijst:

SCHOBBEN: Heimelijk de school verzuimen, spijbelen. Loopen schobben; stutjes draayen. Faire l’école buissonnière.
(Een schobbe zou dan, in oostelijke dialecten, een bosje bijeengelezen aren zijn)

STUTTEN: Heimelijk van school (of van het werk) wegblijven. Schobben, speelen loopen in plaats van school of te werk te gaan. Faire l’école buissonniere, aller ou courir jouer au lieu d’aller à l’école ou à l’ouvrage.
(Afgeleid van het woord stut waarvan het WNT o.a. vermeldt: “Stutten behalven dat het beteekend schooren, soo beteekend het ook beletten: en voor een Amsterdams jongens loopje, stutten loopen, schaabullen, piereweien, ens.”)

Huidige dialecten
Wij kennen het woord spijbelen nu nog steeds en velen zullen die sport ook wel af en toe beoefenen. Maar het is uiterst opvallend om te merken dat er voor het begrip spijbelen in Nederlandse dialecten tientallen varianten bestaan, van fatsen tot platlopen, van haagschool doen tot puzzeren. Voor de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland zijn er tussen 1925 en 1953 meer dan 80 varianten van opgetekend. Op de bijbehorende kaart (afl.7, no.10) uit 1957 is precies te zien in welk gebied welke variant is waargenomen.
Franse invloed
Een van de dingen die mij daarbij opviel, was dat in het zuiden, dus langs de grens met Wallonië en Frankrijk, de varianten met haag of heg en bus zo frekwent voorkomen.

En omdat ik momenteel in Frankrijk woon en ook wel eens wilde weten hoe Franse kinderen spijbelen, zocht ik het woord op en vond daarvoor in het Frans het ook al hierboven vermelde faire l’école buissonnière, hetgeen zoiets betekent als een openluchtschool houden. Een buisson is in het Nederlands een struikgewas of kreupelbosje, een buis een buxusplant, waarvan zo vaak een heg wordt gemaakt.

Dat verklaart heel veel:

  • Ten eerste: iemand die spijbelt is een landloper, want hij gaat de bosjes in, in plaats van gewoon naar school, of dat nu in de wilde natuur is of in het Vondelpark, dat maakt niet uit.
  • Verder: al die Nederlandse dialectvormen met haag (en dat zijn er zeker 17, allemaal in de Zuidelijke Nederlanden) zijn een rechtstreekse vertaling van het Franse buis(son).
  • Ten slotte: de weinig voorkomende dialectvormen busje kappen en bussen maken, beide voorkomend in Belgisch West-Vlaanderen en Frans-Vlaanderen, dus het gebied tussen zeg maar Brugge en Duinkerken, zijn een verbastering van het Franse buis.

Nooit geweten dat spijbelen zo interessant kon wezen!

 

7 Sacramenten (1959-1966) – 1/7

Een is een. ene God alleen, ene zaligmaker en anders geen.
Twee is twee. Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Drie is drie. Drie patriarchen: Abram, Isaak èèèn Jacobus.
   Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Vier is vier. Vier evangelisten die de waarheid wisten.
   Drie patriarchen: Abram, Isaak èèèn Jacobus.
   Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Vijf is vijf. Vijf dwaze maagden die den Heer behaagden.
   Vier evangelisten die de waarheid wisten.
   Drie patriarchen: Abram, Isaak èèèn Jacobus.
   Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Zes is zes. Zes kruiken wijn die er op de bruiloft van Kana zijn.
   Vijf dwaze maagden die den Heer behaagden.
   Vier evangelisten die de waarheid wisten.
   Drie patriarchen: Abram, Isaak èèèn Jacobus.
   Twee stenen tafelen die Mozes sloeg aan wafelen.
   Ene God alleen. Ene zaligmaker en anders geen.
Zeven is zeven. Zeven sacramenten. JEZUÏETEN HEBBEN CENTEN…

Verder ging het nooit, dit potjemetvetachtige tekstje dat als een van de “stoute” liedjes wel eens te horen was op de cour van het Sint-Ignatiuscollege, gezongen door aldaar rondmediterende Ignatianen.

De cour, winter 1959-1960, genomen vanaf het dak van de tram, het rijtje urinoirs langs de muur aan de Pieter de Hoochstraat


Aan de overkant van die befaamde R.K. Lagere School stond de muur die de cour van het Sint-Ignatiuscollege aan het zicht van de buitenwereld onttrok. Mijn zeven jaar oudere broer had op die school zojuist met glans zijn eindexamen gehaald, en nu was de beurt aan mij om tweemaal daags met de fiets door het beroemde kleine groene poortje in die muur te gaan.

“Wie ‘t leven willen wagen
Die komen hier bijeen
Voor grootse levensvragen
En gaan ook graag weer heen”.

Dat zijn de laatste vier regels van het eerste couplet van Het Collegelied.

Wederom een voortreffelijke school, volgens de beste tradities en kwaliteiten geleid door paters Jezuïeten. Over de periode van 1959 tot mijn eindexamen in 1966 (de rekenkundigen onder ons zullen hier iets opmerken) valt heel veel te vertellen. Boeiend, misschien, schokkend voor mij zeker, want hoeveel ommekeren vinden er niet plaats tussen je 12e en je 20 e. Ik zal dit in zeven IG-bijdragen gaan doen, waarvan dit de eerste is.

7 Sacramenten (1959-1966) – 2/7

De standaardrite voor iedere nieuwe Ignatiaan was onverbiddelijk: er viel nauwelijks te ontsnappen aan muzikale vorming en misdienaar worden.

Die muzikale vorming omvatte in week 1 ten minste het volgende:

  • een stemtest, om te horen of je iets kon betekenen voor het schoolkoor
  • het Collegelied leren
  • het Ignatiuslied leren

Bernard Huijbers, aan de piano gezeten, testte het bereik en de kwaliteit van je stemgeluid en besliste daarop vakkundig of het niets was, of dat je sopraan mocht worden, of dat je, zoals in mijn geval, slechts alt mocht wezen.

Het schoolkoor, begin jaren-60 bejongend door 30 sopranen, 30 alten, 30 tenoren en 30 bassen, was bepaald niet misselijk. Kwaliteit en succes. Af en toe nog versterkt door het schoolorkest aangejaagd door Ted de Cloet, in het dagelijks leven leraar Engels.
Over dat koor en zijn bezigheden volgt er nog een apart bericht.

Het Collegelied hoorde onmisbaar tot het kennisdomein van iedere Ignatiaan, want het werd bij tal van officiële gelegenheden aangeheven. Voor wie het niet meer kent (schande!), dit is het en klik HIER om het te beluisteren in mp3:

Het is pas vrij recent dat ik me ervan bewust ben geworden hoe zeer deze tekst van Louis Huf uit 1946 is geïnspireerd door de nachtmerrie van de net voorbije bezettingsjaren.
Veel over de periode 1940-1945 is te zien en te lezen in het jubileumboek ‘n Eeuw IG, samengesteld door G.A. Elsenaar en P.J. Verberne, uitgegeven t.g.v. het honderdjarig jubileum van het St.-Ignatiuscollege, helaas zonder ISBN-nummer en bij mijn weten ook nog maar moeilijk verkrijgbaar. Zoek maar bij www.boekwinkeltjes.nl of www.omero.nl op “Elsenaar” en “eeuw”.
Wat mij opvalt, is dat dit boek wel gewag maakt van oud-Ignatianen die zijn omgekomen tijdens de oorlog, een docent die moest onderduiken (Ed Bresser, leraar Duits, wegens “insubordinatie”) en een tweetal leerlingen dat in het verzet ging, maar niet van Ignatianen (paters, docenten of leerlingen) die zijn gedeporteerd of anderszins van school verdwenen. Deels is dat vermoedelijk te verklaren doordat de kans uiterst gering is dat er zich op het IG joden of communisten bevonden. In de zo sterk verzuilde Nederlandse maatschappij, met voor elke zuil aparte scholen, sportclubs, kranten, omroepen enz.  was het ook in Amsterdam ongetwijfeld niet acceptabel om als jood of (indien bekend) communist op het IG aan de slag te gaan.

Ja, op het IG moest je voor het zingen de kerk in, want bij mijn weten werd het Ignatiuslied alleen gezongen tijdens de mis bij de opening van het schooljaar (en bij de eucharistieviering tgv. het 100-jarig jubileum in 1995), maar ik kan me vergissen. Een interessante Loyola-tekst, toegeschreven aan Johannes Stalpaert van der Wielen van rond 1630 op muziek die we ook kennen van Valerius’ Gedenck-clanck : op de melodie van “Sal ick noch langher met heete tranan, &c.” staat daar het lied “Hoe groot (ô Heer) en hoe vervaerlic | Staet nu ons leven vol verdriet?”. (Dat is nog eens andere koek dan Gezelles motto bij het Collegelied “Ja, daar zijn blijde dagen nog in ‘t leven”!). Het sidderde je door lijf en leden als het lied, uit 600 kelen en een tutti-orgel majestueus door de kerk galmde. Een wat magere impressie uit de Krijtberg op 31 juli 2011 was tot voor kort op internet te beluisteren met een wel erg gereformeerde (dus niet naar bedwelmende wierook riekende) orgelbegeleiding. Omdat ik op internet geen andere versie voorhanden trof, heb ik, met de bereidwillige en zeer betrouwbare medewerking van Antoine Oomen (“Deze muziek staat niet in b-klein maar in b-dorisch en precies dáárom komt de g er niet in voor. En het is uitgesloten dat ik ooit g i.p.v. gis zou hebben gespeeld. Dat moet iemand anders zijn geweest”) een digitale versie genoteerd die je HIER kunt beluisteren. Dirigent Bernard Huijbers dreigde furieus met hel en vagevuur, met pek en veren, als iemand het lef had de voorlaatste noot in “majeur” te zingen. Dus niet B-B-Ais-B, maar B-B-A-B. Identiek dus aan de eerste vier noten van de melodie. En terecht.

De tekst, waarover in de categorie taal en letterkunde nog een uitvoeriger bericht volgt, luidt :

Ignaci! dat den Heer u seghen.
Gh’en had niet minder/ als gelijck.
Het swaerste moet toch ‘t swaerste weghen:
En d’aerd’ is min als ‘t hemelrijck.
Bekeerd vry ‘t mes
In Christus les;
Al slaet de kroon van Spangien goud;
Den Hemel geeft noch rijcker soud.

Neemt knechten aen/ beschrijft s’een reghel/
Van yver heet/ van rade koel.
En twijfelt niet ghy sult het seghel
Wel krijghen vande Roomsche Stoel;
Want sulcken plant
Die Godes’ Hand
Gepoottet heeft/ sal niet vergaen:
Soo lang z’in haer gelit blijft staen.

Verwint met offer/ en gebeden/
Verwint met lessen/ vroegh en laet/
Verwint met asch en hayre kleden/
Verwint met heusche caritaet.
En met de deughd
De teere jeughd
Te leeren/ in uw’ wijse school
Dit is het wapen van Loyool

Man Goods! die nu de gulde sterren
Betreedt met voeten/ als een vloer.
Helpt ons gebed/ stilt ons van verre/
Tot peys en vrede al ‘t rumoer
Van Christus Kerck.
Of maeckt ons sterck;
Om op uw’ spoor door ‘t enge pad
Te komen tot de rijcke stad.

Dat laatste couplet herinner ik me nog heel goed, want dat bestond in feite uit één zin die ik later, als student Nederlands aan de UvA, wel grappig vond als ontleedklus : Degenen die “met voeten als een vloer” als één zinsdeel zagen, hadden in ieder geval niet op het IG gezeten.

En als je dan, wegens schoolverlaten, of doordat je stem ging breken, niet meer bij het koor kon blijven, dan werd je jubelend uitgezongen met de standaard a capella canon. Mij overkwam dat voor het eerst in 1961. Ik ging van Gym-IB (zulks ten tweede male) naar Gym-IIB, en in de grote vakantie daartussen voltrok zich het drama.

Veel te vroeg, ik meen nog voor kerstmis, werd ik opnieuw ingelijfd. Als “babybasje” stond het tweedeklassertje opeens tussen de grote mannen achteraan. Het heeft mij in ieder geval een goede ontwikkeling van mijn zangstem gekost.

En over de misdienaars zul je in een ander bericht nog wel wat te lezen krijgen.

 

 

Ignatiuslied

Het wachten is op iemand die een gedegen tekstanalyse en -kritiek publiceert van het Ignatiuslied. Maar inmiddels is er al zo veel over dit lied te melden, dat ik er toch alvast maar een bespreking aan wijd.

Het Ignatiuslied, zoals ik in een ander bericht al aankondigde, is geschreven door Johannes Stalpaert van der Wiele (1579-1630) en gepubliceerd in de Gulde-Jaers Feest-dage of den schat der geestelycke lof-sangen gemaeckt op elcken feest dagh van ‘t geheele laer (postuum uitgegeven in 1635) als lied nr. 296, behorende bij de feestdag van Ignatius van Loyola, 31 juli. Dat lied bestaat uit 13 strofen; het Ignatiuslied zoals wij dat kennen, omvat daarvan alleen de strofen 8, 9, 11 en 13.

De Gulde-Jaers Feest-dage is de meest omvangrijke liedbundel uit de 17e eeuw. Stalpaert heeft voor elke dag van het jaar een tekst geschreven ter ere van de heilige van die dag, soms zelfs meer dan één voor een bepaalde heilige, zoals ook voor Ignatius: lied nr. 295 (Staet op Veneetschen Senateur/ Verlaet u bed/ ontsluyt uw’ deur), dat ik hier verder onbesproken laat, en nr. 296 met de volgende complete tekst:

{296} S. IGNATIUS LOYOLA, Fondateur van de Societeyt IESU – (31 juli)
Stem: De winter waeyt met.

(1) Treckt weer na uw’ verburghen holen
O ziel vergeten Kettery!
Siet hier Ignatius Loyole
Bedwinght u met sijn Compagny.
Die wel bequaem
In Iesus naem
Op u bedriegelijck gheweld
Den Heer ons heeft gebracht te veld. 

(2) O goedheyd Goods! ghedanckt gepresen
Moet altijd uw’ genade zijn.
Wy hadden toch wel moghen vreesen
Voor Luther en voor Ian Calvijn;
En had gh’ons niet
Op haer verdriet
Op haer bedroghop haer fenijn
Voorsien van sulcken Medicijn. 

(3) Dit kon men altijd in u mercken
(Ghy zijt een hulper inde nood)
G’onthieldt tot bystand uwer kercken
In’t swart Regael noyt Antidoot.
Den Arriaen
Deedt ghy weerstaen
Door Athanaas. En Manes list
Bracht eenen Augustijn te quist. 

(4) De Nectors en de Euthycheten
Dwonght ghy door Leoos wijsen raed.
Eusomius wierd neer gesmeten
Van Guldemond. En een Dalmaet
Dee ons vergaen
Ioviniaen,
Die menigh Monick hadd’ontkapt;
En ‘t Bod- vast met de voet vertrapt.

(5) De dolingh van de Albigoysen,
Die nu vier hondert jaer gele’en
Een pest voor Spangiaerds en Françoysen
Was heeft Dominicus vertreen.
Ja daer en sproot
Noyt uyt de goot
Vand’helsche poel bedurve leer;
Of ghy en wrocht daer teghens weer.

(6) Dus doet gh’als noch in onse tijden
Broer Martens en Calvinus school
Met wijsheyd en met deughd bestrijden
Door Sint Ignatius Loyool.
Een Capiteyn
Die elck een pleyn
Van u daer toe geschickt kan sien
Om dit gespuys het hoofd te bien. 

(7) Het fijne volck sal  ‘t hen niet belgen
dat ick s’hier nommen dorst gespuys.
‘k En kon met Paolo niet verswelghen
Haer vyandschap op Christus Cruys.
‘t Welck oock te recht
Den vromen knecht
Beweeghde ‘swaerd te legghen neer;
Om voor te staen sijns’ meesters eer. 

(8) Ignaci! dat den Heer u seghen.
Gh’en had niet minder als gelijck.
Het swaerste moet toch ‘t swaerste weghen:
En d’aerd’ is min als ‘t hemelrijck.
Bekeerd vry ‘t mes
In Christus les;
Al slaet de kroon van Spangien goud;
Den Hemel geeft noch rijcker soud. 

(9) Neemt knechten aen beschrijft s’een reghel
Van yver heet van rade koel.
En twijfelt niet ghy sult het seghel
Wel krijghen vande Roomsche Stoel;
Want sulcken plant
Die Godes’ Hand
Gepoottet heeft sal niet vergaen:
Soo lang z’in haer gelit blijft staen. 

(10) Wel aen! wel aen het wilder gelden:
Neemt aen de wapenen des’ lichts.
Geeft u te veld als vrome helden
Men twist om saken vol gewights.
‘t Is Goods Autaer
‘t Zijn zielen daer
Ghy mannelijck om vechten sult;
Verwindt met raed en met geduld.          [1 Mach. vers 3

(11) Verwint met offer en gebeden
Verwint met lessen vroegh en laet
Verwint met asch en hayre kleden
Verwint met heusche caritaet.
En met de deughd
De teere jeughd
Te leeren in uw’ wijse school
Dit is het wapen van Loyool 

(12) De krijgh geluckt u goeden Vader!
Ghy veldt den vyand van het kruys:
Maer alsm’u scheldt voor een verrader
Zoo denckt dat tusschen kat en muys
Noyt vriendschap was.
Het trou gebas
Des honds by nacht mishaeght den dief.
En ‘t licht was noyt den sondaer lief.        [Ioan. 3. vers 20] 

(13) Man Goods! die nu de gulde sterren
Betreedt met voeten als een vloer.
Helpt ons gebed stilt ons van verre
Tot peys en vrede al ‘t rumoer
Van Christus Kerck.
Of maeckt ons sterck;
Om op uw’ spoor door ‘t enge pad
Te komen tot de rijcke stad. 

De genoemde vier strofen 8, 9, 11 en 13 zingt men nu nog steeds aan het begin en einde van het schooljaar gezongen op het St.-Ignatiusgymnasium in Amsterdam.
Een opname daarvan uit de Krijtberg in 2003 is van het web verdwenen, maar een digitale versie die ik met behulp van Antoine Oomen heb kunnen maken, is HIER te beluisteren en afgebeeld.
Ook wordt het lied gezongen op bijeenkomsten van de Jezuïetenorde op of rond de feestdag van Ignatius, 31 juli.

Overigens, onderaan dit bericht, vlak boven de bronvermeldingen, kom ik nog met een zeer goed gelijkende, oude, profane versie van deze melodie.

De geschiedenis
Onderzoek loopt nog naar aanleiding van de vraag hoe, waar, wanneer en door wiens toedoen het Ignatiuslied in zijn huidige vorm in gebruik is genomen. De tot nu toe oudste vindplaats is in het archief van de Jezuïetenorde in Nijmegen. Daar bevindt zich onder inventarisnr. 3235 het tekstboekje van de eucharistieviering t.g.v. het 75-jarig bestaan van het IG in 1971, waarin het lied staat opgenomen. Ongetwijfeld echter dateert het van veel eerder. Misschien al wel van de door omstandigheden sterk versoberde openingsceremonie van het IG in 1895, maar daarvan is tot nu toe geen bron te vinden. Ook is het de vraag wanneer het lied binnen de orde is gaan functioneren bij de jaarlijkse feestdagviering op 31 juli, hetzij binnen de Nederlandse provincie (vanaf 1814), hetzij zelfs nog tijdens de oude sociëteit (tot 1773, toen de S.J. tijdelijk werd opgeheven).

Als iemand hieromtrent nadere informatie, bewijs- of vindplaatsen weet te melden, dan verneem ik dat graag. 

 

De auteur
Johan Stalpaert (of: Stalpart of Stalpert) van der Wiele wordt geboren in ‘s-Gravenhage op 22 november 1579. Hij groeit op in een traditioneel katholiek gezin. In 1592, 13 jaar oud, gaat hij in Leuven rechten studeren teneinde later advocaat te worden. In 1595 vervolgt hij deze studie aan de (protestante) universiteit te Leiden, en studeert uiteindelijk in 1598 af in Orléans, waar Hugo de Groot en Jacob Cats zijn studie- en jaargenoten zijn. Als advocaat wordt hij beëdigd aan het Hof van Holland en bij de Hoge Raad. In 1602 gaat hij opnieuw naar Leuven, nu om theologie te studeren, want hij voelt de roeping in hem. Vier jaar later wordt hij priester gewijd. Tot 1611 verblijft hij in Rome om zijn theologiestudie te vervolgen. Aldaar behaalt hij de doctorstitel en raakt hij in de ban van de missiegedachte. Hij keert terug naar de Republiek en wordt in 1612 pastoor te Delft, overigens wel gekweld door ziekte, waar hij in conflict komt met de eveneens in Delft gevestigde Jezuïeten. Door zijn benoeming tot aartspriester van Delft, Rotterdam en Schiedam (1613) kan hij de ideeën over de missie werkelijk gestalte geven. Hij overlijdt op 29 december 1630 in Delft aan de gevolgen van ziekte en zijn verzwakt gestel.
Tot zijn œuvre behoren onder meer:

  • Vrouwelick Cieraet van Sint’ Agnes versmaedt (1622)
  • Gulde-Jaer Ons Heeren Iesu Christi op alle de Zonnendagen des Iaers (1628)
  • Extractum Katholicum, tegen alle gebreken van Verwarde Harsenen (1631)
  • Gulde-jaers feest-daghen of den schat der geestelycke lof-sangen gemaeckt op elcken feest dagh van ‘t geheele laer (1635) 

Voor een goed begrip van Stalpaerts denken en teksten is het van belang het Europese en nationale tijdsgewricht voor ogen te houden waarin hij leefde. Zijn leven (1579-1630) viel immers geheel binnen de Tachtigjarige oorlog (1568-1648), met inbegrip van het Twaalfjarig bestand (1609-1621). Voeg daarbij ook nog de angst in West-Europa voor het expanderende Ottomaanse Rijk dat zich tot aan Wenen uitstrekte, en besef dan welke tegenstellingen er zoal in Stalpaerts wereld actueel waren en met elkaar ook meer dan soms interfereerden: die tussen katholiek en protestant, die tussen Spanje en Nederland, die tussen Christenen en Islamieten, die tussen politiek en religie, die tussen seculiere geestelijken en de kloosterorden (zoals de Jezuïeten). Het valt dan ook niet te verbazen dat we veel van deze conflictstof in de werken van Stalpaert terugvinden.

De tekst
We moeten een onderscheid maken tussen de inhoud en de vorm van het gedicht. Over de inhoud wacht ik met spanning op een verantwoorde analyse die iemand ervan wil maken, of al ooit eens heeft gemaakt.


Is iemand bekend met een tekstanalyse van het Ignatiuslied of van het hele gedicht waar dat deel van uitmakt?
Of is er iemand bereid zich aan een dergelijke analyse te wagen?


Wat de vormelijke kant van de zaak betreft: ik ben ervan overtuigd dat Stalpaert de tekst van “Treckt weer na uw’ verburghen holen” heeft geschreven op de melodie die hij erbij in het hoofd had. Ik baseer dat op de strofebouw van het gedicht, die nagenoeg identiek is aan de strofebouw van de vele liederen die door anderen op deze melodie zijn gemaakt. Even een lesje Lodewick:
Metrum en ritme zijn in principe dus jambisch, maar het rijmschema is niet alledaags: a-B-a-B-(C)-C-D-D. Zowel deze opeenvolging, als de afwisseling tussen vrouwelijk rijm (a) en mannelijk rijm (B, C, D) als het opmerkelijke binnenrijm in de vijfde regel maken de strofebouw tamelijk apart. Voeg daar nog bij dat elke strofe uit zeven regels bestaat, niet zijnde een “normaal” kwatrijn + terzine, en het is duidelijk dat de toonzetting een even aparte melodie vereist. Zou je regel 5 willen splitsen in twee halve regels, dan zit je met het probleem van ongelijke regellengte, met alle muzikale consequenties van dien.
Ik gooi nu alvast maar even de knuppel in het hoenderhok: bij oppervlakkige beschouwing lijken jamben metrisch en ritmisch uit twee tellen te bestaan, afgezien van het nahuppeltje in regel 1 en 3. Maar het is in de voordracht- en zangcultuur niet ongebruikelijk een beklemtoonde lettergreep tweemaal zo lang te laten duren, en daarmee heb je metrisch drie tellen per maat. En daar bovenop: wie belet je het gedicht niet jambisch te scanderen, maar trocheïsch met een opmaat? Dan ziet het er zo uit:
Draag dit maar eens sterk scanderend voor: je hoort een dansende driekwartsmaat door de spontane verlenging van de beklemtoonde lettergrepen.
Los van deze discussie, die hieronder bij De muziek een grote rol gaat spelen, valt te constateren dat Stalpaert erin is geslaagd de tekst van alle 13 coupletten keurig binnen gegeven rijmschema te krijgen, bijna zonder al te geforceerde smokkellettergrepen. Af en toe past hij, heel fraai, enjambementen toe, zoals in strofe 5 (…Een pest voor Spangiaerds en Françoysen | was…), strofe 9 (…Die Godes’ hand | gepoottet heeft…), strofe 10 (…’t Zijn zielen daer | ghy mannelijck om vechten sult…), strofe 12 (…Het trou gebas | des honds bij nacht…) en de, wat mij betreft, geweldige volzin die heel stofe 13 omvat (…die nu de gulde sterren | betreedt met voeten als een vloer…) en (…al ‘t rumoer | van Christus’ Kerck…).

De muziek
Van oorsprong was de melodie van het Ignatiuslied een gaillarde, of wellicht een volte, een soort langzamere gaillarde afkomstig uit Lombardije (XVe eeuw) die zich heeft verspreid naar naar Frankrijk (XVIe eeuw) en verder over Europa. Het is een liedvorm in driekwartsmaat. Die dansvorm was alom bekend. We komen hem dan ook opvallend vaak tegen. Een paar voorbeelden:

Het welbekende kerstliedje Hoe leit dit kindeken hier in de kou. Vermoedelijk ontstaan eind 19e eeuw in Vlaanderen, is het getoonzet op het metrum van een gaillarde:
Mozart past de gaillarde onder meer toe in zijn gelegenheidscompositie D’Bäurin hat d’katz verlor’n, KV 188, Anh. C 9.01; het thema komt ook terug in zijn divertimento in Bes KV 287; we hebben dit vierstemmig a capella tussendoortje ook nog op het IG met het schoolkoor gezongen, begin jaren ’60. Ik ken de baspartij nog steeds uit mijn hoofd.
Iets serieuzer wordt het als we bedenken dat de gaillarde ook ten grondslag ligt aan de Great-Britain Dominionwide Anthem God save the queen. Dat is eigenlijk heel vreemd, een nationaal volkslied in driekwartsmaat. De Britten doen het, maar dan heel gedragen, waardoor je het nauwelijks merkt. De Polen doen het ook, nota bene op een mazurka, per definitie in driekwartsmaat, en dat dan nog wel ondanks de refreintekst Marsz, marsz, Dąbrowski,…. Van een volkslied verwacht je namelijk iets anders (behalve in zich respecterende landen als Nederland en Zweden); iets alla marcia, zoals de Belgische Brabançonne, de Franse Marseillaise of het Italiaanse Fratelli d’Italia.

Het verhaal gaat dat Queen Elizabeth-I zelfs in haar mid-fifties ′s ochtends een gaillarde placht te dansen als een soort ochtendgymnastiek: the Queen is so well as I assure you, six or seven galliards in a morning, besides music and singing, is her ordinary exercise” (Brissenden, Alan (1981). Shakespeare and the Dance. Atlantic Highlands, N.J.: Humanities Press. pp. 4–5).
Alle ollekebollekes passen grappig genoeg ook in dit metrum, op de manier van God save the queen. Als je niet weet wat een ollekebolleke is, vraag het dan aan Drs.P, of aan Pieter Nieuwint, of aan mij, of kijk op Wikipedia.

Wellicht om het serieuze karakter meer te benadrukken, d.w.z. het speelse danselement te elimineren, wordt in de liedbundels van Valerius, Bredero, Stalpaert van der Wiele en Starter de melodie  in vierkwartsmaat gezet, of blijven de maatstrepen simpelweg achterwege, zoals hier bij Bredero’s vooisaanduiding “Zal ick noch lang in heete tranen”:
Dan ben je van het probleem af.
Er is in de diverse verhandelingen over het 17e eeuwse lied veel gediscussieerd over de vraag of de Ignaci-melodie nu in driekwarts- of in vierkwartsmaat moet worden genoteerd. Een uit de tweede helft van de 20e eeuw stammende getype versie houdt het op een driekwartsmaat:
Dan kan er wel onder staan dat het de melodie “Hoe groot o Heer…” uit Valerius is, maar die volte staat toch echt in vierkwartsmaat genoteerd:

In die vierkwartsmaatnotatie kun je zien dat er op diverse plaatsen syncopen gaan optreden, bijv. bij leven (r.2) en saem (r.5). Nog vervelender is het dat de tekstaccenten niet mooi samenvallen met de eerste tel van elke maat, terwijl toch doorgaans, en zeker bij de gaillarde en de volte, de eerste tel een benadrukte, beklemtoonde moet zijn. Het verschijnsel dat zich hier openbaart, kent de term hemiool of schijnmaat. Meer daarover in Willemze (1969:passim) en Willemze (1964: §92), waar staat: “Interessant worden syncopen wanneer zij systematisch en over geruime afstanden worden toegepast. Er ontstaan dan o.m. de vaak voorkomende schijnmaten (…) Hier strijden een (metrische) driekwarts-maat met een (ritmische) tweekwarts-maat om de voorrang”. Een kwestie dus van metrum en ritme, waarbij mijns inziens de uiteindelijke notatie niet dwingend mag zijn voor de uitvoeringswijze en de daarin te leggen accenten. In zijn latere druk (1979) besteedt Willemze uitgebreid aandacht aan hemiolen: hoofdstuk 19, §154-161.
Ik denk, al met al, dat de hierboven weergegeven getypte versie de meest gewenste notatie van het lied is, teneinde metrum en ritme van tekst en melodie het beste met elkaar te kunnen laten sporen, met als enige kritiek dat het rustteken aan het begin van de derde regel beter aan het einde van de tweede regel had kunnen staan, zoals ook in de drie daarop volgende regels het geval is.
Volgens Van Duyse, waar bovenstaande notatie van “Salick noch langher…” uit is overgenomen, heeft Valerius geput uit het Frans repertoire, maar, zegt het commentaar in dl.II, p. LVIII, Merkwaardig is het evenwel, dat Valerius dit lied noteert in vieren, terwijl de melodie veel beter klinkt in drieën, zooals zij ook is opgenomen in het Nederlandsch Volksliederenboek. In den Gedenck-clanck staat boven dit lied met kleine lettertjes: volte. Dit is dus weer een danslied, want de ‘volte’ is een langzamere vorm van de gaillarde. Stalpaert zou het echter hebben uit Bredero (zo stelt Van Leeuwen in De muziek…, met als argument dat het kopiëren van een melodie uit protestante bron niet comme il faut was voor een katholiek, ook al tilde Stalpaert daar niet zo zwaar aan) of hij zou het hebben uit Frankrijk, wat mij waarschijnlijker lijkt. Ik heb daarvoor de volgende argumentatie:

  • Wij weten niet precies wanneer Stalpaert zijn Ignatiustekst heeft geschreven. Vermoedelijk in zijn laatste, Delftse periode (1621-1630). Het is dan maar zeer de vraag of hij de recente publicaties van Bredero (1622) en Valerius (1626) met hun vrij beperkte verspreiding heeft gekend en eruit heeft gekopieerd.
  • Stalpaert was door zijn verblijf in Frankrijk en Italië goed op de hoogte van Franse en Italiaanse volksliedkunst en had dus geen “spiekbriefjes” nodig om aan passende melodieën te komen, of liever gezegd, om meer dan 500 teksten te maken op melodieën die tot zijn culturele bagage behoorden.
  • Het was Stalpaert evident te doen om zijn teksten binnen bereik van zoveel mogelijk mensen te krijgen, waartoe hij koos voor melodieën die alom bekend waren, dus reeds toe het algemeen cultuurgoed behoorden – niet tot dat van een poëet die een fraaie bundel in de markt zette. Schrijnend op dit punt is het feit dat zowel voorin Valerius’ Gedenck-Clanck als in Bedero’s Lied-Boeck een privilegie staat gedrukt, bij onstentenis van Stemra-Buma toch een soort voorloper van het copyright, waarin werd bepaald dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd of in enige vorm mag worden gekopieerd voor een periode van ses iaren, op straffe van verbeurdverklaring van de onrechtmatige oplage en een boete van ƒ 150 (Valerius) of ƒ 300 (Bredero), welk bedrag, de Jort Kelders avant la lettre, zou worden toegekend voor ⅓ aan de erven van de helaas reeds overleden auteur, voor ⅓ aan de armen en voor ⅓ aan de officier die het proces-verbaal opmaakte. Maar de betreffende auteurs konden rechtens op geen enkele grond aanspraak maken op het auteurschap van de melodieën, die immers ofwel aantoonbaar niet van hen waren, ofwel zozeer behoorden tot het algemeen volkscultuurbezit, dat van enige persoonlijke auteursrechtelijke toeëigening geen sprake kon zijn. Dit ondanks de mededeling op de promo-pagina van Valerius (1626) “De Liedekens (meest alle nieu zijnde) gestelt op Musyck-noten…”. Als ze al nieuw waren, wat zeer te betwijfelen is, spoorde dat feit niet met de intentie de liedteksten snel en wijd te verbreiden; men moest immers nieuwe melodieën gaan leren en wie kon er in die tijd noten lezen?
  • Om de vergankelijkheid, maar tevens het bestaan van het public domain van volksliedjes te accentueren:  Toen in, meen ik 1751, dus ruim een eeuw later, een nieuwe uitgave van Stalpaerts liederen werd uitgebracht, voorzag de uitgever de meeste liederen van een nieuwe melodie, “omdat de oorspronkelijke melodieën nog maar door 1 op de 10 mensen worden gekend”.

Is het dan dus wel een kwestie van jatten? Als je bij bruiloften of partijen een feestbundel presenteert met een liedtekst voorzien van de vermelding “Op de wijze van Aan de Amsterdamse grachten, of Op een mooie Pinksterdag”, heb je dan een auteursrecht geschonden? In de 17e eeuw deed men niet anders. Bach ook niet. En daarna ook niet:
Bernard Huijbers toonzette een tekst van Huub Oosterhuis (“Wij die met eigen ogen de wereld zien verscheurd”) op de melodie van het Wilhelmus, nadat hij vele jaren eerder al een hele Adventsliturgie (“Hoort mensenbroeders die hier nu zijt…”) zeer vakkundig had getoonzet op de melodie van “Allen die willen naar Island gaan”, by the way een visserslied uit Frans-Vlaanderen uit de 16e eeuw.  Wim Kan opende al zijn oudejaarsavondconferences met “Uren, dagen, manden, jaren…” van Rheinvis Feith.
Haydn, Debussy, Bartók en Mahler zijn mede zo groot geworden doordat zij de lokale volksmuziek, dus het muzikale publieke domein, hebben gebruikt in hun composities, zonder auteursrechtelijke sancties.

Ons aller troetelkind Wolfje Mozart, 8 jaar oud, zei vader Leopold, maar hij was toen al 9, moest een keertje mee naar Den Haag. Uit verveling, of ijverzucht, componeerde hij ziek en wel te bedde liggend een aantal variaties op het Wilhelmus (KV 26, 1766). Een aantal jaren later (1781), maakte hij in Wenen een aantal voortreffelijke variaties op Altijd is Kortjakje ziek, althans op de Franse pendant Ah! Vous dirai-je maman (KV 265). Zullen we hem postuum een proces aan de broek doen?
En nog iets verder terug: wees er zeker van dat de melodieën in de liedbundels van Bredero, Hooft, Camphuysen, Starter en Valerius niet één melodie bevatten die op naam kan worden gesteld van de genoemde tekstdichters. Allemaal jatwerk? Nee, louter een manier om je liederen makkelijk te kunnen verspreiden onder een grotendeels analfabeet publiek dat geen elektriciteit, geen geluidsdragers, geen internet en geen smartphones had.

Zoals gezegd was er tekstdichters als Stalpaert veel aan gelegen te kiezen voor algemeen bekende muziek, omdat op deze wijzen de tekst een grotere, snellere en bredere verbreiding kon garanderen. Welnu, dat er bij de melodie van Ignaci dat… wel degelijk sprake was van een alom gekend wijsje moge blijken uit de vele teksten die ons zijn overgeleverd op deze muziek in enige variant.
Naast de hier aan de orde zijnde beginregel “Treckt weer na uw’ verburghen holen”, en de Franse (meer originele?) zogenaamde vaudevilles satiriques*), waarvan Veux tu savoir la difference hier als voorbeeld uit begin 18e eeuw te horen is, evenals het op vergelijkbare melodie bestaande “Marianne étoit coquette”, “Je vous le dit & le repete”, “J’ay laissé la veillesse en France” (volledige tekst HIER), “Je ne suis né ny roy ny prince”, “Le grand portail de Saint-Sulpice”, “Pour nouvelle, & qui n’est point fausse”, en “Amadis, par les soins d’Urgande” treffen we bij raadpleging van alleen nog maar Van Duyse, II, p.1608-1614, tussen ±1600 en ±1750 de melodie(-aanduiding) aan bij de volgende liederen in Nederlandse liedbundels:

  • Almachtigh Godt, vol heyl en zegen
  • Als ick u eerst begon te minnen
  • De menschen zijn zoo vaek genegen
  • Den Winter kout die ons seer quelden / Is nu vergaen in dit saysoen 
  • Een eenigh een heb ick verkooren
  • Gantsch slapperloot ‘k moet weer uit vryen
  • Ghy moet de feest met vreught vereeren
  • Ghy wack’re Nimphjens en Dryaden
  • Goddin, die voor veel hondert jaren
  • Heeft yemandt, door gestadigh draven
  • Het veldt en sal niet langer branden
  • Hoe groot, ô Heer, en hoe vervaerlic
  • Hoe langh mijn lief, mijn veltgodinne
  • Hoe zalig is de zoete minne
  • Ick heb bemindt, gevleydt, gebeden
  • Laetst als de Goden bancketeerden
  • Mayken, mijn lief, wat sullen wy maken
  • Mijn ziel wilt lof singhen den Heere
  • Myn geest, ô Heer! zoekt u te loven
  • Niet alle die den titul draghen
  • O edel wesen uyt Godt gevloten
  • O eeuwigh licht in duysterheden
  • O hoogh beroemde Nederlanden
  • Og of ik waerdig kon beschryven
  • Sal ick noch lang met heete tranen
  • Sing nu van vreugden, gy Batavieren
  • Waen-wyse lieden, valsch van oordeel
  • Wanneer de Heeren musicanten
  • Wanneer zal ik die vreugde ontvangen
  • Wel op mijn harp, wilt vrolijk wesen
  • Wyst my eens aen o fijne Broeders

Kortom: een breed scala aan stichtelijke en minnelijke teksten, zeker niet alle goedgekeurd voor kerkelijk gebruik. Wat maar aangeeft hoe populair de Ignaci-melodie lange tijd moet zijn geweest. Volgens Louis Grijp zijn er minstens 168 Nederlandse teksten op deze melodie bekend !

Hij was het ook die mij op het spoor bracht van de beloofde oude, profane variant van rond 1600. Meer daarover op de site van de Nederlandse Liederenbank, waar via de link “audio” deze melodie is te horen: Ys-vreucht. Dat is nog eens andere koek. Hoe blij waren wij niet op het IG als we een dagje, of zelfs maar een middag, ijsvrij kregen in plaats van manmoedig te moeten zingen “Verwint met offer en gebeden, Verwint met lessen vroegh en laet”.
Het zal bij vele oud-Ignatianen wel enige weemoed teweegbrengen, denk ik. Hoop ik.

 

Bronvermeldingen
Naast persoonlijke communicatie met een aantal personen, heb ik vooral gebruik gemaakt van de volgende uitgaven:

  • G.A. Bredero, Groot lied-boeck, 3 delen, editie G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra en C.A. Zaalberg (deel I); G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra, C.A. Zaalberg en P.J.J. van Thiel (deel II) en F.H. Matter (deel III). Culemborg: Tjeenk Willink-Noorduijn 1975 (deel I) / Leiden: Martinus Nijhoff 1983 (deel II) / Den Haag: Tjeenk Willink-Noorduijn 1979 (deel III). Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Florimond van Duyse, Het oude Nederlandsche lied. Tweede deel. Den Haag / Antwerpen: Martinus Nijhoff / De Nederlandsche Boekhandel 1905. Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Charles van Leeuwen, Hemelse voorbeelden. De heiligenliederen van Joannes Stalpart van der Wiele 1579-1630. Nijmegen: SUN 2001 (proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht). te raadplegen op http://www.charlesvanleeuwen.nl/stalpart.php
  • Charles van Leeuwen, De muziek van de Gulde-Jaers Feest-dagen (niet in druk verschenen). te raadplegen op http://www.charlesvanleeuwen.nl/stalpart.php
  • Adriaen Valerius, Nederlandtsche gedenck-clanck. (ed. P.J. Meertens, N.B. Tenhaeff en A.Komter-Kuipers). Amsterdam: Wereldbibliotheek 1942. Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Theo Willemze, Algemene muziekleer. Utrecht: Prisma 1964 (Prisma-Compendia 1)
  • Theo Willemze, Algemene muziekleer. Utrecht: Het Spectrum. 7e geheel herziene en uitgebreide druk 1979 (Aula-Boeken 644)
  • Theo Willemze, Het muzikaal gehoor. Utrecht: Het Spectrum 1969 (Aula-Boeken 385)

 

________________________
*) Een vaudeville satirique laat zich omschrijven als “une chanson satirique de circonstances, se chantant sur un air facile qui aidait à sa popularité. C’est en ce sens que Boileau le rattache à la satire, comme un genre éminemment français”. Het aspect van “algemeen bekend meezingertje” was dus ook in Frankrijk al in zwang. Deze airs waren vooral in zwang in de eerste helft van de 18e eeuw bij openluchtuitvoeringen van toneelstukjes die we kennen onder de verzamelnaam “Théâtre de la Foire”.

 

 

 

Tras el cristal (Spanje 1987)

 

Uitspraken als zou je voor het bekijken van Tras el cristal een sterke maag moeten hebben, of dat de film overeenkomsten vertoont met Pasolini’s Salò, zijn in hoofdzaak bedoeld om de verkoop van de DVD te bevorderen. De eerste uitspraak heeft voornamelijk betrekking op de beginscène, de tweede uitspraak mist elke gegronde motivatie. Toch is het kijken naar Tras el cristal een uitdaging die niet iedereen graag zal willen aangaan. Het nare is alleen dat je dat pas na afloop kunt constateren.

 

Dat ik deze film van Augustí Villaronga (geb. 1953, Mallorca) tot de beste vind behoren die ik ken, en stellig ook de beste van alle films van deze cineast, heeft met een veelheid van factoren te maken. Die liggen op het vlak van de pure cinematografie (enscenering, camerawerk, belichting, kleurgebruik,…), van de psychologie (karakterontwikkeling), van de verhaallijn en bijbehorende spanning (de complexe chronologie), en niet op de laatste plaats het bepaald niet alledaagse thema dat de kijker voor nauwelijks oplosbare problemen stelt.
Over Tras el cristal is niet heel veel belangwekkende literatuur geschreven. Een erg goede en uitgebreide behandeling is van de hand van Donato Totaro (op internet hier te vinden), waarin ik voor het overgrote deel meega.
Villaronga zelf beweert het script geheel zelf bedacht te hebben, maar dat hij zich min of meer losjes heeft laten inspireren door alom bekende verhalen uit de Duitse concentratiekampen, en door de gruwelvertellingen rond de persoon van Gilles de Rais, tijdens de 100-jarige oorlog vertoevend in de omgeving van Jeanne d’Arc. Het klopt. Tras el cristal is niet de verfilming van een bestaand boek, het is een nieuw verhaal met bestaande motieven, geplaatst tegen een historisch vastgelegd decor. Het vertoont ons de geboorte van een monster gelijk er altijd monsters onder ons zijn geweest.

Inhoud
Om het verhaal van de film te schetsen, moet ik een keus maken tussen het verhaal in de correcte chronologie, of in de chronologie van de film. Het verschil tussen beide is groot, waarmee de kijker al meteen een puzzel krijgt voorgeschoteld. Ik volg de film.
Als de term in medias res in optima forma van toepassing is, dan is het wel bij Tras el cristal: als een vooraf, nog voor de begintitels, zijn we getuige van meteen al maar de meest gruwelijke scène van de film, zonder dat we ook maar enig idee hebben hoe we die moeten plaatsen. Een man op leeftijd (Klaus, gespeeld door Günter Meisner) fotografeert in een kelder een aan zijn polsen opgehangen kind, naakt en zo te zien al danig gemarteld. Na enige tijd slaat hij de jongen met een plank tussen de schouderbladen dood. De opnamen zijn zowel van binnen de kelder, als van buitenaf, waarmee we de juiste inschatting kunnen maken dat er letterlijk een buitenstaander is die deze handelingen observeert. Daarmee hebben we een van Villaronga’s handelsmerken te pakken: het hanteren van een jonge, onschuldige, maar niettemin voyeuristische observator, door wiens ogen wij als het ware de gebeurtenissen krijgen aangereikt. We zien dit op vergelijkbare wijze ook in zijn latere films El niño de la luna (1989) en Pa negre (aka Pain noir, 2010). In Tras el cristal echter krijgen we een verdubbeling van dit principe: als de eerste observator (Angelo) later een hoofdrol gaat vertolken, neemt een andere (Rena) zijn rol over.
Klaus beklimt na zijn daad de toren van zijn villa en stort zich naar beneden. We zitten dan op vier minuten in de film. Een oude foto van Klaus met een jong kind (dat later Angelo blijkt te zijn) vult het beeld als de titels beginnen te lopen. Tijdens die titelrol zien we nog een aantal foto’s, genomen in een Duits concentratiekamp. Hiermee zijn ons de ingrediënten verstrekt om het eigenlijke verhaal te kunnen gaan reconstrueren en de film te kunnen interpreteren.
In een grote kamer van de villa ligt Klaus in een ijzeren long waarmee hij kunstmatig wordt beademd. Doordat we de stem van zijn vrouw Griselda (Marisa Paredes) een brief aan haar ouders horen voorlezen, krijgen we al wat meer informatie: Klaus was tijdens de oorlog kamparts die experimenten op kinderen uitvoerde. Nu, na zijn val van het dak, is hij verlamd en kan alleen nog maar in leven worden gehouden door de beademingsmachine. Dochter Rena (Gisèle Echevarría) ligt op de long te lezen, is meer aanwezig dan betrokken. Griselda zou willen dat haar man dood was. Als Rena haar roept, krijgt ze geen antwoord. In een zeer korte tijd worden de ijzige verhoudingen binnen het gezin evident.

Opeens is daar Angelo (David Sust) bij de ijzeren long die beweert de verpleger te zijn waaraan Klaus behoefte heeft. Stukje bij beetje komen we er achter dat hij het was die als buitenstaander de beginscène had geobserveerd, dat hij het was die in die kelder het dagboek van Klaus uit de oorlog van de grond opraapt, dat hij het was die aan de hand van Klaus op de foto tijdens de titelrol staat. Bovendien hebben we nu het kwartet hoofdrolspelers in beeld: Het gezin, bestaande uit twee ouders en een dochter, en Angelo. De rol van de huishoudster (Imma Colomer) is meer ondergeschikt; zij dient als aangeefster en boodschapster, maar heeft geen invloed op de verdere gebeurtenissen. Wat van meet af aan, en tot het einde van de film aan toe, als uiterst beklemmend naar voren komt is dat elke verhouding tussen de vier hoofdpersonen een verkrampte is, variërend van kil tot vijandig, van gecompromitteerd tot destructief. Dat is een van de kwaliteiten van Tras el cristal die de film op grote hoogte weet te plaatsen.

De onverwachte en onaangekondigde komst van Angelo in de villa is een bekende literaire topos: ook in bijvoorbeeld Dood in Venetië (boek: Thomas Mann; film: Luchino Visconti), Het zondagsbed (boek: Theun de Vries) en Teorema (film: Pier Paolo Pasolini) zien we een “indringer” in een kleine beslotenheid met een sociaal verwoestende uitwerking. Dat motief zien we ook hier. Angelo heeft kennis van zo veel feiten dat hij Klaus kan chanteren, en dus dringt Klaus erop aan dat Angelo hem als “verpleger” dag en nacht komt verzorgen, zeer tegen de zin van Griselda, die van deze vreemde indringer niets moet hebben. Direct al heeft het zijn weerslag op de toch al niet beste verhoudinge tussen beide echtelieden. Rena is nu de observator, en neemt als zodanig de rol over van Angelo, die de voornaamste actor is geworden. Waarom dringt Angelo de villa binnen? Een werkloze Spanjaard op zoek naar een baantje? Op geen enkel moment is er sprake van salariëring; uitsluitend zijn schrijnend gebrek aan verpleegkundig vakmanschap komt bovendrijven.
Welk ander motief drijft Angelo dan naar de man die hem als kind toch minder fraai lijkt te hebben behandeld? We blijven daaromtrent vooralsnog in het ongewisse en de fysieke toenadering die Angelo tot Klaus in de ijzeren long zoekt, werkt eerder verwarrend dan verhelderend. Maar als hij niet veel later tijdens het scheren van Klaus naar buiten staart en vertelt van een man in een regenjas met een kind aan de hand, gelijk op de foto aan het begin van de film, welke foto nu ook op Angelo’s bureau staat, wordt het duidelijk dat hij, aanvankelijk in de slachtofferrol, zijn toenmalige dader is gaan opzoeken. Het litteken boven zijn rechter oog draagt Angelo mee als brandmerk van het verleden.
Als Griselda bij toeval de stekker van Klaus’ pomp lostrekt, beseft ze dat zij bij hem ook figuurlijk de stekker eruit kan trekken. Prompt test ze dat in de kelder uit door de hoofdschakelaar een paar seconden om te draaien. Angelo neemt het waar.
Enige scènes later. Angelo zit aan het hoofdeinde van Klaus en leest in tranen uit het dagboek van Klaus voor wat er gebeurde met de nieuw aangekomen kinderen en Klaus’ machinale reactie daarop. Klaus vraagt hem te stoppen. Angelo zegt het dagboek in de kelder te hebben gevonden, waar hij ook het lichaam van de hangende jongen heeft verwijderd en opgeruimd. Er beginnen dus puzzelstukjes in elkaar te vallen. Op zijn niet beantwoorde vraag of Klaus het nu weer zo doen als hij de kans kreeg, biedt hij aan het zelf voor hem te doen. Hij heeft er de mogelijkheden voor “Ik kan nu zijn wat jij toen was”, zegt hij. En als Klaus hem dat ontraadt, vervolgt hij: “Ik wil leren. Ik wil zijn zoals jij was”. Dan, terwijl Klaus niet anders kan dan via de boven zijn hoofd hangende spiegel toekijken, trekt Angelo zijn overhemd uit, zijn hemd, zijn broek. Uit zijn hoofd vertelt Angelo de passage uit het dagboek waarin Klaus beschrijft hoe hij zich aan een van die jongens in het kamp vergreep. De rollen zijn nu omgedraaid: Angelo speelt dat hij Klaus is, en maakt de nu weerloze Klaus tot het kind. Net als in het dagboek masturbeert hij en komt klaar in het gezicht van het kind. Niet alleen zijn nu de rollen omgekeerd, ook de persoon van Angelo heeft een radicale en beslissende wending genomen.

Deel twee van de film kan nu beginnen. Angelo draait de slaapkamerdeur van Rena op slot en gaat Griselda letterlijk in de weg lopen, haar intimideren en beangstigen. Dan, als zij poogt hem met een brievenopener te belagen, overmeestert hij haar en wurgt haar met een gordijnkoord. Het lijk deponeert hij bovenop de ijzeren long. Hij wenst Klaus welterusten en vertrekt. Daags erop stuurt hij de dienstmeid weg. Haar aanwezigheid is niet langer vereist.
In het elimineren van de twee vrouwen weerspiegelt zich enigermate het Oedipousverhaal, doordat het Angelo de mogelijkheid geeft zich onbelemmerd te richten op de identificatie met de vaderfiguur Klaus en diens rol en gedrag te gaan overnemen. Tegen Rena zegt hij: “Ik ben vanaf nu jouw vader”. Aan het einde van de film is die transformatie compleet: Angelo is zelf de vader geworden en Rena de zoon.
Maar voor het zover is, gaat Angelo eerst het gedrag van zijn “meester” kopiëren. Een van buiten naar binnen gelokt klein kind wordt door Angelo voor de ogen van Klaus met een gasinjectie om het leven gebracht. Daarna begint hij de binnenplaats van de villa om te bouwen tot het de entourage van een concentratiekamp gaat worden. Uit het dorp haalt hij dan voor de tweede maal een kind, lid van een jongenskoortje, dat hij dwingt een liedje te zingen voor de ogen van Klaus, zoals in het dagboek Klaus geobsedeerd raakte door het zingen van geïnterneerde kinderen in het concentratiekamp. Tijdens het zingen snijdt Angelo hem de keel door. Als Rena uit de welhaast gebarricadeerde woning ontsnapt om het dorp te alarmeren en hulp te halen, achtervolgt Angelo haar en brengt haar weer terug in de villa. Dan trekt hij bij Klaus letterlijk de stekker eruit.
De slotscène laat Rena zien, zonder haar krullen en nu in jongenskleren, die de ijzeren long bestijgt waarin Angelo heeft plaatsgenomen: hij de vader, zij de zoon.

Analyse en commentaar
Tras el cristal is om een aantal redenen een uitermate complexe film. Ik zal proberen dat in een viertal onderdelen uitgesplitst toe te lichten.

Er is allereerst een cinematografisch aspect, waar de toeschouwer/-hoorder mee wordt geconfronteerd, nog los van de feitelijke inhoud van de film. Op het visuele vlak valt op dat over de hele film, die zich voor het overgrote deel binnenshuis afspeelt, een diepe blauw-grijze zweem hangt, een belichtingskwestie die kilheid, zo niet afstandelijkheid suggereert. Alleen in de paar scènes die buitenshuis zijn opgenomen, overheerst het groen. In die “eentonige” blauwe entourage valt op een paar momenten een rood verschijnsel bovenmatig op: de rode jurk waarin Griselda naar de kelder loopt om de hoofdschakelaar uit te doen, het rode gordijn dat Angelo over Griselda heen plooit (hetgeen een rechtstreekse verwijzing zou zijn naar de rode lap die stierenvechters gebruiken om hun prooi te vangen) en het inzoomen op rode bloedsporen die van verminkte lichamen omlaag sijpelen. Het effect is vergelijkbaar met een zwartwitfoto waarin één detail er gekleurd uitspringt.
Op het auditieve vlak valt op dat de film als geheel en de spanning van de film niet worden gedragen door filmmuziek. De sound track van Tras el cristal bevat de natuurlijke geluiden van de omgeving en van de handelingen (het meest prominent het trage, ritmische geluid van de pomp van de ijzeren long), de Spaanstalige dialogen en, minder prominent, muziek die echter die handelingen ondersteunt in plaats van zelf een extra spanningselement of aankondiging van een gebeurtenis te zijn en daarmee een bijna zelfstandig sturingsmechanisme van de film.
Tot het cinematografisch aspect wil ik voor deze keer ook wel rekenen de kwaliteit van het acteerwerk.
Klaus: Günter Meisner (1926-1994). Hij acteerde in meer dan 100 speelfilms en tv-producties en was in 1987 al een beroemdheid in de filmwereld. Aanvankelijk voelde hij niets voor een rol in deze film: bijna de hele tijd onbeweeglijk in een machine liggen is al geen uitdaging, eraan voorafgaand een gruweldaad begaan, is ook weinig verheffend. Maar toen hij het script goed had herlezen en de kwaliteit ervan inzag, stemde hij toch in met de rol van Klaus, die hij met verve speelt. Zijn stem wordt Spaans gedubd door Lluis Homar, die daarover spreekt op de bonus-CD die bij de Cult Epic editie van Tras el cristal wordt bijgeleverd.
Griselda: Marisa Paredes (1946-). Zij had ook al tientallen rollen op haar naam staan toen ze voor Tras el cristal werd gecast. Zij slaagt erin door haar blik en pose de verstikkende relatie tot haar man, kind en “verzorger” Angelo optiaal te visualiseren. Merk op dat zij in de hele film niet één keer lacht.
Rena: Gisèla Echevarría. Voor haar het filmdebuut. ZIj speelt de rol van een kind van haar leeftijd: op enige afstand volgt ze de gebeurtenissen, wordt heen en weer geslingerd tussen bewondering en afschuw (zowel tegenover haar vader als tegenover Angelo), neemt weinig initiatief, vooral omdat ze niet overziet waartoe ze in staat zou zijn en met welke gevolgen dan ook nog. Bij haar zie je de gedroomde wereld van geluk die een kind eigen is stukje bij beetje afbrokkelen, tot ze zich uiteindelijk, letterlijk zelfs, neerlegt bij Angelo wiens rol niettemin is uitgespeeld.
Angelo: David Sust (David Mur Navarro). Vanaf zijn plotselinge verschijning tot en met zijn fatale afloop trekt hij de volle aandacht van de toeschouwer naar zich toe. Hij is het immers die de loop der gebeurtenissen op beslissende wijze beïnvloedt. Ook al was Tras el cristal zijn filmdebuut (naast een kleinere rol in een andere film uit datzelfde jaar), hij kan deze lang niet eenvoudige hoofdrol opmerkelijk goed gestalte geven. Bij hem stapelen zich twee eigenschappen op: zijn bloedmooie gezicht (je heet niet voor niets Angelo, ook al vind ik dat een vrij goedkoop inkoppertje van de regisseur) met zijn indringende ogen en de manier waarop hij de touwtjes in handen neemt en hoe hij zichzelf ontwikkelt. Als kijker zul je al te makkelijk beginnen met hem sympathiek te vinden, maar allengs ga je je met die sympathie behoorlijk beschaamd voelen. Merk overigens ook bij hem op dat hij de hele film door niet lacht, behoudens één moment dat hij met Rena een bordspelletje wil gaan spelen, hetgeen dan ook prompt door Griselda wordt afgekapt. Angelo is te jong om zo serieus te zijn, en juist dat maakt hem zo beangstigend.
De huishoudster (Imma Colomer) heeft geen naam. Zij wordt slechts aangeduid als “jornalera”. Haar rol is relatief bescheiden voor iemand die er al 17 rollen in andere films op had zitten. Zij mag, zoals eerder al genoemd, slechts dienen als aangeefster en boodschapster, maar op geen enkele wijze mag zij de loop der dingen beïnvloeden – zelfs mag ze die niet snappen: haar manier van afscheid nemen na haar ontslag is eerder een klucht waarbij de anderen zich wat ongemakkelijk voelen, dan dat ze ook maar iets van de situatie begrijpt.

Dan is er het aspect van de thematiek. Tras el cristal is geen oorlogsfilm. De Tweede Wereldoorlog speelt een historische rol, maar het blijkt dat die louter functioneert als een omstandigheid en entourage waarin de daden van Klaus werden gelegitimeerd. Immers, Klaus zet zijn praktijken na de oorlog onverminderd voort, naar wij te weten komen eerst met de kleine Angelo, later in de kelder van de villa, zoals wij aan het begin van de film te zien krijgen.
Tras el cristal is ook geen film die ons in algemene zin attendeert op en waarschuwt voor de aanwezigheid in onze samenleving van kinderlokkers en pederasten. Voor zover Klaus zich daarmee inlaat, doet hij dat in het verleden. Eenmaal in de ijzeren long is hij tot niets meer in staat. Dat Angelo het gedrag van Klaus gaan imiteren is evenmin een waarschuwing in algemene zin. Bij zijn daden dringt zich namelijk veeleer de vraag op waarom zijn gedrag zo evolueert, dan dat we ons focussen op wat hij in feite aan het doen is.
Wat dan wel? Het is de loden last van de verwerking van eerdere gebeurtenissen en de herinnering eraan, de trauma’s die ze hebben veroorzaakt, en dat dan zowel in individuele zin (die Klaus tot mislukte zelfmoord drijft en Angelo tot een doorgeslagen en destructieve indentificatie met de dader) als in nationale zin (de verwerking door Spanje en de Spanjaarden van het Franco-tijdperk, dus de problematiek van het zoeken en vinden van een nieuwe nationale identiteit). In hoeverre daarbij ook nog een rol speelt dat Villaronga zelf dertien jaar lang op een Jezuïeteninternaat heeft verbleven en daar zijn eigen gevoelens heeft moeten onderdrukken, zoals onder Franco zo vele individuele gevoelens verstopt dienden te blijven, kan ik niet goed inschatten. Een vergelijking met de latere film La mala educación (Pedro Almodóvar, 2004) dringt zich bij mij wel erg sterk op. Ook daar zien we de fatale uitwerking op het individu als gevolg van het niet kunnen verwerken van een zich in Spanje afspelend verleden.

Vervolgens het voyeurisme. Voor Villaronga is dat de rode draad door al zijn films: een kind dat zijn onschuld verliest doordat het getuige is, kan zijn, wil zijn, moet zijn, van de gedragingen van volwassenen, hun uitbarstingen, vijandschappen, monsterachtigheden. Kortom: de donkere kant van de mens vertoont zich aan de ogen van een onschuldig kind. Na Tras el cristal hanteert hij deze point of view ook in zijn reeds genoemde films El niño de la luna (1989) en Pa negre (aka Pain noir, 2010). Het is echter meer dan een kind filmen dat de gruwelen der volwassenheid aanschouwt. Ten eerste doordat de toeschouwer zich hierdoor met dat observerende kind gaat identificeren en van een afstand, zonder aan de gebeurtenissen zelf deel te nemen, er getuige van is. Ten tweede doordat Villaronga dat voyeurisme-op-afstand uiterst geraffineerd regisseert: zo is het in Tras el cristal opvallend hoe vaak er gesloten deuren in beeld komen die hooguit beperkt open gaan, hoe vaak een scène zich in ingeperkte afzondering afspeelt (de beginscène in de kelder meteen al als evident voorbeeld daarvan: het observeren van die gebeurtenis door Angelo geschiedt door een klein raampje op maaiveldhoogte). Ander voorbeeld: als Angelo de moord op Griselda gaat plegen, sluit hij eerst Rena in haar kamer op. Een sleutelgat, een kier onder de deur, dat zijn de enige, zij het onvoldoende doorkijkmogelijkheden voor Rena. Zij moet het met de geluiden doen die ze kan horen. Nog een voorbeeld: de spiegel die Angelo een aantal malen boven het hoofd van Klaus aan de longmachine monteert om hem van een gruweldaad getuige te laten zijn, ook al is dat in spiegelbeeld waardoor het voor Klaus behalve een reflectie ook een omkering is van zijn eigen verleden. Angelo dwingt Klaus ook zeker tweemaal tot voyeurisme, namelijk wanneer hij het lijk van de vermoorde Griselda boven op de ijzeren long deponeert, de gezichten van beide echtelieden naar elkaar gekeerd, en wanneer hij ostentatief masturbeert vlak voor Klaus’ gezicht. Daarmee ontneemt hij Klaus de mogelijkheid van zijn bedenkelijke verleden af te komen, ook al had hij dat zelf met zijn suïcidale sprong van de toren zo graag gewild. En dus verliest de tot kind geworden Klaus de onschuld die hij had gehoopt te verwerven.

Ten slotte de psychologische ontwikkeling. Ik denk dat daarin de grootste waarde, maar ook puzzel ligt besloten van Tras el cristal: een jongen die als kind een ervaring heeft beleefd die op dat moment zelf wellicht niet eens zo belastend was, maar waarvoor Angelo zich later wil wreken. Dat op zich is nog niet zo verrassend. Wel dat hij dat doet door naar de villa te gaan waar zich net die gruwelscène voordoet: hij zoekt de dader op in plaats van hem te ontvluchten. Als hij dan, nadat Klaus is vertrokken, het dagboek vindt en zich meer een totaalbeeld van Klaus kan vormen, brengt hem dat er nog steeds niet toe zich van hem te verwijderen. Integendeel, hij presenteert zich ongevraagd als de verzorger van de invalide man. Hij solliciteert er niet naar, hij dringt zichzelf op en ontdoet zich van alles en iedereen die hem daarbij hindert. Al vrij gauw wordt duidelijk dat hij een soort haat-liefdeverhouding tot Klaus koestert die allengs overgaat in een zucht tot identificatie met de dader. Angelo motiveert zijn modus operandi ook met zoveel woorden tot Klaus: “Ik wil leren. Ik wil zijn zoals jij was”. En wij als toeschouwers, wij gaan ons steeds ongemakkelijker voelen wanneer we moeten meemaken hoe iemand die we aanvankelijk zo warm verwelkomden als mooie, sympathieke underdog (zeker door de houding van Griselda jegens hem), die dan ook nog eens slachtoffer blijkt te zijn, van lieverlede zien verworden tot een onbetrouwbaar monster dat met zijn wandaden niet onder wil doen voor die van Klaus. Wat gaat er in dat hoofd om? Wat denkt hij daarmee te bereiken? Is er voor Angelo nog wel een verder leven mogelijk? De regisseur laat hem aan het einde van de film roerloos in de ijzeren long liggen en laat ons met een onoplosbaar probleem huiswaarts keren.

Meer dan de vertoonde gruwelijkheden is het misschien wel dat, wat mij ertoe bracht om in het begin te stellen dat het kijken naar Tras el cristal een uitdaging is die niet iedereen graag zal willen aangaan.

_________________________

Tras el cristal (Spanje 1987). Regie: Augusti Villaronga. 112 minuten.
Alternatieve titels: In a glass cage 
/ Prison de cristal.
Details: http://www.imdb.com/title/tt0090197/
Nederlandse ondertitels (nog) niet beschikbaar.
O.a. de editie van Cult Epics (www.cultepics.com) bestaat uit 2 DVD’s met als extra’s 3 korte films en een interview met Villaronga. Ook als Blu-ray verkrijgbaar.

Voor meer achtergrondinformatie over de relatie tussen Jeanne d’Arc en Gilles de Rais zie:  Michel Tournier, Gilles & Jeanne. Paris : Gallimard 1983. Collection Folio 1707. EAN 9782070377077. Te koop bij antiquariaat Lu et approuvé.

 

 

 

De Dertigjarige oorlog

De Dertigjarige oorlog (1618-1648) vormt het laatste deel van de Tachtigjarige oorlog. Het was een Europese oorlog waarvan het doel en de gebeurtenissen zo complex zijn dat ze zich lastig kort laten samenvatten. Dankzij een bewaard gebleven Frans journaal, opgetekend tussen 1628 en 1658, kunnen we echter zeer concreet achterhalen wat er tijdens die oorlog gebeurde op 25 september 1636 in het Franse dorpje Hortes. Een verslag.

Inleiding
Het nadeel van overzichtsartikelen is dat ze per definitie weinig details geven. De Dertigjarige oorlog staat bijvoorbeeld mooi beknopt samengevat op Wikipedia, maar het kleine leed, dat in elke oorlog individuele burgers zo zwaar treft, zul je er niet in vinden. Bovendien zal blijken dat deze oorlog door enkele andere factoren voor de burgers nog ernstig werd verzwaard en dat er opvallende gelijkenissen zijn tussen wat er zich op die bewuste dag in Hortes afspeelde, en wat we summier te weten kunnen komen uit wat er zich rond datzelfde jaar afspeelde in dorpen in Oost-Brabant en Noord-Duitsland. Bij de Dertigjarige oorlog waren namelijk nogal wat landen betrokken: Denemarken, Zweden, Duitsland, De Nederlanden, Frankrijk, Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Kroatië, Spanje (ik noem de gebieden maar even met de namen zoals ons die nu bekend zijn; de werkelijke landsgrenzen liepen niet geheel parallel met nu en ze wijzigden zich ook tijdens die oorlog).

En wat alles nog schrijnender maakt: de verschrikkingen van de Dertigjarige oorlog waren niet exclusief iets van toen: de verhalen en beelden die wij kennen van de Tweede Wereldoorlog, De balkanoorlogen, de dictaturen in Argentinië en Chili en diverse oorlogen in het Midden-Oosten en Afrika leveren angstig nauwkeurige overeenkomsten op. De geschiedenis herhaalt zich.

Bronnen
In 1880 verscheen voor het eerst in druk het handgeschreven journaal van Clément Macheret, destijds priester te Langres en vanaf 1637 pastoor te Hortes. Het heeft als titel “Journal de ce qui s’est passé de mémorable à Lengres et aux environs depuis 1628 jusqu’en 1658″ (“Journaal van wat er aan belangwekkends is gebeurd te Langres en omgeving vanaf 1628 tot aan 1658″). Het bevat minutieuze aantekeningen en details van situaties en gebeurtenissen in het gebied rond Langres. De betrouwbaarheid ervan lijkt tamelijk correct te zijn, zeker ook omdat hij direct opschreef wat er zich allemaal afspeelde. Zijn verslag ligt aan de basis van het verhaal van Hortes 1636 hieronder.

Verder beschikken wij nog over een “beeldverslag” in de vorm van gravures van Jacques Callot uit Nancy. Die tekenen niet rechtstreeks de gebeurtenissen in Hortes, maar wel die van de dertigjarige oorlog in Lotharingen en zijn daarmee redelijk maatgevend voor het beeld van 1636. Zijn twee reeksen gravures (“Misères de la guerre” ofwel: “Kleine en grote verschrikkingen van de oorlog”) uit 1633 en 1635 zijn her en der op internet te vinden. De gravure hierboven stamt ook uit die beeldreeks. Voor verder bronnenmateriaal zie aan het einde van dit artikel.

Bijkomende factoren
De Dertigjarige oorlog was niet de enige ramp die grote delen van de Europese bevolking trof. Een optelsom van elkaar versterkende bijkomende factoren verergerden de situatie voor de burgerij: de pest, misoogsten, honger, armoede en economische malaise gingen hand in hand en als in een draaikolk zogen ze de mensen naar de bodem van het bestaan – of nog daar voorbij: in de eerste helft van de 17e eeuw zijn in Oost-Frankrijk tientallen dorpen geheel ontvolkt geraakt; in tal van andere verloor een derde tot de helft het leven als gevolg van de vele ontberingen. Als daar dan ook nog eens een oorlog overheen komt, is het leed niet meer te overzien.

De pest woedde begin 17e eeuw in heel Europa en men had er totaal geen antwoord op (de pestbacterie werd pas eind 19e eeuw geïdentificeerd). Rondtrekkende legers voerden ook de ziekte met zich mee, hetgeen de verspreiding van de epidemie enorm bevorderde. Beperken we ons tot het gebied rond Hortes, dan hebben we ook nog eens te maken met een klimatologisch uitzonderlijk jaar 1636: van het voorjaar tot diep in de herfst was het enorm heet en extreem droog; voor een epidemie een uiterst gunstige omstandigheid, zeker omdat de weerstand van de bevolking zienderogen afnam. Immers, door die droogte ontstonden misoogsten, het magere vee kon het land niet bemesten, de harde grond kon niet worden bewerkt door de verzwakte bevolking, boeren konden hun pacht niet meer betalen en moesten geld lenen, maar de opbrengsten waren zo gering dat ze zelfs niet meer de rente van de lening konden aflossen. Als gevolg daarvan lieten velen hun land voor wat het was en trokken met familie en al de bossen in om te leven van wat er daar te vinden was. Begin 1636 aten de hongerige dorpelingen het zaaigoed voor het komende seizoen op, zodat het in ieder geval zeker was dat er volgend jaar ook niets te oogsten zou zijn. Er zijn berichten van tijdgenoten dat zelfs kannibalisme de kop opstak: moeders die hun kinderen doodden, en omgekeerd, om aan eten te komen.

Een andere factor, die ook met de droogte had te maken, was de slechte hygiëne in de streek die op zich al ziekten en epidemieën in de hand werkte. De economie, die voor een groot deel dreef op akkerbouw en veeteelt, zeker in een dorp als Hortes, zakte geheel in elkaar, met onder meer als gevolg dat bakkers in de dichtstbijzijnde grote stad (Langres) geen brood meer konden bakken en verkopen, maar integendeel, naarstig op zoek gingen naar graan. Bovendien werd de markt in Langres op een gegeven moment in 1636 gesloten vanwege de pest. Dat maakte niet eens zoveel uit, want goederentransport van en naar de stad was sowieso al onmogelijk geworden door de gevaren van rondtrekkende legers, plunderaars en struikrovers.

Het naderend onheil
In september 1636 trok een leger van enkele duizenden (huur-)soldaten van de Franche-Comté naar Lotharingen, waarschijnlijk met de bedoeling om langs de Rijn door te stoten naar Noord-Duitsland, waar het protestante verzet vanuit Zweden en Denemarken groot was. In veel kronieken worden deze soldaten aangeduid als “de Kroaten”, maar in feite was het een allegaartje van Spanjaarden, Fransen, Duitsers en strijders uit de Balkanlanden die zich uit armoe, eerder dan vanwege het avontuur, bij de troepen hadden aangesloten. Zij ontvingen al dan niet soldij (dat hing af van de successen en van de houding van de bevelhebbers), maar zij konden zich materieel vooral in leven houden door plunderingen en afpersingen, psychisch door ongebreidelde volupteuze verkrachtingen, martelingen en moordpartijen. Gebruikelijk was ook dat aan steden en dorpen een vaak enorme schatting werd opgelegd, maar de revenuen daarvan waren niet op de eerste plaats voor de soldaten bedoeld.

Op hun weg naderden de troepen Hortes, op bijna 15 km ten oosten van Langres. Zij namen hun intrek in een naburig dorp (met alle plunderingen, “niet nader te noemen misdrijven” en slachtpartijen van dien) en op dinsdag 23 september verscheen een troepje verkenners aan de rand van Hortes. Die werden door de plaatselijke bevolking met geweld verjaagd. Even later verscheen er opnieuw een vijandelijke delegatie waarmee ditmaal wel werd gesproken en die met enkele kruiken wijn weer vriendelijk werd teruggestuurd. Intussen was het duidelijk geworden dat het hele leger van plan was om via Hortes verder te trekken richting Lotharingen.

Op 24 september roofden soldaten op klaarlichte dag zowat de gehele veestapel van Hortes uit de velden van het dorp: 1500 runderen en 3000 schapen, meldt Macheret. Daarmee was de melk- en vleesvoorziening van de in Rosoy gelegerde soldaten weer even op peil gebracht. Aan de andere kant: Hortes zat zonder veestapel ook zonder melk, kaas, vlees, vet, huiden, wol, mest en wat al niet meer. Een veestapel was voor een dorp een basis voor het dagelijks bestaan.

Later die dag verscheen er wederom een hoge delegatie om de besluiten van bevelhebber Mathias Gallas, de gevreesde vechtjas aan wie de commercie 350 jaar later nog wel wat wist bij te verdienen, kenbaar te maken: morgen zou het leger door Hortes trekken; elke vorm van tegenstand zou niet worden getolereerd; de hele bevolking moest bij zonsopgang het dorp hebben verlaten om de doortrekkende soldaten de gelegenheid te geven de huizen binnen te treden en eruit weg te halen wat van hun gading was, en kon dan bij zonsondergang weer huiswaarts keren; bovendien, om de soldaten niet al te kwaadaardig te stemmen, moest Hortes vandaag nog een schatting komen betalen.

De dorpelingen verkeerden in verwarring door deze dramatische eisen. Intern overleg volgde en de uitkomst ervan was dat 200 dorpelingen ermee instemden en van plan waren de volgende ochtend het dorp te verlaten, maar dat de 400 anderen het niet over hun kant wensten te laten gaan en vastbesloten waren het dorp met hand en tand te verdedigen. Het onderling meningsverschil was even onoplosbaar als verscheurend: de scheidslijn liep soms dwars door een gezin heen, waarvan sommigen ervoor kozen te vertrekken en anderen om te blijven. De hele nacht werkten er dorpelingen aan het opwerpen van barricaden en inrichten van andere versterkingen op alle toegangswegen van het dorp.

De ontknoping
Rond 9 uur ‘s ochtends op donderdag 25 september 1636 verscheen een leger van circa 4000 soldaten, te voet en te paard, in een enorme stofwolk aan de horizon. Van twee kanten naderden de soldaten Hortes en eenmaal dichterbij gekomen bemerkten zij dat de toegangswegen waren gebarricadeerd. Dat was tegen de afspraak (afspraak?) en hoewel de barricades betrekkelijk eenvoudig konden worden geslecht, was het wel duidelijk dat deze houding van de dorpelingen niet zonder consequenties zou wezen. De verdedigers van de barricades waren inmiddels gedood of gevlucht; anderen hadden zich in huizen verschanst. Achtergebleven vrouwen en kinderen waren in de goed vergrendelde kerk van Hortes bijeengekomen in de verwachting dat het Heilig Roomse leger de kerk wel ongemoeid zou laten.

De verschrikkingen van de oorlog werden vanaf nu alom zichtbaar: soldaten trokken huis na huis binnen en haalden eruit wat ze te pakken konden krijgen. Veel was er in die huizen niet te halen. Al helemaal geen voedselvoorraden; geen geld, sieraden, tin- of koperwerk van enige waarde; alleen sobere gebruiksvoorwerpen en textiel. Goederen werden op karren gesmeten, levende personen werden naar buiten gesleurd en op beestachtige wijze vermoord, vaak ook na eerst te zijn gemarteld. Intussen werd het ene huis na het andere in brand gestoken. Het kurkdroge hout en de rieten daken werden een makkelijke prooi van de gretige vlammen.

Vanuit de kerk werd er enige tijd op de soldaten geschoten. Macheret beweert dat daarbij 200 Kroaten het leven lieten, maar dat lijkt een onwaarschijnlijk hoog aantal. In ieder geval was het voor het leger het sein ook de kerk in brand te steken en te bestormen. Dat laatste lukte maar moeizaam. Uiteindelijk werd de grote deur geforceerd en voerden de soldaten de aanwezige vrouwen en kinderen naar buiten. Volgens Macheret gebeurden er daarbij dingen die hij beter maar niet kon opschrijven, maar uit vergelijkbare gebeurtenissen elders weten we dat vrouwen en kinderen waarschijnlijk op grote schaal zijn verkracht en dat zowel de vrouwen als de kinderen, van baby’s tot jonge tieners, zonder pardon werden afgeslacht.

Plattegrond van het toenmalige Hortes


De balans was even triest als totaal: alle 400 achtergebleven Hortenaren vermoord, alle huizen en de kerk afgebrand, alles van enige waarde geroofd. De 200 dorpelingen die diezelfde avond terugkeerden restte niets anders dan hun dorp weer van de grond af te moeten opbouwen. Zij zijn in feite de voorouders van de 550 inwoners die Hortes vandaag de dag telt.

Parallellen
Tot in de kleinste details kunnen we gebeurtenissen als die in Hortes op 25 september 1636 lezen in kronieken uit andere plaatsen, tot in Noord-Brabant aan toe. In de Kempen, het Land van Cuijk (Cuijk, Oeffelt, Boxmeer e.a.) en net over de grens in Goch en Kevelaer heersten in 1636 dezelfde omstandigheden van honger en armoe, pest en sterfte. En ook daar kwam dan nog eens een doortrekkend leger overheen met plunderingen, brandstichtingen, slachtpartijen als hierboven beschreven. Opmerkelijk is dat er nu nog steeds in Kevelaer een Kroatenstraße is, een wrange herinnering aan een bitter verleden.

Hetzelfde verhaal treffen we aan in Sleeswijk-Holstein, ook rond 1636, in het boek van Henty “Onder de vanen van Gustav Adolf” uit 1900, vertaald door Titia van der Tuuk. Hoewel deze roman is geschreven vanuit het perspectief van een Schotse huursoldaat, krijgen we ruim voldoende informatie die zonder meer te koppelen is aan wat bekend is van Hortes 1636. Zo is enerzijds Hortes “slechts” een van de vele voorbeelden van de verschrikkingen van de Dertigjarige oorlog, maar anderzijds: juist door de gedetailleerde verslaglegging van Macheret is het leed in zijn ellendige context heel persoonlijk geworden: geen helden, geen grote getallen, geen veroverde gebieden, maar uitsluitend arme, zieke en tenslotte afgeslachte dorpelingen die niet eens precies wisten wie er nou eigenlijk tegen wie vocht. Laat staan waarom.

Literatuur
Uit de grote lijst van beschikbare titels rond de Dertigjarige oorlog volgt hier een beknopte selectie van Franstalige en Nederlandstalige werken. Die levert voldoende trefwoorden en aanknopingspunten op om via Internet of bibliotheken meer over het onderwerp te weten te komen.

Over wat zich in Hortes in 1636 afspeelde, heb ik een Nederlandstalige historische miniroman geschreven: Leonard Loonen, Hortes 1636. Den vlammen ten prooi. Soest. Boekscout 2009. 116 blzz; 20×12½ cm.
PRIJS: € 14,95.
Te bestellen per e-mail via luetapprouve@gmail.com.

 

 

 

 

Verdere bronnen:

  • BARTEN, J.T.P., Oeffelt in nood in 1636 door benden Kroaten. In: MERLET, jg.17 (1981) Nº 2, p.42-44.
  • BOILLOT, Joseph, Artifices de feu et divers instruments de guerre. Chaumont, 1598.
  • LES CAHIERS HAUT-MARNAIS 1946-2000. DVD. Chaumont 2006.
  • DOUMA, H., Kroaten verwoesten de Cuijkse rosmolen. In: MERLET jg.11 (1966), p.23.
  • EBELING, J.-B. (samenst.), Louis XIII. Extraits des Mémoires du temps. Préface d’Emile Henriot. Paris. Librairie Plon 1937.
  • FOURET, OLIVIER (samenst.), Les frères Le Nain. Série Chefs-d’œuvre de l’art – Grands Peintres Nº 54. Paris, Hachette 1979.
  • GOOSSENS, C., Plunderingen door de Kroaten gedurende de jaren 1635 tot 1641. In: MERLET, jg.40 (2004) Nº 2, p.45-49.
  • HOUBEN, L.G.A., Geschiedenis van Eindhoven de stad van Kempenland.Turnhout, Drukkerij Beersmans-Pleek. 1890. 2 delen, 404 + 408 p.
  • HOUBEN, L.G.A., Geschiedenis van Eindhoven. De stad van Kempenland. Schiedam. Schiepers. 1978. Herdruk van het oorspronkelijke werk van 1889. 2 delen in één band. 404 + 408 blz.
  • HUGUES, E., Langres au début du XVIIe 1610-1660. Langres 1978. Dominique Guéniot.
  • JOLIBOIS, EMILE, La Haute-Marne ancienne et moderne. Dictionnaire géographique-statistique-historique-biologique. 1858. Réimpression 1982.
  • LEFRANC, ABEL, Het dagelijks leven in de renaissance. Utrecht. Het Spectrum z.j. Prisma-boeken 306.
  • LOUIS, GERARD, La guerre de Dix Ans 1634-1644. 1998.
  • MACHERET, CLÉMENT, Journal de ce qui s’est passé de mémorable à Lengres et aux environs depuis 1628 jusqu’en 1658. 1880.
  • MÉTHIVIER, HUBERT, L’ancien régime. Paris 1983. Presses universitaires de France. Que sais-je Nº 925.
  • MONUMENTS HISTORIQUES, Champagne-Ardenne. № 145 (juin-juillet 1986). 1986. Paris, C.N.M.H.S.
  • PÉCHINÉ, EMILE, Hortes, Mon Village. 2003. Edité par sa fille Marie Péchiné.
  • PERU, JEAN-CHARLES, La vie quotidienne dans le bailliage de Langres aux XVIIe et XVIIIe siècles. 1999.
  • PIEPAPE, LEONCE DE, Histoire militaire du Pays de Langres. 1884. Réimpression 1984.
  • PISTOLLET DE SAINT-FERGEUX, Les environs de Langres. 1836. Réimpression 1989. 2 Volumes. Heruitgave van: Pistollet (1836).
  • PISTOLLET DE SAINT-FERGEUX, Recherches historiques et statistiques sur les principales communes de l’arrondissement de Langres. Première partie. 1836.
  • RICHARD, LIEUTENANT, Les petits Français à la guerre. z.j. [1892].
  • SADOUL, GEORGES, Jacques Callot. Mirroir de son temps. Paris 19691-19902. Gallimard.
  • SCHRÖDER, Th. (inl), Jacques Callot. Das gesamte Werk. Handzeichnungen. Zwei Bände. München, Rogner&Bernhard 1971.
  • SPRUIJT, H.J.M., De ‘Reeckeningh de Kerkck van Moock aengaende’ in de ‘Croatische trobbelen’. In: MAASGOUW CII (1983), p.39-45.
  • TUUK, TITIA VAN DER, Onder de Vanen van Gustaaf Adolf. Naar het Engelsch van G.A. Henty. Met 10 fraaie platen. Almelo z.j. [±1900]. W. Hilarius Wzn.

Antoniemen gesorteerd

In alle talen, dus ook in het Nederlands, komen zogenaamde antoniemen voor. Dat zijn woordparen waarvan de leden in zekere zin een aan elkaar tegengestelde betekenis hebben: vroeg – laat, dik – dun, opbouwen – afbreken, man – vrouw, antoniem – synoniem.
Buiten beschouwing laat ik de zogenaamde basaltwoorden, woorden die uit twee delen bestaan die met elkaar een oppositie vormen: basalt, volledig, morgenavond en boosaardig bijvoorbeeld (bas-alt, vol-ledig, morgen-avond, boos-aardig). Daarvan heeft Battus er in zijn Opperlandse Taal- & Letterkunde (1981) een zeventigtal beschreven.

Binnen de groep van Nederlandse antoniemen bestaat er echter ook een deelverzameling van woordparen waarvan beide leden identiek zijn. Ik beschrijf van die groep enkele voorbeelden:

  • gijzelaar kan zowel actief de gijzelnemer betekenen, als passief de gegijzelde.
    Zo ook:
  • martelaar actief: folteraar; passief: bloedgetuige.
  • model kan zowel duiden op het origineel waarvan nabootsingen worden gemaakt: fotomodel, modelschool, als op de nabootsing van een origineel: modelbouw, modelspoorbaan.
  • gesorteerd. Kopen we gesorteerde appels of eieren, dan zijn die zoveel mogelijk overeenkomend in gewichtsklasse, grootte, kleur of soort; kopen we echter gesorteerde bonbons, dan krijgen we bonbons die juist zoveel mogelijk verschillend in gewichtsklasse, grootte, soort of kleur zijn.
  • knalpot is een onderdeel van het uitlaatsysteem onder een auto, bedoeld om het geluid van de explosiemotor te dempen, maar ook kan het rond oudjaar om een vuurwerkartikel gaan, bedoeld om juist zo veel mogelijk explosielawaai te produceren.
  • slaap kan zowel de oorzaak als het gevolg betekenen: Wie slaap heeft, heeft slaap nodig.
  • direct heeft zowel de betekenis nu, onmiddellijk, als niet nu, straks: Op het verzoek “Wil je direct hier komen!” kan als reactie komen: “Ja, ik kom nu direct” / “Nee, ik kom direct wel”.
  • meteen hetzelfde als direct: nu, onmiddellijk dan wel niet nu, straks. Voorbeeld: “Wil je meteen hier komen!” met als mogelijke reacties: “Ja, ik kom nu meteen” / “Nee, ik kom meteen wel”.
  • dadelijk hetzelfde als direct en meteen. Merk op dat bij deze drie woorden de betekenis “niet nu, maar straks” kan worden uitgedrukt door er zo voor te zetten en/of wel er achter: “Ik kom zo dadelijk wel”, “zo meteen wel”, “zo direct wel”.

Het verschijnsel doet zich niet alleen bij naamwoorden voor; ook sommige werkwoorden horen tot deze speciale groep antoniemen:

  • afmaken heeft zowel de betekenis “de constructie voltooien” als “de destructie voltooien”. “Het hondenhok afmaken” is wezenlijk een andere activiteit dan “de hond afmaken”. Zie bij de reacties hieronder voor meer informatie over het voorvoegsel af- in dit verband.
  • in elkaar timmeren herbergt een soortgelijke dubbelzinnigheid. De zin “Ik ben ons hondenhok in elkaar aan het timmeren” kan zowel op de constructie als op de destructie duiden.
  • informeren kan het vragen naar informatie betekenen (“Zij informeerde naar onze plannen”), dus van A naar B, maar ook juist het verstrekken van informatie (“Wij informeerden haar over onze plannen”), dus van B naar A. Let wel dat hier het te kiezen voorzetsel dinstinctief is, net als bij terugkomen op (“van niets iets maken”) versus terugkomen van (“van iets niets maken”). Iets om bij de redactie van het NOS-journaal nog eens onder de aandacht te brengen.

Naar mijn mening kunnen we tot bedoelde groep van antoniemen ook hele zinnen rekenen die, afhankelijk van de intonatie, van de context of van de verhouding die gesprekspartners tot elkaar hebben twee elkaar tegengestelde betekenissen dragen:

  • “Dat moet je eens proberen!” kan een aansporing zijn om iets wel te doen, maar ook een waarschuwing om juist iets niet te doen.
  • “Vind je dit niet de moeite?” kan betekenen dat de spreker het zelf eigenlijk wel de moeite vindt, maar ook dat de spreker vermoedt dat de aangesprokene het zelf niet de moeite vindt. De betekenissen laten zich parafraseren door: “Ben je het met me eens dat dit de moeite is?” en: “Is het zo dat jij dit niet de moeite vindt?”
  • “Als hij niet snel contact opneemt, kan hij gemist worden.” In deze zin ligt de betekenis besloten “…kan het zijn dat ze hem kwijt zijn“, d.w.z. is hij er niet terwijl hij er wel had moeten wezen, maar ook “…kunnen ze ook wel zonder hem“, d.w.z. is hij er wel terwijl ze liever hadden dat hij er niet meer was.

Ken je meer van dit soort antoniemen?
Stuur me die dan in een reactie of per e-mail toe aub.

CONTENU en CONTENANT

Het is een bekend gegeven dat woorden van betekenis kunnen veranderen, ofwel door de tijd heen binnen één taal, zoals het Nederlandse juffrouw, ofwel bij vergelijking van hetzelfde woord in verschillende talen, zoals het Nederlandse schade (“damage”) het Duitse schade (“pity”) en het Tsjechische škoda (“pity, damage”).
Bij een aantal van deze woorden valt het op dat die betekenisverschillen te maken hebben met het verschil tussen contenu en contenant.

Onder contenu verstaan we “dat wat omsloten is”; onder contenant “dat wat omsluit”: een kamer (contenu) wordt omsloten door muren (contenant). Tot de meest verbreide voorbeelden van deze betekenisverschuiving hoort het woord gordijn, met al zijn varianten in vele Europese talen.

Zo komt het in de betekenis van contenant voor als gordijn (Ned.), Gardine (Duits), curtain (Eng.), cortina (It.), gardin (Deens), cortex (Frans). Maar vaker nog treffen we het aan in de betekenis van contenu: (boom-/ wijn)gaard (Ned.), Garten (Duits), garden (Eng.), giardino (It.), jardin (Frans), gård (Zweeds) en vele Slavische vormen als -grad, -gorod, hrad.

Terzijde: de naam van de rivier de Jordaan en vermoedelijk ook van de Amsterdamse stadswijk De Jordaan zijn etymologisch niet verwant met het hier bedoelde “gordijn”-voorbeeld.

Ik geef een -lang niet complete- lijst van vergelijkbare gevallen. Aanvullingen zijn welkom.

CONTENU

CONTENANT

tuin (Ned.)
town (Eng) (“stad”)
Zaun (Duits) (“hek, omheining”)
bolwerk (Ned.) (“verstevigde vesting”) boulevard (Frans) (“ringweg rond vesting”)
haam (Ned.) (“schepnet”)
lichaam (Ned.) (= lic (“lijk”) + haam (“omhulsel”))
inham (Ned.)
Hamen (Duits) (“schepnet”)
home (Eng.) (“huis”)
Heim (Duits) (“huis”)
hameau (Frans) (“gehucht, vlek”)
klooster (Ned.)
cloister (Eng.) (klooster)
enclosure (Eng.) (“omheinde ruimte”)
enclos (Frans) (= palissade)
cloître (Frans) (klooster)
cloister (Eng.) (“kloostergang”)

enclosure (Eng.) (
“omheining”)
enclos (Frans) (“afrastering, haag”)
cloître (Frans) (“kloostergang”)
palis (Frans) (“omheinde ruimte”) palis (Frans) (“omheining”)
perk (Ned.) (“aangelegd stuk groenvoorziening”)
parc (Frans) (“park, terrein, depot”)
perk (Ned.) (“heg”)
parc (Frans) (“kinderbox, schaapskooi”)
krijt (Ned.) (“in het ~ treden”) 

keuken (Ned.) (“een verfijnde ~”)
cuisine (Frans) (“haute cuisine”)
cuisine (Frans) (“faire la ~” = koken)

kamer (Ned.) (“Tweede Kamer”;
“Kamer van Koophandel”)
chambre (Frans) (“Chambre de Commerce”

krijt (Ned.) (“kalklijn”)keuken (Ned.) (“kookruimte”)
cuisine (Frans) (“kookruimte”)
kamer (Ned.) (“omsloten ruimte in huis”)
chambre (Frans) (idem) 

Deze verzameling woorden wil ik niet beschouwen als antoniemen, omdat daarbij in eerste instantie sprake is van een tegenstelling, eerder dan van een betekenisverschuiving. Zie mijn apart bericht over antoniemen.